Laat voor het eten

Fietstochten en fietsreizen

Overland naar Nepal | Hoofdstuk 1: Eindelijk weg

Als we op onze fietsen stappen valt de rijst ritselend neer op onze jassen en op de stoep van de Stadhouderskade. In de deuropening Elsbeth’s collega’s van Bever, lachende gezichten. We zwaaien, kijken nog eens om en gaan onvast het fietspad op. Langs de ingang van het Vondelpark, langs het Rijks, de plekken van de stad waar we woonden. Fietsers slalommen, auto’s rijden onverwachts achteruit, buitenlandse toeristen steken argeloos over en schrikken zich wild van de fietsen die overal vandaan komen. Behoedzaam laveren we door het verkeer tot aan de brug bij het Amstel Hotel. We slaan rechtsaf vóór de Amstel. Het verkeer valt weg, we zijn vrijwel alleen. Het is begonnen. Woonboten, speeltuinen, de stad dunt uit. Onder me schieten de klinkers voorbij, even later gaat het grove asfalt verder. Het fietspad langs de Amstel, 30 maart 1999. Zielsblij ben ik. Zielsblij dat het eindelijk begonnen is. Geen geregel meer, geen gestress, maar fietsen, gewoon fietsen, goddank eindelijk fietsen.

Suizende stilte
We ontglippen de stad die vreemd genoeg verder gaat met Amsterdam zijn, zonder ons vertrek op te merken. Wat voor ons zo groot is laat de stad ongemoeid. Het water klotst en een fietser passeert, alles gaat zoals het elke dag gaat. Mijn hoofd suist van de plotselinge stilte, na de storm die daar de afgelopen dagen gewoed heeft. Mijn benen vinden de rust van de cadans, maar mijn zintuigen zijn nog hyper, ik registreer alles. We passeren Zorgvlied. Het Père Lachaise van Amsterdam, nooit geweten dat het hier aan de Amstel ligt. Even verder een molen met een groep Japanners. Met bungelende camera’s en, al is de hemel grijs, petjes tegen de zon. Een beeld dat ik vastleg, zodat ik het me later kan herinneren. Het begin van onze reis, het verlaten van de stad. Het grote moment, het moment waarvan ik jaren heb gedroomd, waarop ik maanden heb gewacht en waarnaar ik dagen heb gesnakt. “De straat uit rechtsaf, borden Kathmandu volgen”, zei ik als mensen me vroegen hoe we zouden beginnen. Omdat een serieus antwoord het vast zou leggen, terwijl er geen groter gevoel van vrij zijn en van niet-vastleggen is dan de gedachte aan ons vertrek.

Vertrek
Dat vertrek van vanmorgen was er een in stilte. Geen spandoek, geen uitzwaaiers, geen de-eerste-kilometers-meefietsers. Alleen Elsbeth en ik. Alleen en samen. Net zoals we het vanaf nu minstens een jaar, misschien wel twee jaar, alleen en samen moeten doen. We zijn er niet mee bezig geweest, met een uitzwaaivertrek. Het is goed zo, het vertrek is nu van ons. Het geeft al genoeg stress om alles af te sluiten en op te zeggen, daar moet niet het halen van een vertrektijd bijkomen. En dus zijn we met ons tweeën als we deze ochtend nog één keer omkijken in de eenkamerflat aan het Surinameplein waar ik zo vaak geweest ben sinds ik Elsbeth op de dag af anderhalf jaar geleden leerde kennen en waar we de laatste vijf maanden samen gewoond hebben nadat ik mijn woning in Amersfoort had opgezegd. Het echt helemaal leeg maken viel tegen. Het meeste was al opgeslagen, wat overbleef waren de spullen die we de laatste dagen nodig hadden. Ik strijk met een hand over een van de muren. Dag huisje, bedankt voor een tijd lekker wonen. Het is dierbaar, het is leeg en kaal, mijn God wat doet het eigenlijk pijn om dit gedag te zeggen en de deur dicht te trekken. Hier begon ons samenzijn. Daar stond de bank waar we besloten om te gaan trouwen. Hier dronken we wijn, met de fietsen in de hoek. Daar stond het bureau waar ik mijn scriptie heb geschreven. Hier hebben we gefantaseerd, kaarten uitgespreid, folders gelezen en gedroomd over wat we zouden gaan doen. Hier begon alles. En nu komen we hier nooit meer. Het zijn de minder glorieuze momenten van het op reis gaan. Ik draai me om. Verder. Blik vooruit. Als we de fietsen de trap af tillen zit mijn hoofd alweer vol met afvink-dingen. Op naar het volgende.

Vrij
Met de laatste spullen in een vuilniszak torenhoog achterop wiebelen we naar de verhuurmakelaar waar we de sleutel door de brievenbus gooien. De vuilniszak dumpen we bij Fons en Annemoon, Elsbeth’s broer en schoonzus, en rijden dan door naar Bever, waar Elsbeth de laatste jaren heeft gewerkt. Het to-do lijstje is bijna klaar. Bij een copyshop op de Overtoom kopiëren we nog snel een brief voor de achterblijvers die de deur al uit had moeten zijn. We nemen afscheid van de Bevers en duwen af. De planning was om 9 uur weg te gaan. Het is twee uur in de middag. Het maakt me niet uit. Het belangrijkste is dat nu alles geregeld is. In het postkantoor van Oudekerk aan de Amstel doen we de achterblijversbrieven op de post. Het laatste vinkje op onze lijst. We zijn klaar, we zijn vrij.

