Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

De Vlaamse Parallel | Dag 2

Foto hierboven: akkerland tussen Poperinge en de Rodeberg.

Markt in Poperinge. ‘Bachten de Kupe’ (op de zijkant van de wagen) is de streek tussen de IJzer, de kust en de Franse grens, de zuidwestelijkste hoek van België.

Om half zeven rits ik m’n tent open. Niet vroeg, ik kwam gisteren laat aan en lag laat in m’n slaapzak. De zon is al lang op, de lucht is diepblauw en helder. Opstaan op een fietsdag, waarbij de eerste stap een stap naar buiten is, heeft de belofte van het nieuwe. De moeheid is weg en de lei is schoon. Na bijna acht uur slaap voel ik me sterk, ik heb geen haast en ga niet haasten. Op een oktoberochtend zou het nu nog donker zijn, de lucht fris en misschien mistig. Dan start ik vroeg om niet in het donker aan te komen. Dat hoeft nu niet. Vandaag is elf kilometer korter dan gisteren, de benen zullen voller zijn, het landschap hopelijk spannender dan een groot deel van gisteren. Om tien over half negen rijd ik weg. Laat en blij.

Hanen kraaien, langs strak gespannen draden kruipen planten omhoog. Op een bord langs de weg staat een grote rode aardbei getekend, met een kroontje dat als steil groen haar naar beneden valt. Erboven staat ‘Nieuwe aardappels’. Ik ben zó in Poperinge, waar de Grote Markt vol staat met een grote markt.

Het fietstas-ontbijt was karig vanmorgen, ik vraag mensen waar hier een bakker is. Op de markt, ik sta er bijna naar te kijken. Konijn. Bij de kraam van Madie’s Boerenbrood koop ik een zak met broodjes. Een paar pistolés (ronde witte broodjes met een harde korst) en van alles met poedersuiker. Voor een ronde suisse of een synergie heb ik geen plaats meer. De gesprekken zijn leuk, ik voel me hier thuis. Op deze vrijdagmorgen zijn de terrassen rond de markt vol, ook binnen zitten mensen koffie te drinken. Poperinge leeft en heeft het naar z’n zin, ik doe mee. Niet op een terras, ernaar kijken is veel leuker.

Heuvelland

Buiten de stad verandert het landschap. Ik ga heel langzaam omhoog, af en toe moet het kleinste blad erop. De akkers en graslanden beginnen te golven, in de verte zie ik heuvels, alsof ik richting de Eifel fiets. Langs de kant van de weg staan bordjes met ‘verboden voor publiek’, met daarop een voetganger. Ik kom er niet achter waarom ze er staan. Om me heen staan de akkers vol. Het graan is rijp en geel, klaar om geoogst te worden. De rogge is volwassen, de aardappelplanten staan in de bloei van hun leven, de maisplanten zijn nog adolescenten. Ik ben in het West-Vlaamse Heuvelland.

Het glooiende land komt dichterbij. Voorbij Westouter ga ik naar boven, de Rodeberg op. Koeien liggen in de schaduw van een schuur, de weg is smal, het zonlicht valt door struiken en bomen. Ik vind het prachtig mooi en zit zingend op de fiets. Dit is zoveel leuker dan het polderland van gisteren. Het kale vlakke land is aan mij niet besteed. De leegte van de Betuwe, van Noord-Groningen of van de Flevopolder voelt afstandelijk en kil, ik vind het daar niet. Dit heuvelland maakt me blij. De vergezichten, de kronkelwegen, de hoekjes van het landschap, er gebeurt zoveel. De benen moeten harder werken, de poriën gaan open, maar hier ben ik gelukkig.

Ik fiets onder een stoeltjeslift door (huh?), de Kabelbaan Cordoba die de Rodeberg met de Vidaigneberg verbindt. Even voorbij de top op 135 meter sla ik linksaf, 450 meter naar het zuidwesten ligt Frankrijk.

Golvend land, op weg naar Loker.

In de tang zit zelfs een kies, ik had het kunnen weten. De babykleertjes aan de voet van het beeld (waarschijnlijk dankbetuigingen voor verhoorde gebeden) doen mij vermoeden dat ik niet de enige ben die zich vergist heeft.

