Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

De Maasroute | Dag 4

Het tentenveld, op de achtergrond de Maas.

Foto hierboven: Canal des Ardennes, tussen Sedan en Charleville-Mézières.

De wekker moet me wakker maken, zó lekker heb ik geslapen. Het is half zeven. De buitentent is vrijwel droog, het heeft vannacht niet veel geregend. Ik verken de lucht en de wolken. Het is fris en grijs, vandaag fiets ik in m’n lange broek met sokken en schoenen.

Een uur

In volmaakte rust pak ik alles in, breng het naar het afdak en rijd daarna m’n fiets er naartoe. Voor het geval het gaat regenen, maar dat doet het niet. Stoel, brander, kokend water, koffie. Met de kalmte van een Zen-meester overzie ik de fietsdag die me wacht, en ontbijt ik met een enorm stuk camembert op de halve baguette die ik nog heb. Gestommel achter witte caravanwanden, een smalle deur gaat open, de dag begint voor de weinige seizoensplaats-bewoners. Ik zou hier nog een uur kunnen zitten, kijkend naar de kleuren van de kiezels die opgesloten zijn in de grindtegels. Drinkend van m’n koffie. De lucht lezend, waarin aaneengesloten wolken de overhand hebben.

De D123 na Consenvoye.

Veldbloemen langs de D123, met verderop – onzichtbaar ingesneden in het landschap – de Maas.

Gelijke tred

Ik heb de tijd genomen, iets voor half negen fiets ik weg, de Maasbrug over, rechtsaf de D123 op. Een weg van perfect asfalt, golvend langs de Maas, met een paar korte klimmen en afdalingen. Niet erg druk, af en toe raast een grote vrachtwagen voorbij. Rechts van me houdt het Maasdal gelijke tred met de weg. Mooi, maar lang niet altijd zichtbaar, de saaiheid van de weg wordt er extra duidelijk door. De frisheid verdwijnt uit de lucht, het zal zo’n 16 graden zijn.

Slag

In de berm staat een witte obelisk met een metalen opschrift en een grote rode ruit. Ik lees de tekst, die er met ponsletters ingehamerd lijkt te zijn, en ontdek dat het gaat over de 5th U.S. infantry division (de vijfde Amerikaanse infanteriedivisie) die hier in de Eerste Wereldoorlog slag heeft geleverd. Hun embleem is een rode ruit. Een paar kilometer verderop, aan de rand van Cléry-le-Petit, staat een informatiebord, op een hoogte vanwaar ik het Maasdal inkijk. Het bord gaat over dezelfde slag, van dezelfde 5th U.S. division. Wat is hier gebeurd? Dat ga ik uitzoeken.

Het offensief, de Maas en captain Edward Allworth

In de Eerste Wereldoorlog, die zich al jaren uitzichtloos voortsleepte en de levens van miljoenen jonge mannen had gekost, kwam in de loop van 1918 – het laatste oorlogsjaar – een kentering. Het Duitse leger raakte, na alle veldslagen met groteske verliezen aan beide kanten, stilaan op en uitgeput. Aan geallieerde zijde werden aan het Westelijk Front (er waren meerdere fronten, zo werd bijvoorbeeld ook in Noord-Afrika en Turkije gevochten) de Franse en Engelse legers vanaf oktober 1917 versterkt met 2 miljoen Amerikaanse soldaten. Groen, onervaren, maar enorm gedreven. Vanaf eind september 1918 werden 1,2 miljoen Amerikanen ingezet bij het Maas-Argonneoffensief, onderdeel van het (naar achteraf bleek) slotoffensief van de oorlog. Aan de zuidkant daarvan zag de Amerikaanse Vijfde divisie zich geconfronteerd met twee grote natuurlijke barrières: de Maas en iets oostelijker daarvan het Canal de la Meuse. Die moesten worden overgestoken om de Duitsers verder naar het oosten te kunnen verdrijven. Aan de overkant van het water liep het bosrijke terrein op – ideaal voor een verdediger. Zie dan maar eens een brug te bouwen. In 1918 was er geen pantsergenie, geen luchtsteun en geen tanks om dekking te geven.

Deze obelisk bij Brieulles-sur-Meuse markeert de rechterflank van de 5th U.S. division op 1 november 1918.

