Laat voor het eten

Fietstochten en fietsreizen

Overland naar Nepal | Hoofdstuk 5: De Oriënt

Zonsopkomst boven Epirus, fietsen in Griekenland

Toen nu de vroeggeboren rozevingerige dageraad verscheen, toen dan voer het schip door de wateren van Hellas. En de roerganger loeide de hoorn en het zinderende land verscheen aan de horizon, waar de reizigers weldra op zouden lossen in het bruine land onder het gloeiende oog van de dag.

Onze Odyssee, vrij naar Homeros.

Camping Drepanos. De Volkskrant brengt ons het nieuws van thuis.

Camping Drepanos. De Volkskrant brengt ons het nieuws van thuis.

Aphrodite, Iphigeneia, Agamemnon
Terwijl de zee stilaan onder een zwarte sluier verdwijnt vaart de Ionian Bridge naar Igoumenitsa. Met 32 km/uur, lees ik op m’n GPS, hemelsbreed 231 kilometer van Brindisi. We slapen kort maar redelijk goed op de vloerbedekking in de lounge. Als de geluiden van voetstappen om ons heen weer beginnen gaan we naar het dek, waar de temperatuur aangenaam is. In de verte maken de bergen van Noord-Griekenland zich los van de horizon, de zon komt op. Fietsen door de bergen, in de gloeiende Griekse junizon, ik word niet helemaal rustig van het idee. Voor het eerst naar Griekenland gaan is een vreemde gewaarwording. Ik weet redelijk wat van het oude Griekenland, niet alleen door m’n archeologie-tik, maar ook omdat ik Grieks als eindexamenvak had. Als een van de zeven van ons hele VWO-jaar. Odysseus en de Trojaanse oorlog (en natuurlijk meneer Schliemann die in West-Turkije Troje blootlegde, naar eigen zeggen met Homeros’ Ilias in de hand), de helden uit de mythen waarvan het mij nooit duidelijk werd waar het mens-zijn ophield en het god-zijn begon. Athene, waar de democratie werd uitgevonden. Prachtige namen. Aphrodite, Iphigeneia, Agamemnon. M’n studie wijsbegeerte (filosofie) helpt ook mee. Plato en Aristoteles, de ideële wereld versus de zintuiglijke wereld. Heeft de wereld betekenis, of maken we die van wat er via onze ogen en oren binnenkomt? Scheppen we zelf orde in de zintuiglijke informatie, of zijn er absolute feiten en ideeën? Ik kan de taal lezen en wat woorden begrijpen. Maar van Griekenland anno nu weet ik niets. Ik ken alleen het stereotype van het Griekse restaurant, waar de Apollo-schotel net zo weinig met Griekenland te maken heeft als de in Nederland af te halen fu yong hai met China. Ik ken de foto’s van blauw-met-witte kerkjes met de zee op de achtergrond, net zo weinig kenmerkend voor heel Griekenland als de molens van Kinderdijk voor heel Nederland. Eilanden, zee, cocktails, zon, brak op het strand liggen, mooie mannen met woest borsthaar en een achternaam die op ‘-os’ eindigt. Ik realiseer me dat ik geen idee heb van wat ik ga tegenkomen. Behalve dan dat ‘hitte’ waarschijnlijk een nieuwe betekenis gaat krijgen.

De haven van Igoumenitsa

De haven van Igoumenitsa, met lege veerboten.

Niet westers
Om 7 uur ‘s ochtends Griekse tijd legt de boot aan. We bedanken onze landgenoten in de camper voor de geweldige bewaakservice en rijden de kade op. Nieuw land. Nieuw geld. Pinnen. Ik ga even te snel voor Elsbeth en heb m’n pinpas al in de automaat zitten als we nog aan het bedenken zijn wat het optimum is tussen niet te veel bij je hebben (riskant) en niet te vaak pinnen (kosten). Elsbeth is pissed, ik een beetje hyper, we zijn allebei moe. Ik ken mezelf en zeg sorry, de drachmen uit de muur verdelen we over onze moneybelts. De lucht is vochtig, de zon al warm, drukkend achter dunne wolken. Igoumenitsa (Ηγουμενίτσα) is een klassieke reizigers hot-spot, met overal drankwinkels en bureautjes voor tickets, internationaal bellen en het wisselen van geld. Maar die reizigers zijn er niet, door de oorlog in Kosovo en de NAVO-bombardementen. Je zou hier in de rij moeten staan, maar de straten zijn rustig. Straten die anders zijn dan in Italië, we zijn hier verder weg. Geen scooters, maar oude brommers. Mooie mannen, vrouwen met donker haar. Andere bomen. Muziek die uit Turkije lijkt te komen en een kabbelende taal die niet westers klinkt.

