Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

De Maasroute | Dag 10

‘Groen’ en ‘rust’ is waar de camping mee adverteert.

Foto hierboven: fietspad ter hoogte van Rhoon, links buiten beeld stroomt de Oude Maas.

Het loze vissertje is geen uitslaapcamping, als ik m’n tent uit kruip zijn er al kampeerders wakker. Vroeg starten heeft vanmorgen geen zin, op een kleine 23 kilometer kom ik straks het eerste veer tegen, tussen Puttershoek en Zwijndrecht, dat pas om elf uur gaat. Dus dood ik de tijd met een tweede koffieronde en een uitgebreid wikipedia-onderzoek, waarbij ik iets probeer te begrijpen van alle rivieren die ik gisteren gepasseerd ben en die ik vandaag ga oversteken. Rivieren die samenstromen, onderweg van naam veranderen, afgedamd zijn of hun vroegere loop hebben verlegd. Heel veel rivieren.

Niet hardop

Tot mijn verbazing zie ik dat Dordrecht, aan de rand waarvan m’n tent nu staat, op een eiland ligt. Een riviereiland, aan alle kanten omgeven door stromend water. Verderop de Hoeksche Waard, nog zo’n eiland. ‘Rare jongens, die Amersfoorters’, denk je waarschijnlijk als je hier vandaan komt, ‘komen die wel ‘ns buiten?’ Toch wel, maar bijna nooit in dit deel van Nederland. Ik ben al blij dat ik sinds m’n Maastunnel-opdracht voor de gemeente Rotterdam niet meer denk dat dit allemaal één grote stad is en dat alle -drechten die ik straks tegenkom niets anders zijn dan aangegroeide buitenwijken van Rotterdam. Levensgevaarlijk om dat hier hardop te zeggen.

Dordrecht, molen Kyck over den Dyck uit 1713. Deze stenen stellingmolen maalde ooit het mout voor de Dordtse bierbrouwerijen.

Echt iets anders

Om vijf over half negen vertrek ik, met Dordrecht als eerste halte. Terwijl de stad om me heen verschijnt realiseer ik me hoe niet (‘slecht’ is een understatement) ik dit deel van Nederland ken. Vreemd en ook fascinerend, er valt voor mij veel te ontdekken. Als ik op de kaart van Zuid-Holland kijk zie ik één grote vlek van aan elkaar gebouwde en aan elkaar gegroeide steden, met daartussen een stelsel van waterwegen die in elkaar overgaan, aftakken en andere namen krijgen. Steden die bovendien via een netwerk van tunnels en bruggen met elkaar verbonden zijn.

Als Amersfoorter zie ik Dordrecht naadloos overgaan in Zwijndrecht, Papendrecht en Sliedrecht. Die weer vastzitten aan Hendrik-Ido-Ambacht, Ridderkerk, Barendrecht en Rotterdam. Als je hier niet vandaan komt lijkt het wonderlijk dat al die steden hun eigenheid hebben behouden en dat Dordrecht iets anders is dan, bijvoorbeeld, Zwijndrecht – en echt iets anders dan Rotterdam. Driekwart eeuw geleden was dat ook zo, toen er nog ruimte zat tussen de steden in de zuidelijke Randstad, toen Rotterdam vanaf Dordrecht anderhalf uur met de fiets was in plaats van 15 minuten met de trein.

Wolwevershaven in Dordrecht.

Groothoofdspoort.

Mooiste

Ik sta aan de Merwede en verbaas me, verwonder me, weet niet wat ik het mooiste vind: de oude poort waar ik net onderdoor kwam, de huizen aan de waterkant, de Wolwevershaven, het voorbijstromende water. Geweldig, dit.

Een man op een mountainbike met een kleine rugzak stopt naast me. “Ook op reis?” “Ja! Waar naartoe?” Verhalen over en weer. Hij wil naar de Waddenzee fietsen en gaat kijken of hij dat haalt. Hij is gestart in Breda en heeft geen gps of telefoon bij zich. “Ik vind het wel, gewoon om je heen kijken.” Een fietser met een kortere route dan ik, maar bezig met een groter avontuur. Geen toestanden, een man van de vrijheid. Dat is ook hoe ik me voel, maar met meer spullen. Die geven me gemak en autonomie, maar zijn ook ballast. Ik zoek nog steeds naar het optimum, van ontmoetingen als deze word ik blij, ze brengen me terug naar de basis en naar wat ik zoek.