Attributen

In Loker rammel ik over de kasseien in het centrum en ga ik de Sint-Petruskerk in, op zoek naar Maria. Links in de kerk staan vier beelden, waaronder een beeld van een sereen kijkende vrouw met een blauwe mantel en een kroon. Maria. Denk ik. En een vrouwelijke heilige (naar achteraf blijkt Theresia van Lisieux), Franciscus (had gekund, maar het was Antonius van Padua) en Jozef (vader van).

Eenmaal thuis, bij het schrijven van dit verhaal, zie ik dingen op de foto die me niet eerder opvielen. Maria heeft een tang in haar hand. Misschien omdat ze bij het poseren voor het beeld bezig was met kleine herstelwerkzaamheden in en om het huis, maar attributen bij beelden hebben altijd een functie. Er is nu eenmaal weinig beeldmateriaal beschikbaar van heiligen uit het verre verleden, dus attributen bij een beeld hebben de functie van een code waaraan je kunt aflezen welke persoon het beeld voorstelt. Maria doet niets met tangen, dus dat is gek. Ik ga zoeken en ik vind het antwoord. Ik blijk mijn weesgegroetje te hebben gericht aan de Heilige Apollonia van Alexandrië, beschermvrouwe van de tandartsen. Te herkennen aan de tang waarmee ze wordt afgebeeld, meestal samen met een palmtak om haar martelaarschap te benadrukken. Als ik op negentigjarige leeftijd nog al m’n tanden heb, heb ik dat te danken aan m’n gebed in de Sint-Petruskerk in Loker. Hou dit alsjeblieft voor je.

Foto’s

Het land wordt vlakker, maar niet kaal. Het houdt iets intiems. Hagen en velden, boerderijen en een smalle weg als tunnel door de bomen heen. Langs de weg bloeien korenbloemen en vieren de bermen hun zomerfeest.

In Kemmel staan grafstenen in lange rijen op een vlekkeloos groen gazon van het Kemmel Chateau Military Cemetery. Het stralende zonlicht laat ze eruitzien als een kunstinstallatie, met kaarsrechte lijnen en het om-en-om van de witte stenen en de gekleurde bloemen ertussen.

Ik lees de eerste steen waar ik langs loop. Hier ligt tweede luitenant G.S.H. Jacques van de Northumberland Fusiliers. Hij stierf op 27 juni 1916, toen hij twintig jaar was. Hij zal een foto in een zak van z’n uniform gehad hebben, een foto van z’n geliefde. Of van z’n ouders, z’n broers en zussen. Thuis zal er een foto op het dressoir gestaan hebben van de zoon in uniform. Er is vast een album, met plaatjes van hem op school, in het gras van de tuin, in de zomer toen er nog vrede was in Engeland en in België. Ze zullen op hem gewacht hebben, z’n geliefde en z’n ouders, de oorlog was al twee jaar bezig. Op de steen staat Dearly beloved only son.

De zoon stierf zonder glorie of toekomst in de omgewoelde aarde van de velden rond Ieper, de Flanders Fields zoals ze later zijn gaan heten. Ontluisterd, vermorzeld, zinloos. De toekomst die de foto’s ademden stierf met hem, hij kwam niet meer terug. Zo zal het zijn met elk van de 1157 mannen en jongens die hier liggen. De jongste is 15 jaar.

Het beroemde gedicht van John McCrae zegt het:

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.

We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.

In Flanders Fields (gedeelte), John McCrae, 1915.

De Lakenhalle met het belfort (toren) in het centrum van Ieper.