Basiskamp
Camping Drepanos is waar de Lonely Planet zei dat hij zou zijn, op een smalle landtong (δρεπάνος betekent ‘zeis’) die de baai van Igoumenitsa in steekt, zo’n 7 kilometer van de haven. Onderweg kijkt een witte koereiger ons aan. De camping is open, de prijs laag [omgerekend € 7,60 per nacht voor ons tweeën]. De campingbaas, die op John Goodman lijkt, geeft ons korting vanwege het laagseizoen. We kunnen staan waar we willen, er staan maar een paar kampeerders op de plekken onder de eucalyptussen. Traag zetten we ons kamp op, de druk is eraf, de mix van vervoersstress en de korte nacht heeft energie gevréten. Maar we zijn er. De plek voelt meteen goed, als het basiskamp waar onze Griekse expeditie zal starten.

Label retsinaClichés
We slapen onder de eucalyptusbomen en zwemmen in zee, met achter ons de veerboten die grotendeels leeg af en aan varen. De supermarkt in Igoumenitsa is een totaal andere beleving dan in Italië, waar de supermercato grande een regelrecht feest was. Hier is het een buurtwinkel die naar wasmiddel ruikt. Duurder, vol verpakte producten en non-food – schoonmaakmiddelen en drogist-dingen voor boven en onder. Voor groente, fruit en brood moeten we naar groenteboer en bakker. Dat heeft wel iets, al hadden we het in de warmte en met moeë benen niet erg gevonden als het een one stop boodschappensessie was geweest. We gaan voor de clichés: olijven zo groot als kievitseieren, tzatziki, feta, ouzo en retsina. In een boekwinkel kopen we de dikke zaterdageditie van de Volkskrant, 5 juni 1999, die daar zomaar in een rek ligt. Yes! Drie dagen oud, maar ook het nieuws van drie weken geleden was nieuw voor ons geweest. De avond valt, we fietsen terug. In de haven gaan lichtjes aan, de eucalyptusbladeren ritselen, de warmte vertrekt en laat ons achter in de stille schemer van de bijna lege camping. We gieten een beetje ouzo in onze laplandmokken. De smaak is intens. We slapen 10 uur achter elkaar.

Thuis.

Uitstellen
We blijven vijf dagen op Drepanos. De bloesem van de eucalyptussen verliest kleine gele draadjes die nog steeds tussen de bladzijden van m’n dagboek zitten. Eromheen zoemen joekels van antitank-wespen, die lijken op de helikopter-gunships die ik in m’n legertijd moest kunnen herkennen. We wennen aan de zon, aan de muggen die voor het slapen gaan eerst uitgeschakeld moeten worden, aan het eten (als Elsbeth met een wasknijper op haar neus salade eet weet ik zeker dat de olijven hier naar wasmiddel smaken. En retsina is een vergissing, dat drink je pas als de brandspiritus op is) en aan Griekenland. Na alle supermarkten gehad te hebben vinden we onze weg in het Griekse etensaanbod, de Grieken zijn rustiger dan de Italianen en hier aan zee is de warmte goed te doen. Uitrusten en bijtanken is wat we hier doen, sinds Pompei waren de etappes zwaar en de nachten soms kort of onrustig. En er moet geschreven worden. De derde rondzendbrief en het fietskookboek, voor onze website. In een internetcafé mailen we naar huis en tikken tot ‘s avonds laat de teksten in, helemaal leeg fietsen we tegen middernacht terug naar onze plek onder de bomen. In het donker drinken we nog een ouzo en besluiten, omdat we vroeg willen vertrekken, nog een rustdag te nemen. Heerlijk. Maar eigenlijk zijn we ook aan het uitstellen. Het zal een terugkerend iets op deze reis worden: van een plek een thuis maken, en het weer afscheid moeten nemen van dat thuis. Op sommige plaatsen nestelen we ons, omdat we dat even nodig hebben. Misschien wel omdat wij ook die indiaan uit het verhaal zijn, die na aankomst op het treinstation dagen zit te wachten totdat niet alleen z’n lichaam maar ook z’n geest is gearriveerd. Het is fijn om na een tijd onderweg, waarbij elke dag en nacht anders zijn, een plek te hebben die langzaam van jou wordt. Met mensen die je stilaan leert kennen, met routines die zich vormen en met genoeg tijd om na te denken over het volgende stuk van de route. Tot het moment dat de kriebels komen, dat alles opgeschreven en overdacht is en de indiaan het station kan verlaten. Dan is het tijd voor afscheid.