En toch slagen de Amerikanen erin om bij Brieulles-sur-Meuse en bij Cléry-le-Petit pontonbruggen te bouwen en daarmee eerst de Maas en daarna het kanaal over te steken. Totdat de Duitse artillerie de bruggen kapotschiet en Amerikaanse eenheden ingesloten raken op de smalle strook land tussen de Maas en het kanaal, waarvan een deel het kanaal al is overgestoken. Er moet iets gebeuren, anders zijn die eenheden ten dode opgeschreven. Het is 5 november 1918.

Kapitein Edward C. Allworth ziet het, begrijpt het en handelt. Waarschijnlijk niet gehinderd door de aristocratische inslag van zijn Engelse en Franse collega-officieren springt hij onder vijandelijk vuur het kanaal in, gevolgd door zijn mannen. Aan de andere kant slaan ze onder zijn leiding een gat van een kilometer diep in de Duitse linies. De Duitsers, verrast en denkend dat dit het begin is van een grote aanval, trekken zich terug. Dat is precies wat de Vijfde divisie nodig heeft. Bruggen worden opnieuw gebouwd, eenheden ontzet en het offensief vlotgetrokken. Voor zijn heldendaad krijgt captain Edward Allworth de Medal of honor, de hoogste Amerikaanse militaire onderscheiding. Zes dagen later, op 11 november, wordt in een treinwagon op een open plek in het bos bij Compiègne de wapenstilstand getekend. De Eerste Wereldoorlog is voorbij.

Het Maasdal ter hoogte van de oversteek, in de verte (alleen zichtbaar aan de lijn in het landschap) het Canal de la Meuse.

Niet

Het informatiebord staat ongeveer ter hoogte van de heldhaftige oversteek van Allworth en z’n mensen. In m’n opleiding heb ik de Maas ‘ns moeten overzwemmen, maar dat was zonder dat iemand op me schoot, met m’n wapen, kleding en uitrusting droog in een drijfpakket van tentzeilen. Niet in november, niet met volgelopen laarzen en een uniform dat nog uren nat zou blijven, niet met Duitse mitrailleurs die m’n medezwemmers uit het water en het leven schoten. Hij kan er niet vanuit gegaan zijn dat het hem zou lukken. Hij keek de dood in de ogen en zwom, omdat hij vond dat er niets anders opzat, misschien omdat hij dacht dat de dood hem toch wel zou halen in deze waanzinnige oorlog.

Enola

Nu sta ik hier in vrijheid en zorgeloosheid het bord te lezen en het mooie Maasdal in me op te nemen. Bij een wei met lichtbruine koeien, koeien met normale uiers en een normale bouw. Natuurlijk heb ik met een van de dames een goed gesprek. Ze heet Enola, misschien wel vernoemd naar de liefde van een van de Amerikaanse soldaten hier. Dat ze zo heet weet de koe niet, maar het is wel degelijk zo. Ik passeer een derde en laatste obelisk die herinnert aan wat de Vijfde divisie hier deed, en vervolg m’n weg naar het noorden, de rivier nog steeds rechts naast me.

Niets

De weg krijgt een ander nummer, wordt kleiner en nog rustiger. Dit is platteland, totaal platteland. Klein dorp na klein dorp na klein dorp. Boerderijen, huizen, een ingestorte schuur die niet herbouwd is. Koeien die herkauwen, hoog gras langs de weg, tractoren die voorbijrijden. De dorpen zijn stil, maar niet verpauperd of treurig zoals in het Noord-Frankrijk waar ik op weg naar Rome doorheen kwam. Platteland zoals ik me het platteland voorstel. Om me heen heuvels, lang en glooiend, met geel graan en groene gewassen, gras en bomenrijen. Allesbehalve spectaculair, maar lieflijk, een fijn gebied om in te fietsen. Al moet ik wel voor het eerst m’n noodvoorraad koeken aanspreken, want er is niets of niemand die eten verkoopt. Geen buurtsupers, zelfs geen bakkers.

Sassey-sur-Meuse, blik achterom.

Ik eet m’n laatste twee stukjes Comté en begin aan de Lu-koekjes (een soort Sultana’s) uit de Intermarché in Loriol, waarvan we reguliere bezoekers zijn, er woont familie vlakbij. Noodkoeken, dus die zitten al een tijdje in de zak. Die met sinaasappelstukjes zijn nog prima, die met chocoladestukjes smaken naar Alabastine. Niet dat ik ooit Alabastine heb gegeten, maar zo zou dat kunnen smaken. Ik gooi ze weg, nood of niet. Stilaan daagt het me dat Sedan waarschijnlijk de eerstvolgende stad is waar iets te krijgen is, twee uur fietsen verder.