Ieper

In een buitenwijk van Ieper koop ik een broodje tonijnsalade. Bij het weggaan zegt de dame “saluutjes hé”, geen “salukes”, ze zal gehoord hebben dat ik Hollander ben. De stad waar ik naar uitgekeken heb is anders dan ik me had voorgesteld. Het centrum is mooier en ouder dan ik had verwacht – hoewel maar een paar procent van de gebouwen er langer staat dan honderd jaar. De enorme middeleeuwse Lakenhalle doet vermoeden dat Ieper veel groter is dan de 20.000 Iepenaren die er wonen. Het gebouw met het machtige belfort, oorspronkelijk uit de dertiende eeuw, betovert me als ik er langs fiets. Op de Grote Markt zitten en de sfeer in me opnemen kan echter niet. De wegen zijn met dranghekken afgezet, op de Markt staan grote partytenten en stapels containers. En heel veel genummerde auto’s. Een commentatorstem schalt over de kasseien en langs de oude gebouwen. “We gaan-uh zien-uh wat deze coureur-uh deze editie gaat doen-uh.” Het voortslepende commentaar waarnaar niemand lijkt te luisteren heeft iets tragisch. De stem stopt, de muziek begint, uit boxen die overal staan opgesteld. Een evenement zonder herrie heeft nog niemand ooit aangedurfd. Ik heb geen enkel idee waar ik in terecht gekomen ben, maar Wiki weet het wel. De Rally van Ieper, de grootste rally van België.

Ik dacht dat dit iets uit het verleden was, keihard in brullende en met stickers overwoekerde auto’s door het landschap scheuren. Doen we dat dan nog? Er zijn mannendingen waarvan ik de lol begrijp, we hebben sinds kort zelfs een barbecue (een driepoter, geen halve stoomloc met klapdeksel), maar mannen-en-hun-auto’s is een wereld die me vreemd is. Sport, want het is natuurlijk keihard werken om onderweg de bochten te halen, geen hekken aan gort te raggen en geen omstanders dood te rijden. Dat moet echt heel leuk zijn, gezien de grote hoeveelheid volk die in Ieper op de been is.

Als ik verder lees en zoek ontdek ik dat de rally niet bestaat uit één rit (weet ik veel) maar uit een serie kortere rondjes rondom Ieper, allemaal op landwegen. Onder andere in de buurt van Westouter, daarom stonden die bordjes met No public daar langs de weg. Zittend op de rand van een plantenbak eet ik m’n broodje op, bekijk de gebouwen en de mensen en prijs me gelukkig dat ik deze route fiets. Ik schrik me helemaal rot als ik op m’n horloge kijk. Het is tien over half een en ik heb nog maar 33 kilometer gefietst. Nog 86 vandaag. De moed zinkt me in de schoenen, maar dat ik niet opschiet zegt iets over het land en de route. Tot hier was bijna elke kilometer anders.

De Menenpoort (oostzijde). Links en rechts ervan zie je de middeleeuwse vestingwerken die rond een groot deel van Ieper zijn gebouwd.

De Menenpoort

Op weg naar de rand van de stad bereik ik het gebouw waarover ik veel heb gelezen, een gebouw dat een symbool is voor de geschiedenis waarvan deze stad doordrenkt is. Met ontzag sta ik voor de Menenpoort.

Deze poort, op de weg naar Menen in de vestingwerken aan de oostkant van de stad, hoort bij Ieper als Brandenburger Tor bij Berlijn en de Arc de Triomphe bij Parijs. De poort is gebouwd door de Britten in 1927 en is zowel een stadspoort als een hal. Binnen staan op grote panelen de namen van 54.896 soldaten, onderofficieren en officieren uit Groot-Britannië en het Britse Commonwealth die gesneuveld zijn in de Ieperboog (zie kadertekst) en nooit zijn teruggevonden. Dat is maar een deel, op het Tyne Cot Memorial staan nog eens 35.000 namen van vermiste Britse en Commonwealth militairen waarvoor in de Menenpoort geen plaats was. Die 90.000 mannen zijn alleen de vermisten, er stierven rond Ieper in totaal zo’n 300.000 Britten en Commonwealth militairen. Daar komen nog de Nieuw-Zeelanders, Newfoundlanders, Belgen, Fransen en Duitsers bij. Alleen al rond Ieper. Als je je verdiept in die voor Nederland onbekende oorlog kom je aantallen tegen die zo groot zijn dat je ze niet kunt bevatten. Het is niet voor te stellen wat hier honderd jaar geleden gebeurd is.

Onder de Menenpoort blazen leden van de brandweer van Ieper elke avond om 8 uur de Last Post, als eerbetoon aan alle soldaten die hun leven gaven voor de vrijheid van Ieper. Dat doen ze ononderbroken sinds 2 juli 1928. Tijdens de Duitse bezetting in WO II werd de ceremonie verplaatst naar Engeland, maar op dezelfde avond in september 1944 dat Poolse troepen Ieper bevrijdden werd de Last Post weer geblazen onder de Menenpoort.