Durf

De binnenstad is net zo mooi, en net zo aangenaam fietsen. Autoluw, dus is er niet het voortdurende gevecht om de ruimte, niet de onrust en het bandengeroffel van grote metalen dingen die maar net passen in de oude smalle straten, om vervolgens ergens nutteloos veel vierkante meters ruimte in te nemen. Ten points to Gryffindor! Steeds meer steden nemen de stap om auto’s in hun binnenstad te weren. Ze horen daar niet, passen daar fysiek niet en drukken een grote stempel op de leefbaarheid en de beschikbare ruimte. Als een gemeente eenmaal de durf heeft gehad het in te voeren, wil niemand ooit meer terug. Als bewoner krijg je je stad weer terug, je realiseert je pas hoe groot de invloed van auto’s is als ze er niet meer zijn.

Ik fiets langs de Nieuwe Haven met rijen kleine jachten, iets verder steekt de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk boven de daken uit. In het winkelgebied wordt een boekenmarkt opgebouwd, ik fiets erlangs en verlaat bijna met tegenzin de stad.

Highlight

Wat ik buiten Dordrecht doe is niet voor iedereen een highlight, maar wel voor mij. Door een tunnel fietsen. Bij het naderen van de Kiltunnel ben ik benieuwd hoe ik er met een beladen fiets doorheen moet. Ik ben voorbereid op een roltrap, als bij de fiets- en voetgangerstunnel van de Maastunnel. Zonder bagage stelt dat niets voor, met bagage vind ik het spannend. Op internet zie ik de waarschuwing ‘maak geen gebruik van de roltrap als je zware bepakking hebt’. Mee eens, maar is er een voor mij een alternatief, een lift misschien – ook net als bij de Maastunnel?

Kiltunnel onder de Dordtsche Kil, met voor elke rijrichting een aparte tunnelbuis (in Nederland een wettelijke verplichting) en rechts een rijstrook voor langzaam verkeer.

Vluchtdeur in de (noordbuis van de) Kiltunnel (klik = groter).

Standaard

Eenmaal bij de tunnelmond blijkt er niets aan de hand. De roltrap is een optie (nu niet, door onderhoud), ik kan ook gewoon via de rijstrook voor langzaam verkeer door de tunnel heen. Helling naar beneden, helling naar boven, klaar. Onderweg kijk ik naar de veiligheidsvoorzieningen. Die zijn bij wegtunnels die onder de Tunnelwet vallen in grote lijnen gelijk (bij tunnels die door Rijkswaterstaat beheerd worden, rijkstunnels, moeten ze zelfs voldoen aan een wettelijke standaard, zie artikel 13), maar er zijn verschillen. Ik zie zo snel vluchtdeuren, hulpposten (met contourverlichting, jawel) en een omroepinstallatie.

Vluchtdeuren

De Kiltunnel is een van de weinige Nederlandse wegtunnels waar je als fietser naast – op een fysiek afgescheiden rijstrook – het autoverkeer rijdt en je als het mis gaat dezelfde veiligheidsvoorzieningen gebruikt als de andere weggebruikers. Het belangrijkste zijn de vluchtdeuren. Bij een brand is het zaak om de tunnel zo snel mogelijk te verlaten. Niet vanwege de vlammen (daar kom je waarschijnlijk niet mee in aanraking), maar vanwege de rook die in een tunnel moeilijk weg kan. Rook van een voertuigbrand is dodelijk en kan je al na een halve minuut bedwelmen. Wegwezen dus, via de dichtstbijzijnde groene vluchtdeur. Voorbij de deur kom je in de andere tunnelbuis terecht (zoals bij de Kiltunnel, daarom zit er een drukknop naast om de deur te ontgrendelen, met vertraging omdat de andere buis eerst ‘leeggereden’ moet zijn) of in een vluchtgang die naar buiten leidt. Niet aarzelen, wegwezen, je fiets is van later zorg.

Overtocht over de Oude Maas.

Enige

Om kwart voor elf ben ik in Puttershoek, perfect op tijd voor het veer dat me vanaf elf uur over de Oude Maas kan zetten. M’n Vittorio en ik zijn de enige passagiers, aan de overkant loopt het kleine voet- en fietsveer vol met fietsers die staan te wachten.