De weg naar Ioannina

De weg naar Ioannina, het intense zonlicht legt een blauwe waas over de bergen.

Gevlucht voor de zon.

Gevlucht voor de zon.

Blauw wordt bruin
We verslapen ons. Zes uur wordt half acht, het begint al warm te worden als we twee uur later de camping af rijden. Over de landtong, door de straten van Igoumenitsa, langs de supermarkten die we kennen. De stad uit, de eerste meters omhoog. Een vrouw loopt haar tuin in en schudt aan een boompje. Er valt een citroen uit, die ze mee naar binnen neemt. Op Drepanos keken we naar het westen, naar het blauw van de zee. Nu fietsen we naar het oosten, naar het groen en bruin van de bergen, die ons hele uitzicht vullen. Het zijn de eerste hellingen en hoogtes van het Pindosgebergte. Daar moeten we overheen om Ioannina (Ιωάννινα) te bereiken, het doel voor vandaag. Die eerste indrukken zijn prachtig, de weg is niet vlak, maar gedraagt zich. Het is zondag, in de dorpen zitten mensen buiten aan tafeltjes te praten en iets te drinken. Valley floors met cipressen en het lint van de weg. Bruine bergen, groene bergen. Bij een benzinestation drinken we een ijskoffie. De zon wordt warmer, na dertig kilometer gaat de weg echt omhoog. Dit is waar ik me dagenlang schrap voor heb gezet. Dit is waar we beiden tegenaan hikten. Ik schakel terug en begin.

Op weg naar Ioannina.

Gesloopt
We gaan naar 640 meter, terwijl het intense zonlicht een blauwe waas over de bergen legt. De harde grond en het asfalt kaatsen de hitte van de middag genadeloos terug. Haarspelden, uitzichten, geiten die onder de enige bomen langs de weg schuilen. Wij, die met rode hoofden hetzelfde doen. Suizen naar beneden, terug naar 100 meter, een ijskoffie en dan opnieuw omhoog. De zakdoek om m’n voorhoofd kan ik uitwringen, ik zweet als een gek. Het koude water waarmee we onze bidons steeds bijvullen wordt in no-time lauw. Hoewel we wat warmte betreft inmiddels wel iets gewend zijn, is dit toch van een andere orde. “De temperatuur in absolute zin was niet meer dan 33 graden” schrijf ik relativerend in m’n dagboek, maar de weg – die maar blijft dalen en klimmen – en de warmte putten ons langzaam maar zeker uit. “Het is lang geleden dat ik zo stuk zat, de laatste 25 km gingen maar niet om, opnieuw naar 650 meter.” Ik denk even dat Elsbeth het gaat begeven. Was het echt warmer dan in Italië, kwam het door het vele klimmen op lage hoogte, of hadden we onze dag niet? Na meer dan 1500 hoogtemeters en 98 fietskilometers komen we totaal gesloopt in Ioannina aan. En is een enkele blik in elkaars ogen genoeg om te weten dat we hier een dag blijven.

Zonsondergang op de camping in Ioannina.

Zonsondergang op de camping in Ioannina.