(Klik om te vergroten) De Ieperboog in het Westfront van de Eerste Wereldoorlog, situatie in oktober 1914.

De Ieperboog

Het gebied rond Ieper is een van de beruchtste plekken uit de hele Eerste Wereldoorlog. Ieper staat symbool voor de doden, de verwoestingen en de helse omstandigheden van het Westelijk front. Wat Verdun is voor de Fransen en Diksmuide voor de Belgen, is Ieper voor de Britten. Maar waarom uitgerekend in Ieper, wat is er gebeurd en vooral: wat deden de Britten daar?

Waarom Ieper?

Bij het Duitse plan om in een grote halve-cirkelbeweging via België het Franse leger in Noord-Frankrijk te verslaan was het belangrijk om zo snel mogelijk de zee te bereiken en de havens in Duinkerke en Calais in handen te krijgen. Hierdoor zou de bevoorrading van de Britse troepen worden bemoeilijkt en zou Duitsland de havens als U-bootbases kunnen gebruiken. Maar van noord naar zuid gezien werden ze tegengehouden door de onderwater gezette IJzervlakte, de IJzer en het Kanaal Ieper-IJzer. Dat front bewoog vanaf oktober 1914 geen meter meer. Direct zuid daarvan lag Ieper, dat de focus werd van Duitse aanvallen om de geallieerde linies te doorbreken en alsnog door te kunnen stoten naar de Noordzee en Noordwest-Frankrijk.

Waarom de Britten?

Groot-Britannië had lange tijd geleden in een verdrag afgesproken dat ze garant stond voor de neutraliteit van België bij een buitenlandse aanval. ‘Als je België aanvalt komen we België helpen.’ Dat is wat er gebeurde. Na de start van de Duitse aanval, begin augustus 1914, verklaarde Groot-Britannië aan Duitsland de oorlog en staken Britse troepen het Kanaal over. Ze kwamen de Belgen dáár helpen waar het front het zwakst was en het tegenhouden van de Duitsers het belangrijkst: bij Ieper. De Flanders Fields zouden vanaf dat moment verbonden zijn met de Britse krijgshistorie, Ieper zou een Brits trauma worden.

Wat gebeurde er?

Ieper hield stand en bleef de hele oorlog in geallieerde handen. Maar de frontlijn golfde als een uitstulping – een saillant (Engels: salient) in krijgstaal – om de stad heen: de Ieperboog of Ypres Salient. Dat bleef vier jaar zo, waardoor Ieper jarenlang van drie kanten door Duitse artillerie werd beschoten. De stad werd gereduceerd tot een rokende hoop bakstenen, vergelijkbaar met de foto’s van Hiroshima en Nagasaki die je misschien kent. Zowel de Duitsers als de geallieerden probeerden meermaals om de frontlijn te laten opschuiven, in veldslagen en campagnes die bekend zijn geworden als de (vier) slagen om Ieper. In de Ieperboog zijn verschrikkelijke dingen gebeurd. Hier werd voor het eerst gifgas gebruikt. Eerst traangas (niet dodelijk), daarna chloorgas (niet dodelijk genoeg) en tot slot mosterdgas. Tijdens de Derde slag om Ieper (ook bekend als de Slag om Passendale) vielen in het gebied rond Ieper de ergste regens in 75 jaar, die het kapotgeschoten kraterlandschap veranderden in een enorme modderpoel waarin gewonden verdronken en alles wat reed vast kwam te zitten. In die slag stierven (beide zijden opgeteld) zo’n 450.000 militairen, voor een (geallieerde) terreinwinst van acht kilometer. Aan Britse zijde werd de slag bekend als de meest zinloze van de oorlog, de Duitsers kwamen hun verliezen niet meer te boven.