We verlaten het stedelijk gebied rond Amsterdam. Het wordt stil. Een huizenrij ligt verstopt in het riet, de rode daken nog net zichtbaar boven de pluimen op de stengelhaag. Een fuut kijkt om zich heen en peddelt zoekend door het donkere water. In de verte schemert de Arena, de horizon is lichtgrijs. De lucht is koel en een dunne flard mist legt een laagje na-winter over het nog kale landschap. We rijden door Abcoude, waar twee vol beladen fietsen stoppen bij een smalle brug om een auto door te laten. De bewegingen van de fietsers verraden concentratie, maar nog geen routine. Een man vraagt waar ze naartoe gaan. De twee kijken elkaar aan en dan zegt de een ‘naar Nepal’.

Wirwar
‘Sukkel’, zeg ik tegen mezelf. ‘Kind.’ Indruk proberen te maken terwijl je zelf nauwelijks beseft waar je aan begonnen bent. Ik vergeef het mezelf. M’n gedachten zijn stuurloos, een wirwar van beelden, gevoelens en emoties die in willekeurige volgorde voorbijkomen.

Een vroege lenteavond in Amsterdam. Het is al stil in de flat, weldra neemt de nacht het over. Een onzichtbare tram rinkelt in de verte, buiten blinken de lichtjes van Oud-Zuid. Twee fietsen staan te wachten in de hoek van de overvolle kamer. De matrassen liggen op de grond en ik zet bij het licht van de stad de balkondeur een beetje open. De wind speelt met het gordijn en Elsbeth komt onder de douche vandaan. Haar haren zijn nog nat, ze is als een engel als ze naast me komt liggen. Madredeus gaat in de cd-speler en we doen het laatste licht uit. Lief, lief Surinameplein.

Geen woning, geen baan, geen plek meer. De schepen achter ons branden nog. En nu naar Nepal. Of naar de maan, zeg het maar, het maakt niet uit, het is allemaal even onwerkelijk. Wat wel uitmaakt is dat ik Amsterdam zie verdwijnen. Hoeveel kun je van een plek gaan houden als je er vijf maanden gewoond hebt, ik verbaas me over wat het met me doet. Ik heb er anderhalf jaar geleden Elsbeth leren kennen en in de laatste maanden m’n afstudeerscriptie (doctoraal – nu master – wijsbegeerte) geschreven nadat ik zelf m’n baan en woning al had opgezegd. De filmavonden in Tuschinski als we de last-minute stress even achter ons wilden laten. De ‘rondjes Schiphol’ op de fiets als de scriptie even vastzat, bij westenwind dromen aan het begin van de Buitenveldertbaan terwijl de toestellen met donderend geraas over m’n hoofd heen scheren. Het gevoel hebben dat ik al los ben van dit land, weg, in transit area’s van verre vliegvelden, waar ik m’n bagage laat wegen voor vertrek, of waar ik na aankomst m’n fiets in elkaar zet en de nacht inrijd, op weg naar een winters Delhi. Amsterdam is waar m’n leven veranderde. Het is de plaats waar ik in één week tijd, de week die achter ons ligt, ben afgestudeerd, van iedereen afscheid heb genomen, in ondertrouw ben gegaan en opnieuw de plek waar ik woonde heb leeggemaakt en achtergelaten. En waar we dit avontuur zijn begonnen. Ons startpunt leeft, maar het doel is slechts een naam. Ik ken de straten van Kathmandu, maar ze missen elk verband met wat ik nu doe. Het enige wat ik weet is dat ik hier nu fiets, en alleen de voorbijschietende meters asfalt maken dat weten groter. Het voelt goed want we willen weg. Weg van het afscheid, eindelijk weg.

Te laat
’s Avonds om kwart over tien staan we in Oijen aan de Maas. In het stikkedonker en tollend van moeheid. Te laat, de pont vaart niet meer, we moeten helemaal omfietsen via de brug bij Ravenstein, 16 kilometer verder naar het oosten. Het begint zachtjes te regenen en ik zie dingen die er niet zijn. Schaduwen bewegen in de weilanden, bomen worden mensen, lichten gaan aan de wandel. Als ik te lang in de verte van het oranje verlichte fietspad kijk verlies ik het contact met wat ik doe en vallen m’n ogen dicht. Ik ben opnieuw op de gevechtscursus die ik 16 jaar geleden als KMA-cadet volgde bij het Korps Commandotroepen. Jaargenoten die hun veldfles boven een struik leeggoten omdat ze hem hadden zien branden of plots afzwenkten uit de sliert slaapdronken mannen en nog net aan hun uitrusting weggetrokken konden worden voordat ze het kanaal inliepen. M’n handen doen pijn en ik weet niet meer hoe ik moet zitten op het pas opgespannen, harde leren zadel. Om half twee ’s nachts komen we bij mijn ongeruste ouders in Uden aan, aan het einde van alle Latijn. Lul, ik had onderweg even moeten bellen. En Vlekkepoes (ook wel: mevrouw Ter Vlekke, Latijnse benaming Tyrannosaurus Vlex) is er weer, mijn Vlekkepoes. We vallen bijna in slaap op de bank. De teller voor die eerste dag staat op 160,8 km.

Hoofdstuk 2: Het eerste doel

Overzicht hoofdstukken

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.