Ik kom door Laneuville-sur-Meuse. Als ik hier de route zou verlaten en naar het oosten zou fietsen, kom ik na een paar kilometer Stenay tegen. Niet bepaald een toeristische hotspot, maar wel de plek waar de heilige koning Dagobert de Tweede begraven ligt, een koning wiens leven en dood met tal van legendes omgeven is. Of Dagobert drie eenden-neefjes had is onder historici onderwerp van debat, maar lijkt op zijn minst twijfelachtig.

Bij Pouilly-sur-Meuse.

Een les

Het begint te regenen, de wolken beloofden het al de hele morgen. Eerst doe ik alleen m’n regenjas aan, maar met een lange broek en schoenen dwing ik mezelf om ook m’n regenbroek en overschoenen aan te doen. Eergisteren nog heb ik ervaren hoe fijn het is om echt niet nat te worden, een les die ik op Tweede Pinksterdag dit jaar in de wind sloeg. Op de Fietselfstedentocht van dit jaar regende het vrijwel de hele dag, waaide het met kracht 5 en hoorde de temperatuur van 13 graden niet bij 6 juni. Van de 15.000 deelnemers haakten er 3000 al vóór de start af, nog eens 2500 stapten onderweg onderkoeld uit. De wollen kledinglagen en m’n regenjas hielden m’n lijf warm en m’n moreel overeind, maar m’n benen en voeten zijn nog nooit zo nat geweest.

Het blijft regenen en regenen. Ondertussen is er nog steeds nergens iets eetbaars te koop. Hier en daar is er wel een winkel, maar met de meest onwaarschijnlijke producten, op nog onwaarschijnlijker plaatsen. Een boetiek met bruidsmode. Een grasmaaier-specialist. Of een winkel met premium kantklos-benodigdheden (we hebben alle merken!). Oké, die laatste niet, maar het had gekund. Of autogarages, overal en van alle merken, maar niets te eten. C’est bizarre.

Lunch in Mouzon.

Toch nog

In Beaumont-en-Argonne – zie ik op de OsmAnd-kaart op m’n telefoon – is zowaar een Proxi (buurtsuper). Jawel! Onder een afdak schuil ik om te kijken waar ik precies moet zijn. Verderop zitten twee schuilende Duitse fietsers, een stel, die met dezelfde hoop in dit dorp zijn gestopt. Maar de Proxi blijkt dicht, weg en opgeheven. In Mouzon, twaalf kilometer verder, krijg ik nieuwe hoop. Het is beduidend groter dan alles waar ik tot nu toe doorheen gefietst ben, hier moet iets zijn. Ik verlaat de route, vind het centrum en vind een bakker.

Warm

Ik stap af, zet m’n fiets neer en loop naar binnen. Daar, in de vitrine, ligt als enige een grote baguette met tonijnsalade. Onze moeders en andere in de hemel residerende lieve vrouwen zijn met me, dit als toeval zien ligt ver achter me. Ik bestel nog een doos met twee éclairs en een blik Lipton en installeer me aan een tafel die de bakker nog even snel heeft klaargezet (“Vous voulez vous asseoir ici?” Oui, si possible? “Mais bien sûr” “C’est tres gentile monsieur, merci!”). De stoelen stonden al op tafel, de middagsluiting staat te gebeuren. Ik trek m’n jas uit en geniet van de droge plek en de warmte die er in meerdere opzichten heerst. Prompt komen ook de twee Duitse fietsers binnen die ik eerder tegenkwam. Buiten regent het nog steeds.

Slim

De Duitse fietsers zijn klaar en stappen op. Mijn baguette is niet meer, het blik leeg, de regen opgehouden. Tijd om verder te gaan. Maar veel zin heb ik niet, een grijzelucht-moeheid heeft ingezet. M’n medefietsers hebben zich helemaal afgepeld en rijden zonder regenoutfit verder. Ik kijk naar de lucht, voel de lucht, zie de wolken. En vertrouw het niet, voor geen cent. Ik laat alles aan en stap op. Achter me vangen twee Nederlanders bot, “je suis fermé” zegt de bakker. Het landschap gaat nog even door met lieflijk zijn. De hemel niet, die opnieuw een regenbui over het land uitstort, korter maar harder dan de vorige. Nog steeds waterdicht verpakt vind ik mezelf erg slim, maar ik had liever ongelijk gekregen.

Tussen Mouzon en Sedan.