De explosieve erfenis

Tijdens de vier slagen om Ieper is er een onvoorstelbare hoeveelheid artilleriegranaten afgeschoten, in de Derde slag om Ieper schoten alleen al de Britten 4,2 miljoen granaten af. Zo’n 10-15 procent daarvan ontplofte niet, in de velden rond Ieper liggen nog honderdduizenden granaten, hier obussen genoemd, waarvan 10-12 procent gevuld is met gifgas. De Belgische explosieven-opruimingsdienst DOVO vernietigt jaarlijks 250 ton explosieven, dagelijks ploegen boeren granaten naar boven.

Een deel van de namen aan de binnenkant van de Menenpoort.

Pro rege et pro patria

Het verhaal is verteld, door de poort en door mij. Ik wil verder, mooie dingen zien, geen verdrietige. Ik kijk nog eens om naar het monument voor de verloren doden. Op de ene poot van de poort staat pro rege, op de andere pro patria. For king and country. De geijkte Britse strijdleus, maar toch opvallend. Geen pro deo. Ze streden en sneuvelden niet voor God of Kristus. Daar ben ik het van harte mee eens. De God waar ik in geloof staat niet aan de kant van partijen, maar aan de kant van mensen. Daar horen ook de Duitse jongens en mannen bij wier leven hier in de velden rond Ieper eindigde, die gestuurd zijn door hun keizer en hun generaals om ver buiten hun geboortedorp een oorlog uit te vechten ter meerdere eer en glorie van het vaderland. Een oorlog die geen glorie kende en strandde in modder, prikkeldraad en de doodsangst van jonge mannen die in de hel waren beland. Toen leek een realiteit van groene weiden en de dood die zich weer terug zou trekken binnen de hekken van kerkhoven een abstractie. Als ik naar de Menenpoort kijk lijkt de ellende van toen een abstractie. Maar ze staan er echt, de namen van al die tienduizenden zoons, echtgenoten en vaders die hier nog in de velden liggen en niet meer thuis uit de trein stapten.

Ik fiets de stad uit langs rijen caravans, busjes en campers. Auto’s onder luifels, mannen en vrouwen die in een stoel zitten te wachten. Ze kijken niet blij, alsof ze niet goed hebben opgelet bij het boeken en in plaats van aan het strand aan een suffe stadsweg aan de rand van Ieper zitten. Daar zit je dan met je koelbox en het vooruitzicht dat je, terwijl het buiten geweldig weer is, in zo’n pak en met een helm op de auto in moet. Zo zullen ze het niet zien, het is het perspectief van de bagagefietser die weer het West-Vlaamse land in fietst, blij dat de stilte terug is en de dood ver weg. Daar had ik anders over gedacht als ik het telefoontje die middag niet gemist had.

De Leie in Wervik, de rechteroever is Frankrijk.

Rauwer

Spannend is het allemaal niet. Het boerenland glooit en heuvelt licht, de weg heeft veel gedaanten. Smalle asfaltwegen die zijn verzakt, afgebrokkeld en gebarsten. Karrensporen die met betonplaten zijn verhard, een kilometer denderen over kasseien langs een kanaal. Energie-etend maar afwisselend, ik zit me niet te vervelen. Vlaanderen is leuk, de dorpen, de mensen, de kerken en Mariakapellen, de historie. Wat er tussen die dorpen ligt is, op het stukje Heuvelland van vanochtend na, niet veel anders dan in Nederland. Behalve dan dat het allemaal wat rauwer is. Het is nét anders genoeg. De wind komt vandaag uit het oosten en waait in m’n gezicht, want daar ga ik naartoe. Het is met 25-26 graden goed te doen, de zon voelt warm maar brandt niet.

Met de dag die voorbijglijdt in m’n achterhoofd buffel ik door. Door de wegen en de lichte heuvels is het fietsen nog best een klus, ik zal weer laat aankomen. De afstand van vandaag past niet goed bij een gebied vol historie, een fietser die daar alles van wil weten en de wegen in het West-Vlaamse land. Een eh… bekende en hardnekkige bug in m’n etappeplanningen. In Wervik bereik ik de Leie, die hier de grens vormt. Aan de overkant ligt Zuid-Wervik, Wervicq-Sud, Frankrijk. De kerk is indrukwekkend genoeg om een foto van te maken, boven me hoor ik gekrijs. Een vrouw die me naar de lucht ziet kijken vraagt “Torenvalk?” “Nee, een slechtvalk“, zeg ik, die dat ook alleen maar weet omdat we er in Amersfoort een stel van hebben dat in de Lange Jan huist en ‘s zomers krijsend boven de binnenstad cirkelt.