Na een paar kilometer fietsen op de noordelijke oever van de Oude Maas kom ik de Heinenoordtunnel tegen. De route loopt er naartoe, zo te zien tot aan de lift waarmee fietsers af kunnen dalen naar een tunnelbuis van de Tweede Heinenoordtunnel, een uitbreiding van de bestaande (eerste) tunnel met extra tunnelbuizen voor alleen langzaam verkeer. ‘Wat een verrassing’ denk ik, ‘daar moet ik dus ook doorheen’. Leuk, zie ik die ook eens vanuit het perspectief van de fietser. Dus hop, in de lift, naar beneden, tunnelbuis door (hartstikke koud) en aan de andere kant weer met de lift omhoog.

Minder vreemd

M’n Garmin zegt ‘uit koers’. Vreemd, maar ik heb meteen de verklaring: in of net naast een tunnel raakt een gps de satellieten kwijt. Ik zoom uit op het scherm en zie dat het paarse lijntje van de route helemaal niet door de tunnel loopt. Dat maakt het minder vreemd dat ik uit koers ben. Ik rijd iets door, keer om en neem de andere tunnelbuis voor langzaam verkeer terug, die voor tractoren, helling omlaag en omhoog. Ik zie andere fietsers dat ook doen (do as the locals do en zo), dus dat is vast in orde. Terug op de route besluit ik deze dwaling geheim te houden. Mocht het toch uitlekken, dan gooi ik het op professionele bevlogenheid.

Fiets- en voetgangerstunnel Tweede Heinenoordtunnel (onder de Oude Maas).

Tussen Heinenoord en Hoogvliet.

Stil

Tot Hoogvliet wordt het weer stil om me heen. De route gaat over de noordoever van de Oude Maas, voor een groot deel door het groen van langgerekte natuurgebieden. Een verrassend stuk langs bos, door weilanden en over smalle asfaltfietspaden. Ik kruis vrijwel geen wegen en ben alleen met wat medefietsers en de voormalige noordelijke tak van de Maas. Bij Hoogvliet steek ik met een brug de rivier over naar Spijkenisse en fiets daarna langs het Hartelkanaal richting Geervliet, Heenvliet en Zwartewaal.

Ongelijk

Op Brielle heb ik me verheugd. Nooit geweest. Een vestingstad met veel historie, van de watergeuzen die Den Briel in 1572 innamen en zo feitelijk de opstand begonnen tegen de Spaanse overheersing onder Fernando Álvarez de Toledo y Pimentel, kortweg ‘Alva’. De stad van het ‘In naam van Oranje, doe open de poort‘. De route wil de fietser zoveel mogelijk van Brielle laten zien en maakt een grote lus door de stad.

Het centrum bestaat uit klinkers die miljoenen jaren geleden samen met de aardschollen omhoog zijn geduwd, zo lang liggen ze er waarschijnlijk al, en zo ongelijk zijn ze. Maar niet getreurd en niet gezeurd, hobbelen kan ik handelen. De echte verschrikking is dat het hele centrum binnen de vesting vol staat met auto’s. Enorme bakken (veel met niet-Nederlandse kentekens) die naast elkaar rijden en langs elkaar scheuren. Op kruisingen gedoe met wachten en voor laten gaan, een gemier van banden-herrie en geïrriteerde bestuurders die niet willen wachten of nog steeds geen parkeerplaats hebben kunnen vinden. En dat allemaal in de smalle straten van een historisch centrum dat deel uitmaakt van de ontstaansgeschiedenis van Nederland. De auto’s verzieken de stad.

In het hart van Brielle, waar het op dit kleine plein meevalt met de drukte.

Overheerst

Wanneer je de Briellenaren zou vragen of ze er gelukkig mee zijn ben ik benieuwd naar de uitkomst. Discussies over wel of geen autoluwe binnenstad worden nogal eens overheerst door het standpunt van de middenstand. ‘Als mensen niet meer met de auto naar de stad mogen, komt er niemand meer. Geen klanten, geen inkomsten voor de stad, do the math‘. Gemeentebestuurders zijn er bang beducht voor, terwijl het een kleine groep vormt en die inkomsten vooral naar de middenstanders zelf gaan. Legitiem om daar voor op te komen, maar er zijn meer belangen, van veel meer inwoners.

Tot nooit

In Amersfoort is ook zoiets gebeurd, het gemeentebestuur heeft doorgezet. Nu het eenmaal zover is, is de onvrede verdwenen en is de rust in alle opzichten weergekeerd. Klanten blijven komen. Veel centrumbezoekers komen op de fiets, degenen die toch de auto nemen kunnen terecht in parkeergarages buiten het centrum. Horeca en winkeliers vinden zelf ook dat de stad er beter op geworden is, leuker, aangenamer. We kunnen weer lopen en fietsen zonder steeds achterom te hoeven kijken. Ik maak de Brielle-lus af, stop een enkele keer voor een mooie gevel en verlaat zo snel mogelijk de stad. Brielle: de groeten en tot nooit.