Weer leuk

De weg krijgt korrelig asfalt, golft en golft, terwijl de regen ongenadig neerklettert en er niets te zien is. Een regelrecht shitstuk. Dat gelukkig niet heel lang duurt. Het water stopt met vallen, hier en daar breken de wolken en de route gaat langs het Canal de la Meuse lopen. Geen auto’s, geen gegolf, maar een sereen fietspad (een voie verte) langs het water. De timing is perfect, het fietsen weer leuk.

De blauwe stukken lucht worden groter, de wolken zijn niet langer regenwolken. Ik vertrouw de hemel nu wel, stop en doe alles wat waterdicht is in de tassen. Zelfs m’n Indiase overhemd kan uit, de zon breekt door, het wordt zowaar aangenaam.

De route door Sedan gaat net als bij Verdun: fietsend over een pad langs de Maas slinger ik door de stad heen zonder die in te hoeven gaan. In een paar minuten ben ik er doorheen, opnieuw in de rust van het pad langs het water.

Voie verte Trans-Ardennes langs de Maas, net voorbij Sedan.

Douanekantoor bij Maassluis nr. 7 tussen Sedan en Charleville-Mézières (klik = groter).

Voie verte

Na Sedan is het nog zo’n 25 kilometer naar Charleville-Mézières. Die kilometers gaan allemaal over de Voie verte Trans-Ardennes, een langeafstand-fietspad door het département Ardennes, waarvan Charleville de hoofdstad (préfecture) is. Het pad loopt, asfalt en autovrij, langs de Maas, soms afgewisseld met een stuk langs het kanaal waar dat een rivierlus afsnijdt. De regen blijft weg, de zon wordt sterker, ik zet m’n hoed op. Ik ontdek dat ik moe ben, m’n benen verlangen naar de tentplek van vanavond, ik wil er zijn.

Ik houd de vaart er goed in, onder de steeds blauwere lucht, zoevend langs het water. Waar het Canal des Ardennes in de Maas stroomt passeer ik Maassluis nr. 7 met een woonhuis. Boven de deur hangt een blauw bord waarop staat dat je hier iets aan kunt geven. Een voormalig douanekantoor. Een jacht wordt geschut, korte broeken op het dek, het is ineens zomer. Een leuk stuk. De vele kilometers langs de Maas verliezen het avontuur, maar voor mij, nu, is het perfect, ik schiet goed op. Ter hoogte van Charleville verlaat ik rivier en route, rijd een kilometer de stad in en sta om kwart voor zes voor de receptie van Camping du Mont Olympe. Een kwartier vóór sluitingstijd, great success!

Dit is ‘m

Een tentplek is alweer acht euro en een beetje, ik mag zelf een plaats zoeken. Die vind ik bij het volleybalveld. Geen officiële plek, maar er staat een picknickbank waaraan ik geen weerstand kan bieden. Dit is ‘m. Ik app Bastiaan, hij is rond acht uur op het centrale plein van de stad, het Place Ducale, het Hertogsplein. Dat geeft me ruim tijd om alles in te richten, te douchen en een snelle was te doen.

Het Place Ducale, Charleville-Mézières.

Om half acht rijd ik via een fiets- en loopbrug naar het plein. Op de kaart heb ik daar dichtbij een Carrefour City gezien, een stadssupermarkt waar ik eten insla voor morgen overdag en morgenavond. Morgen volgt de route de Maas, nu eten inslaan geeft me de vrijheid van niet de route af te hoeven op zoek naar voedsel. Een pot bolognesesaus (van Barilla, allicht), een kwart kilo pasta, broodjes, camembert, een plank chocolade en bakkersdingen.

Ver weg fietsen

We vinden een restaurant, volgens Google een Italiaans restaurant, volgens de echte wereld een crêpe-restaurant waar ook burgers op de menukaart staan. We praten over fietsen, ver weg en dichtbij, over vrijheid en avontuur. Een kelk met een halve liter Grimbergen is daar helemaal niet vervelend bij. Bastiaan blijkt een avonturier, en een ontzettend aardige vent. Hij is een half jaar in India geweest om er stage te lopen, twee weken in Afrika voor Artsen zonder Grenzen en heeft vier en een halve maand door de Andes gefietst. We blijken precies drie weken geleden beiden de Fietselfstedentocht te hebben gefietst. Een mooie avond, met een gesprek dat me energie en onrust geeft. Kan niet missen als het over ver weg en over fietsen gaat. Om elf uur ben ik terug bij de tent. Denk aan morgen, zie de sterren, zet de wekker. Ga slapen en ga dromen.

Dag 5: Charleville Mézières – Godinne

Overzicht

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.