Jaagpaden

Vanaf Wervik lopen route en fietspad over een jaagpad langs de Leie. De lucht wordt drukkender, ik kom bijna niemand tegen. Bij een kronkel in het pad gaat dit om een stukje Frankrijk heen op de noordelijke oever, ik herken het aan het verkeersbord dat er staat. Ik eet wat op een bankje aan het water. Bomen op de oever, grijze industrie aan de overkant, meer is het hier niet. Jaagpad blijft jaagpad, blijft jaagpad. Door een industrie- en bedrijvengebied rijd ik Kortrijk in, een stad waar ik in mijn België-tijd zelden kwam en die ik graag eens vanaf de fiets zie.

Containerbrand in Kortrijk. De man of vrouw met het oranje hesje is de bevelvoerder (in Nederland heeft deze een rood schouderstuk), de blauwe cilinder op de rug bevat 1800 liter (gecomprimeerd tot 6 liter) gefilterde lucht (ademlucht) die je via een gelaatstuk (masker) inademt. Afhankelijk van de inspanning geeft je dat 20-30 minuten rookvrije werktijd.

Het is goed zo

Route en pad blijven echter strak het spoor volgen, over een smal asfaltpad tussen twee hekken door. Ik steek een enkel kruispunt met onduidelijke huizen over, maar verder kan ik nergens de stad in. Het lijkt alsof ik via een brug over Kortrijk heen fiets, zonder er contact mee te kunnen maken. Ik hoor sirenes die dichterbij komen. Als het de bedoeling is dat ik zie waar ze voor komen, dan gebeurt dat ook. Het begint te stinken, ik zie rook. Het is de bedoeling. De geur van de rook is niet die van een gebouwbrand, de kleur niet die van een voertuigbrand. Ik kijk over de muur heen die me van de stad scheidt en zie een flink rokende bouwcontainer. Er vlak naast stopt een tankautospuit. Ik pak m’n camera en besluit te kijken hoe de Kortrijkers dit aanpakken. Morgen en overmorgen zijn de laatste twee dagen dat ik vrijwillig brandweerman ben in Amersfoort, na zestien en een half jaar vind ik het mooi geweest. Kijken naar een inzet die vorige week nog de mijne had kunnen zijn roept op waarom ik zolang bleef en waarom ik nu afscheid neem.

Twee brandweermensen stappen uit, dezelfde kleur pakken en dezelfde helm als er onder en op onze kastjes hangen en liggen. Ze dragen ademlucht, lopen naar de container, plaatsen een ladder en trekken een hogedrukslang uit de auto. De bevelvoerder stapt uit. Ik zie mezelf lopen. Niet met de techniek van de inzet bemoeien, wel even kijken, op afstand. De omgeving in de gaten houden, kijken of de twee op elkaars veiligheid letten, als bevelvoerder ben je er voor het grotere plaatje. Ik ga het blussen niet missen, maar wel het teamgevoel. Het aan die kant van het afzetlint staan, iets kunnen doen voor mensen, dat samen beleven. Man, wat ga ik dat missen. Maar ik hoef daar nu niet te staan, het is echt goed zo. Het roept iets in me op, een sneertje pijn en een gevoel dat het goed is om verder te gaan en nieuwe dingen te doen. De rook wordt wit, de inzet ziet er professioneel uit, ik fiets verder. Maar ga nog even geen nieuwe dingen doen.

Sint-Amelbergakerk in Bossuit.

Recht water

Want het pad tussen de hekken wordt niet lang na het uitrijden van de stad opnieuw een jaagpad, nu langs het Kanaal Bossuit-Kortrijk. Rechtdoor langs het water, tien kilometer lang. Als ik dit schrijf heb ik een paar dagen geleden langs de Lek gefietst, over de dijk op de noordelijke oever, van Lekkerkerk tot Vreeswijk. De mooiste rivierkilometers in lange tijd. Langs een waterweg fietsen gaat me snel vervelen, maar vorige week niet. Nu wel. Er zijn bomen, een enkele fietser met een kind voorop, een wandelaar met een hond, een wielrenner met haast. Verder alleen kaarsrecht water. Het enige dat ik hier doe is kilometers maken.