Wereldfietser, pfff…
Op onze tentplek aan het grote meer van de stad heb ik een dip. Ik ben leeg en moe, geen zin in het warme en onbekende Griekse binnenland. Ik mis het thuisgevoel van Drepanos, ik wil comfort en dat alles gemakkelijk en bekend is. Vandaag is de avonturier in mij naar huis. Elsbeth zegt me niet zo te mopperen, en ze heeft gelijk. Schijterd! Meneer de wereldfietser, pfff. Het is meteen over. Ik neem een douche, scheer me en was m’n fietsbroek uit. We eten vroeg, het goede gevoel is weer terug. Op de camping staan meer Nederlanders. Van de een krijgen we een kop koffie, van de ander reisgidsen om ons in te kunnen lezen. Ik denk dat we gisteren gewoon veel te weinig gegeten hebben. Dat is wat er gebeurt na een aantal rustdagen, dan staan je lijf en spijsvertering nog in de kalm-aan-stand en duurt het even voordat die aangepast zijn aan nieuwe inspanningen. De camping ligt in het verlengde van de start- en landingsbaan van het vliegveld, over onze hoofden scheren blusvliegtuigen die komen helpen om de bosbranden in dit deel van Griekenland onder controle te krijgen. Ik bel m’n beide zussen en m’n ouders, die over drie weken naar Istanbul komen om ons op te zoeken en hun vlucht geboekt hebben. We vouwen de kaart van Griekenland uit op het gras en tellen de dagen die we nog hebben en de kilometers die we nog moeten. We zijn ingeteerd op onze reservedagen, dat wordt doorfietsen. Daar gaan we morgen mee beginnen.

Omhoog naar het noorden.

Omhoog, richting de Vikoskloof.

Overstekend wild.

Overstekend wild.

Onveilig
We gaan redelijk vroeg weg, om kwart over acht rijden we Ioannina uit. We hebben besloten om bovenlangs te gaan op onze route door Griekenland, die via Thessaloniki en Thracië naar de Turkse grens loopt. Richting Albanië en Macedonië, dwars door het Pindosgebergte heen en grofweg langs de grens van het nationale park. Het toerisme houdt hier vrijwel op. Onze overnachtingen zullen anders worden. De kaart laat zien dat er tot Thessaloniki geen campings zijn. Volgens onze medereizigers kun je op sommige plaatsen voor niet te veel geld een domatio (kamer) huren. Dat klinkt niet als ons, maar we zullen zien. Kamers verhuren gebeurt alleen waar toeristen komen, dus we mikken voor onze overnachtingsplekken op de grotere plaatsen. Vandaag is dat Konitsa, op een afstand van zo’n 90 kilometer.

De Vikoskloof.

Het begin van de Vikoskloof.

We beginnen vlak, langs het meer richting het noorden. Bij Karies verlaten we de doorgaande weg en starten we onze excursie. We doen dat eigenlijk nooit, omrijden om iets te zien. We komen niet voor de kralen, we komen voor het snoer, het hele snoer. Maar te horen aan de verhalen van anderen is de Vikoskloof voorbijrijden zoiets als in Agra zijn en de Taj Mahal overslaan. De weg gaat langs een lange groene rug omhoog naar 925 meter. Beneden ons het dal, op de weg steekt nu en dan een flinke schildpad over. We drinken een frappè (φραπέ, ijskoffie) en klimmen dan door naar Monodendri (Μονοδένδρι, ‘enkele boom’, zoveel Grieks heb ik nog wel onthouden) op 1035 meter. De hoogte haalt de scherpe randjes van de warmte af, we laten onze fietsen achter in een restaurant en lopen de laatste kilometer naar een klooster dat natuur- en leistenig tegen de rotswand geplakt zit. Het heeft een uitzichtpunt. Vóór ons ligt de Vikoskloof.

In Nepal
We staan aan het zuidelijke uiteinde van de kloof, een stuk verder naar het noorden (niet aan de doorgaande weg, een grotere omweg) zijn de hoogteverschillen groter en is het uitzicht nog indrukwekkender. Maar wat we zien is genoeg om hier te zijn. Volgens een reisgids mooier en veel minder bezocht dan de Samariakloof op Kreta, volgens een bord langs het pad de ‘diepste kloof ter wereld’ in het Guinness Book of Records. We wanen ons overal, behalve in Griekenland. De verticale rotsen, groen en steen waar je ook kijkt. Er is niemand, de koele wind waait langs de bleke leisteen van het klooster. Het ruikt naar wierook. Ik ben in Nepal, Nepal, Nepal. Daar gaan we heen.

We suizen terug naar beneden, met prachtige uitzichten. In een weiland zien we twee ooievaars. We raken 420 meter aan en gaan dan weer naar 685 meter. Zweten, zweten, maar wat is dit mooi.

Het Pindosgebergte, met in de plooien de Vikoskloof.

Het Pindosgebergte, met in de plooien de Vikoskloof.