Duingebied voorbij Oostvoorne.

Maasvlakte.

Domein

Ik laat de stad achter me, de natuur is terug. Bij Oostvoorne rijd ik door een duingebied dat ik niet ken. Het betonfietspad is strak en breed, de zon schijnt met kracht langs de witte wolken die uit een schilderij gedreven zijn. Het is onverwacht prachtig. De duinen gaan over in de Brielse Gatdam, die sinds 1966 het Brielse Gat afsluit en een brug vormt naar de Maasvlakte. Er loopt alleen een fietspad overheen, het domein van vogels en fietsers.

Race

Ook de Maasvlakte is nieuw voor me. Een fenomeen, maar eentje waaraan ik niet veel gemist blijk te hebben. Een grote kale vlakte met distributiecentra en raffinaderijen, waar kranen de bomen vormen op het opgespoten havengebied. Ondertussen fiets ik als een dolle. Vanaf Maasvlakte 2 neem ik straks de boot die me door de havens naar Hoek van Holland brengt. Er zijn maar een paar afvaarten per dag, waarvan de laatste om 14:00, 16:00 en 18:00 uur. Na Hoek van Holland is het nog zo’n 35 kilometer tot aan het route-eindpunt in Rotterdam, als ik de afvaart van zes uur neem wordt het een late avondrit, onhandig bij het vinden van een camping die nog open is. Dus rijd ik op de boot van vier uur, gaandeweg de middag ben ik de vaart erin gaan houden, nu is het een race tegen de klok.

Ik red het, om tien voor vier sta ik – na een beetje zoeken – in de Prinses Margriethaven, bij de kleine pier naast FutureLand waar als het goed is dadelijk het Hoeksveer aanlegt. Als het goed is, want de pier is leeg, over het water zie ik niets naderen.

Hoeksveer door het havengebied, tussen de Prinses Margriethaven en Hoek van Holland.

Oversteek van de Nieuwe Waterweg.

A work of art

Vijf minuten later is hij er, alles komt goed. De schipper in z’n witte overhemd zet m’n fiets tegen de railing en bindt ‘m vast. Kennelijk is dat nodig, al begrijp ik nog niet waarom. Met mij stappen twee Britten aan boord, een jonge man en een jonge vrouw met bagagefietsen. Ze hebben meegedaan aan de Zeelandregatta, met nog duizend anderen. Ze zijn op weg naar huis, fietsen naar IJmuiden en nemen daar de boot naar Newcastle. Anderen namen het vliegtuig, “…maar wij gaan lekker fietsen, veel leuker”. “Helemaal gelijk” antwoord ik, “er gaat niets boven dat gevoel van vrijheid”.

Ze heeft rood haar en sproeten, het type vrouw dat wel uit Groot-Brittannië of Ierland moet komen. Als ik fotograaf was zou ik het willen vastleggen, de essentie van schoonheid die ligt in een blik, in door de wind bewegend haar, in huid die niet is opgemaakt. “You’re not just a woman” wil ik haar zeggen, “you’re a work of art”. Ik doe het niet, ik weet niet hoe dat bij haar overkomt.

Veruit

We varen. Door het havengebied, als dwerg tussen reuzen. Langs kranen en langs containerschepen die voorbijvaren met loodsen langszij. Een sleepboot trekt een enorm containerschip achter zich aan, het water wordt open, we deinen stevig op en neer, op de onzichtbare golven van de Nieuwe Waterweg. Daarom de vastgebonden fietsen. Ik vraag de tweede schipper naar de golfslag en voel me een dorpsjongen die voor het eerst in de grote stad komt. Alles is nieuw voor me. De overtocht duurt vijftig minuten en is veruit de mooiste en spectaculairste oversteek uit m’n Nederlandse fietsgeschiedenis.

In Hoek van Holland liggen twee enorme veerboten van Stena Line, die naar Harwich en Killingholme varen. Op andere plekken zie ik borden en schoorstenen van P&O en DFDS, opstelstroken voor auto’s die straks de veerboten oprijden, poortjes voor de ticketcontrole, hekken, mannen en vrouwen met portofoons en grote gele jassen. Hoe graag zou ik niet zo’n boot oprijden, wegvaren en op een heel andere plek uitkomen. ‘Volgend jaar’, zeg ik tegen mezelf, ‘naar Stavanger‘.