Routemakers zijn gek op dit soort stukken. Langs een waterweg loopt altijd een weg, die meestal vlak en daardoor voor iedereen goed te fietsen is. Hoe gemakkelijker de route, hoe meer mensen ‘m gaan fietsen, mensen houden van gemak. Logisch. Tenzij je daar niet voor komt en gemak met liefde wilt inwisselen voor avontuur. Maar daar richten routemakers zich niet op, avonturiers fietsen meestal geen routes, ze zoeken letterlijk en figuurlijk hun eigen weg. Toch vind ik het leuk, klassiekers fietsen en daarna gedeelde ervaringen uitwisselen. Het geeft me iets van een community-gevoel. Al ben ik meestal een eenling, ik zoek dat gevoel op. Daarom fiets ik hier. Maar allemachtig, wat is dit saai.

De Bovenschelde.

De Schelde

Aan het eind van het kanaal vul ik bij een restaurant in Bossuit m’n bidons en drink ik een cola in de schaduw van een terrasparasol. De zon is warm, de kerk in het dorp heeft geen dak meer en is van de sloop gered door er een kunstpodium van te maken waar evenementen en voorstellingen worden gehouden.

Het kanaal mondt uit in een rivier, ik ga de bocht om naar links en fiets langs een nieuw stuk recht water. De Bovenschelde, zo blijkt. Gisterenmorgen stak ik vanuit Vlissingen het laatste stukje van deze rivier over, nu rijd ik langs de bovenloop ervan. Maar is dit de Schelde? Die stelde ik me veel dromeriger voor, die zat in m’n hoofd sinds ik voor het eerst Mijn vlakke land hoorde:

Wanneer de Schelde blinkt in zuidelijke zon
En elke Vlaamse vrouw flaneert in zonjapon
Wanneer de eerste spin z’n lentewebben weeft
Of dampende het veld in juli-zonlicht beeft
Wanneer de zuidenwind er schatert door het graan
Wanneer de zuidenwind er jubelt langs de baan
Dan juicht mijn land, mijn vlakke land

Mijn vlakke land (laatste couplet), Jacques Brel.

De Schelde is hier, net als de IJzer gisteren, een kanaal. Met strakke rechte kanten, opgeruimd in het landschap ingepast, zonder uiterwaarden waarin land en water de balans zoeken. Zonder koeien, zandstrandjes of bakens. Ik ben zwaar teleurgesteld. Zoveel onrecht.

Beterschap

Maar ik word geen willoos slachtoffer van deze samengezworen saaiheid. Oh nee. Dit rechte water verdient straf. Ik zou er een steen in kunnen gooien, maar stel je voor dat iemand het ziet. ‘Het opzettelijk en wederrechtelijk schade toebrengen aan vitale infrastructuur.’ En dan het hele papierwerk, het grootste deel van de linkeroever is Vlaanderen, een klein stukje is Wallonië. Misschien zijn ze dagen bezig over op welk grondgebied het vergrijp plaatsvond. In het ene gewest staan er misschien tien zweepslagen op, in het andere twee uur luisteren naar Sky Radio. Veel erger. Aan alle kanten een slecht plan dus, ik fiets door en hoop op beterschap van het landschap.

Loofbos op de Kluisberg.

Slotrefrein

Die komt als ik bij Ruien de rivier oversteek (via een brug), de provincie Oost-Vlaanderen in. Het land gaat omhoog, eerst licht, daarna wat sterker. De weg gaat kronkelen, ik overschrijd de westgrens van de Vlaamse Ardennen. Al zweet ik me suf in de middagzon, ik kan m’n geluk niet op. Zo’n 120 hoogtemeters verder (ik begin niet op nul) sta ik op de Kluisberg, een kruispunt van bospaden op 141 meter, in de koele groene schemer van een loofbomenbos. Dit is zo’n plek waar al eeuwen kinderen komen spelen en volwassenen komen flaneren, een plek waar de rijken zich de restaurants konden veroorloven en de armen naar boven moesten lopen. Oeroude uitspanningen die hier niet voor niets zitten. Het is niet groot, maar het is prachtig, net als de sfeer. Mijn soort plek, wat een geweldig slotrefrein van een afwisselende morgen en een, ehm, niet zo afwisselende middag.