Geweldig
Op een hoog gedeelte van de weg kijken we ver over het land, naar de toppen van het Pindosgebergte. Wanden die recht omhoog gaan, grijs en groen, met kleine veldjes sneeuw bovenin. De Dolomieten, maar dan in Griekenland. Na een laatste afdaling en een colaatje bij een groot ooievaarsnest is het vrijwel vlak en niet ver meer naar Konitsa [de brug ontbreekt op de Nederlandse wiki-pagina], op 460 meter. We doen inkopen en vragen naar een kamer. Maar de domatia zijn ons te duur, en na wat rondvragen krijgen we de tip om naar kajakschool en outdoorcentrum Paddler te gaan. Daar zijn we welkom, Cleopátra-met-de-mooie-bruine-ogen houdt er in haar eentje het fort en laat ons zien waar we onze tent op kunnen zetten en waar we (buiten en koud, maar what the hell) kunnen douchen. Terwijl we koken laat een klein zwart-wit katertje met grote grijze ogen de waak-herdershond helemaal uit z’n dak gaan. En nog een keer. ‘s Nachts om 1 uur drinken we met Cleopátra een Amstel-biertje op de rand van een oude (1873) boogbrug (die me doet denken aan de Ponte della Maddalena in Toscana, maar dan met een enkele boog) over de Aoös. Paddler zit hier niet per ongeluk, de rivier is een hotspot voor kajakkers en rafters. Een schijnwerper verlicht de rotsen, krekels zijn de enigen die geluid maken. We praten over de geschiedenis van het land, de taal en de bergen. De avond is net zo geweldig als de dag.

De brede kiezel-rivierbedding van de Sarantaporos.

De brede kiezel-rivierbedding van de Sarantaporos.

Feest
De richting blijft noord. We klimmen de valley floor uit naar 740 meter, waar het landschap gaat glooien en begroeid raakt met naaldbomen tot aan de weg. De weg daalt licht, we fietsen door een groen en rotsig Noorwegen tot aan de brede kiezel-rivierbedding van de Sarantaporos die we kilometerslang stroomopwaarts volgen. Het is een feest. De weg die mild en rustig is, het groen en de bergen overal om ons heen, de ruisende rivier. Hoe anders is dit dan de eerste dag na Drepanos. Onze benen hebben het ritme weer gevonden, net als onze magen. Zelfs de warmte is geen thema meer, hier in de bergen is de temperatuur iets milder en niet drukkend, maar de wolken die zich af en toe verzamelen blijven onze vrienden. De weg en de rivier buigen naar het oosten af, we volgen de kiezelbedding tot 850 meter hoogte, tot bijna aan het dorp waar we het na een dikke vijftig kilometer mooi genoeg vinden. In Eptachori (Επταχώρι) zitten we niet heel ver van de Albanese grens. Mensen waarschuwen ons, wild kamperen in dit deel van Noord-Griekenland is niet veilig. Door de onrust op de Balkan steken Albanese vluchtelingen de grens over en maken het land onveilig. We nemen de waarschuwing serieus, en omdat we morgen bovendien vroeg weg willen zoeken we een kamer. Een vrouw helpt ons en vertaalt onze wens, de kamer is snel gevonden, de prijs na wat bieden en tegenbieden overeengekomen op 4000 drachmen [€ 11,73]. Bij het inkopen krijgen we een half brood van een oudere vrouw, omdat de bakker dicht is. En een bonbon, m’n lieve oma heeft ineens een Grieks gezicht. We raken steeds meer onder de indruk, van het land en van de mensen.

Nog voordat de zon opkomt zit ik de volgende morgen op het balkon van onze kamer, in ‘ons’ bergdorp te schrijven. Bergen, een kerk, de lucht die zelfs een beetje koud is. Het licht van de zon die haar komst aankondigt. Ik voel me een prins. Elsbeth voegt zich bij me, we maken ons op voor de dag naar Kastoria.

Unique moments
We gaan omhoog, over de haarspelden die we vanaf ons balkon konden zien liggen. Naar 1020 meter volgens de vertaalster die ons hielp. Naar 1350 meter volgens mijn hoogtemeter. De hoogte doet haar werk, de klim is niet al te warm. In Pentalofos, met goede gesprekken (“marry?” Yes. “good!”), slaan we alles in waar we zin in hebben, van koekjes tot brood tot… halva. Een Macedonische (we hebben Epirus inmiddels verlaten), ehm, lekkernij die bestaat uit een soort gemalen-sesam-Bounty’s die al in de verpakking smelten. Die verpakking bereidt ons, geheel naar waarheid, voor op ‘unique moments’.