Langs de Nieuwe Waterweg. Verderop wordt dit een vrijliggend fietspad tussen groen en water.

Goed plan

Op het mooie en kaarsrechte fietspad langs de Nieuwe Waterweg heb ik de wind in de rug en het gevoel alleen af en toe bij te moeten remmen. Na twintig kilometer sla ik linksaf, de bebouwing van Vlaardingen in. Geen water meer, geen wind, windmolens, schepen of verre uitzichten. In plaats daarvan de treurnis van woonwijken die me niets zeggen, de druk van stadsverkeer en klinkers, klinkers, klinkers. Vlaardingen wordt Schiedam, de treurnis blijft, net als de klinkers. Op een hoek stop ik bij shoarmazaak-grillroom-dinges Isis. Ik heb dorst, te weinig gedronken, had teveel haast. Een koud blik cola is de bedoeling, maar als ik zie wat ze aan eten hebben, bestel ik een Turkse shoarma-pizza, zo’n dikke in tweeën gesneden rol in alufolie, waar aan alle kanten saus uit druipt en sla uit valt. Die is zó weg, goed plan, dit. In mijn hoofd zat het romantische idee om als ik vanavond op de camping ben de fiets te pakken, naar het centrum te rijden en daar bij een pizzeria een pasta te eten op de goede afloop. Maar ga ik dat wel doen als ik er eenmaal ben? Hoe dan ook, de realiteit dicteert dat ik nu iets moet eten, ik ben helemaal leeg en moet er nog zo’n 25 tot de camping. Fietsen in het stadsverkeer van Rotterdam is niet veilig met een lege maag en nul scherpte.

Terwijl ik zit te eten komen de kleurrijkste en onwaarschijnlijkste figuren langs. Ze komen zelf eten, eten halen of even contact maken. De buurt gebeurt hier. Ik praat met een jonge Turkse man met een woeste baard en dun haar over z’n bijna kale schedel gekamd. Wat ik allemaal bij me heb, hoe ik dat dan doe met slapen, hoe dit en hoe dat. Hij is echt geïnteresseerd, ik geef echte antwoorden. Al ben ik een stuk ouder en de enige blondkop, ik voel me hier op m’n plaats en had me geen leukere plek kunnen wensen om bij te tanken.

Euromast en de Parkhaven. Onzichtbaar rechts naast de mast ligt de noordelijke tunnelmond.

Monument

Schiedam gaat over in Rotterdam, voor mij zo ongemerkt dat tussen de flats ineens de Euromast verschijnt. Waar ik doorheen fiets heeft weer met mij te maken, ik veer op na de niet erg gedenkwaardige kilometers van het afgelopen uur. De Euromast staat dicht bij de noordelijke tunnelmond van de Maastunnel, waarvoor ik een opdracht uitvoer die gaat over het (bij)scholen van tunneloperators, de mannen en vrouwen aan de knoppen. Niet zomaar een tunnel, maar de oudste wegtunnel van Nederland (geopend in 1942, tijdens de Duitse bezetting), met monumentale status.

Ik ben hier vaker geweest, in de tunnel zelf, maar ook in de ventilatie-, entree- en roltrapgebouwen. Letterlijk en figuurlijk een prachtig stukje tunnelbouw. Ik heb er bovendien Rotterdam door leren kennen, ik houd van de no-nonsense mentaliteit van de Rotterdammers, pragmatisch en zonder toneelstukjes. Ik houd van echte mensen.

Ventilatiegebouw Noord (niet deze tocht, klik = groter).

Zomaar

Bij het DFP, het Droogleever Fortuynplein (genoemd naar een illustere en gerespecteerde burgemeester van Rotterdam) stop ik voor een foto. Een man op de fiets stopt naast me en begint een gesprek. Hij maakt zelf ook fietsreizen, kampeert, ook wel eens wild. Hij zal ruim in de zeventig zijn, ik zie hem blij worden terwijl hij vertelt. Net zo blij als ik, door de verbinding en het contact, omdat ik mezelf op die leeftijd zo hoop te zien. Zomaar een gesprek, in het hartje van Rotterdam. We zeggen gedag en gaan ieder onze weg.

Voor mij is dat rechtsaf, om Het Park heen en langs de roltrap- en ventilatiegebouwen Noord. Vanaf daar is het, fietsend langs de Nieuwe Maas, niet ver meer naar het officiële eindpunt van de Maasroute, aan de voet van de Erasmusbrug. Ik maak een foto van m’n fiets en doe een poging tot selfie-met-fiets – en krijg alleen een ongeschoren hoofd, twee armen en wat straatstenen. Maar ik ben er. Al is het niet erg glorieus, tussen de wandelaars en met de herrie van het brugverkeer, ik maak er een moment van.