Ik veeg het zweet van m’n voorhoofd en adem de boslucht in. Hierover zou Brel beslist iets moois kunnen zingen. Over slechte puin-bospaden rijd ik over de ruggengraat van de heuvel, steeds iets stijgend en dalend. Groot zijn de Vlaamse bergen helaas niet, maar bijna altijd verbonden met legendes. Wielerlegendes. De Vlaamse Ardennen zijn het zwaartepunt van de jaarlijkse Ronde van Vlaanderen, een ronde met één etappe die begin april wordt verreden. Elke heuvel in dit Vlaamse land is daarom het onderwerp van verhalen en anekdotes, met renners die er het eerste bovenkwamen, met afzien, ontsnappingen en kleine drama’s. Ik heb alles met fietsen, maar weinig met het volgen van dit soort wedstrijden. Ik zit liever zelf in het zadel, op de Kluisberg bijvoorbeeld.

Eindpunt

Dalend aan de oostkant van de heuvel gaat de route over de Ronde Van Vlaanderenstraat, niet lang daarna sla ik rechtsaf de grotere N36 op. Op het wegdek staan stuk voor stuk de namen van de winnaars van de ronde in de afgelopen 30-40 jaar. Ik suis door kleine stukjes natuur naar Ronse, waar ik bij een tankstation inkopen doe voor het ontbijt morgen en voor na de noedels vanavond. Met een blik bier voor als er op het eindpunt niets is. Dat eindpunt ligt vijf kilometer en een onverwachte klim over een bult (110 meter) verderop. Om half negen kom ik na 122 kilometer aan bij de Visvijvers Nukerke.

M’n tentplek, de volgende ochtend.

Het voelt een beetje hetzelfde als bij ‘t Bardehof. Eenvoudig, sympathiek, een plek van de buurt, een plek van mensen. Achter de toog schenkt de vrouw bij wie ik zes euro afrekende voor de overnachting een glas Leffe Blond in. Ik mag staan waar ik wil en zet m’n tent op naast een van de visvijvers, een ven tussen de bomen. Ik ga op het terras zitten en kook er m’n noedels, na eerst gevraagd te hebben of ik hier iets kan eten (anders zou dit erg lomp zijn). De avond is zwoel als in de beste zomerverhalen, ik voel me totaal onthaast en heel gelukkig met deze plek. De dag was wisselend, het eindpunt aangenaam – net als gisteren.

Te mooi

Ik praat wat met een jonge Nederlandse motorrijder die vanaf huis over onverharde paden tot ver in Frankrijk wil rijden. Het is z’n eerste reis van deze soort en z’n eerste kampeertocht. Al is een motor niets voor mij, zijn avontuur is groter dan het mijne, voor hem is alles nieuw en onbekend. Net als die keer dat ik in de trein een jonge vrouw sprak die voor het eerst ging bagagefietsen, op een eenvoudige fiets naar Parijs. Voor mij zijn dat de echte helden en de echte avonturiers, het water waar ze in ging stappen was dieper dan het mijne, het onbekende onbekender. De motorrijder vraagt hoe ik dat doe met vlees koel houden en zo, ik kan immers geen koelbox meenemen. “Niet” antwoord ik, “het is kopen en meteen opeten” (‘en ik eet geen vlees’ denk ik bij mezelf, maar dat klinkt als een statement waarvoor het niet het moment is). We praten, ik geef wat geheime tweewiel-kampeertrucs prijs en doe nog een Leffe Blond. Ik zou allang in bed moeten liggen, maar dit soort avonden zijn te mooi, het licht te lang, m’n onderweg-hart te gelukkig. Morgen gaat het heel warm worden, ik wil eigenlijk vroeg weg. Maar the hell with it want, zoals het spreekwoord zegt, ‘komt tijd – komt paniek’. Ik pluk de avond, mandenvol.

Dag 3: Ronse – Loonbeek

Overzicht

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.