Het eindpunt van de Maasroute, glorie en victorie zijn mijn deel.

Haast

Niet voor lang, ik heb gloeiende haast. Ik mik op de stadscamping van Rotterdam waarvan de receptie – zegt de website – in juli en augustus tot negen uur ’s avonds open is. Het is nu tien voor half negen, ik heb geen seconde te verliezen met het vooruitzicht nog door het centrumverkeer te moeten.

Presteren onder tijdsdruk geeft een kriebel die ik heimelijk leuk vind. Scherpte bij het kiezen van de efficiëntste route, snel beslissen en alert zijn bij het oversteken van ingewikkelde kruisingen. Daartussen als een dolle over klinkers en asfalt jakkeren. Dat moet je niet te vaak hoeven doen, maar af en toe is dat best geinig. Heel even denk ik nog ‘als ik nu doorrijd naar Rotterdam Centraal ben ik over een uur thuis’. ‘Kan’, denk ik meteen, ‘maar dan is het onaf, die laatste 30-40 kilometer waren niet geweldig’. Bovendien heb ik heel veel zin om morgen in alle rust de laatste 97 kilometer naar huis te fietsen. Dit keer langs de Lek.

Geen risico

Ik ga het halen, maar met weinig tijd over. Omdat ik niet het risico wil lopen dat de receptiedeur vóór m’n neus dichtgaat bel ik de camping. De sluitingstijd van negen uur blijkt verkeerd op de website te staan, “eigenlijk zijn we tot acht uur open. Geen probleem, ik kom dadelijk wel even naar de receptie”.

Om vijf voor negen sta ik bij de receptie van de kleine, maar echte camping aan de noordrand van Rotterdam, vlakbij het Kleinpolderplein. Ik mag gaan staan waar ik wil, ergens op het grote grasveld met een rijtje campers en een enkele tent. Ik zet snel m’n tent op, douche, haal een stoel bij het receptie-terras vandaan en schroef de kleine fles rosé open die ik bij de receptie heb gekocht. Dat ik onderweg gegeten heb blijkt nu een extra goed plan, ik ga nergens meer naartoe.

Op het groene terras van de stadscamping Rotterdam.

Voorbij

De schemer dimt het licht, de avond vordert, de koelte komt het veld op. Ik zit naast m’n tent en overdenk de tocht van de afgelopen elf dagen. Jammer dat het voorbij is. Het was leuk, echt leuk. Het onderweg zijn, het fietsen met alles bij me, de autonomie, de vrijheid. Spectaculair? Nee. Moest dat dan? Ook niet. De Maas is een mooie kapstok gebleken om door streken en landschappen van drie landen te fietsen. Er zijn veel kleine plekken geweest die ik niet kende en die me verrasten, en maar een paar stukken die ik best had willen missen.

Na Limburg was ik even bang dat de rest van Nederland een anticlimax zou worden. Dat werd het niet. Lange saaie stukken over de dijk, waar ik voor vreesde, bleven uit. Plekken als Woudrichem, Dordrecht en de Maasvlakte kende ik net zo min als de bron bij Pouilly-en-Bassigny, het was net zo bijzonder om ze te ontdekken. Ook de fietsrichting is me bevallen. Aangekomen bij de bron tussen de weilanden had ik misschien gedacht ‘en nu?’ Hier in Rotterdam is die vraag er niet, ik ervaar het als een natuurlijk eindpunt. Morgen de laatste fietsdag, langs de Lek naar Amersfoort. Het gaat mooi weer worden, ik ga ervan genieten. Net zoals ik dat de afgelopen elf dagen gedaan heb.

Met dank aan jullie, lezers, voor het geduld dat je hebt gehad bij het verschijnen van dit verhaal. Met dank aan de vele leuke mensen onderweg, met wie ik vaak kleine maar niet minder bijzondere gesprekken had. Met dank ten slotte aan de routemakers in Frankrijk, België en Nederland: jullie bewijzen de fietsgemeenschap een dienst.

Overzicht

Eén reactie

  1. Dank Piet voor dit verhaal.
    Leuk, ik heb ooit ook een keer moeten wachten op de veer bij Appeltern op een zaterdagmorgen. Ik was toen onderweg van Vroomshoop naar ’s Hertogenbosch.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.