Papa Gabriel
De weg gaat in lange bochten naar beneden, hier en daar sluiten de wolken zich. Onverwacht weer naar boven en dan vlakt het land uit naar warme glooiende graanheuvels. Het wordt benauwd. In de verte zien we het geweld van een onweers- en stortbui, bij Neopoli verlaten we de grote rode weg op de Michelinkaart en slaan de kleinere gele weg in naar Kastoria (Καστοριά). De benen raken leeg, nog even klimmen en dan over een natte weg (we krijgen niet meer dan een paar spetters op ons) en vrijwel vlak naar de stad aan het meer. Pelikanen dobberen in het water. We volgen een kilometer of vier de weg langs de rand van het schiereiland tot aan de onofficiële camping bij Papa Gabriël. Die ons in eigen persoon een hand geeft en in het Duits welkom heet. Een smoezelig blauw habijt dat de buik net niet verhult, werkmanshanden, rustige ogen en een grijze baard. Er is geen tarief, maar een donatie voor zijn kerk is wel de bedoeling. De pauwen schreeuwen, duizend bijen zoemen in de bloesem, de douche en w.c. zijn vies, maar who cares. We zijn een avontuur rijker. Griekenland wordt met de dag beter.

De weg gaat in lange bochten naar beneden.

De weg gaat in lange bochten naar beneden.

De iconostase, de wand met iconen tussen het altaar en de ruimte met de kerkgangers.

De iconostase, de wand met iconen tussen het altaar en de ruimte met de kerkgangers. Rechts naast het rode doek een icoon van de evangelist Johannes.

Johannes
De plek waar onze tent staat ligt naast het klooster van Papa (priester) Gabriël, het Byzantijnse klooster Panagia Mavriotissa, gewijd aan de tenhemelopneming van Maria. Ernaast ligt de kleine Byzantijnse kapel van Agios Ioannis Theologos, letterlijk vertaald ‘heilige (Sint) Jan de Theoloog’ – een andere naam voor de evangelist Johannes. De kloosterkerk is een van de oudste in deze omgeving, de fresco’s (muurschilderingen) dateren uit de 13e eeuw. De gebouwen worden gerestaureerd, we mogen bij uitzondering binnen kijken en foto’s maken. Ze behoren tot de Grieks-Orthodoxe kerk, die ontstond toen bij de splitsing in 1054 de Rooms-Katholieke Kerk en de oosters-orthodoxe kerken ieder hun eigen weg gingen. Anders en nog mystieker dan de katholieke traditie waarin ik zelf ben opgegroeid. Ik ben betoverd door de eenvoud van de kerk, de kracht van de schilderingen, de stille sfeer van verering.

We verlaten Kastoria, langs de ene bontwinkel na de andere, grote huizen waarin bontmantels achter de ramen zijn uitgestald, de uithangborden in het Russisch en in het Engels. Kastoria heeft een lange traditie van bontverwerking en bontverkoop, ooit begonnen met de handel in pelzen van de bevers uit deze streek. De bevers zijn al lang uitgestorven, maar de bonthandel is nog springlevend.

Waarnemend burgemeester van Peraia in het ochtendlicht.

Waarnemend burgemeester van Peraia in het ochtendlicht.

Saai en verlaten
De eerste 24 kilometers gaan hard en vlak. De kronkellijnen op de Michelinkaart waar we niet helemaal gerust op waren blijken goed te doen, de weg gaat gentle omhoog naar 1185 meter, gevolgd door een lange en al even geleidelijke afdaling. Na nog wat klim- en daalwerk bereiken we het gebied rondom het grote Vegoritida-meer. Kilometers lang fietsen we door een saai, verlaten en vlakker wordend landschap. Boven ons zijn de wolken zwaar en donker. In de verte golven hier en daar nog bergruggen, groen wordt bruin, aan de oever van het meer gaan we in Peraia (Περαία) een slaapplaats zoeken. Onze tent ergens opzetten moeten we hier, 20 kilometer van de Albanese grens, zéker niet doen volgens de inwoners. Veel te gevaarlijk. Ze gaan meteen iets voor ons regelen en even later gaat de deur van het deels leegstaande gemeentehuis voor ons open, waar we na wat schuiven met de inboedel op de grond mogen slapen. We krijgen een colaatje aangeboden, we voelen ons gasten die onaangekondigd aanbelden en toch met open armen worden ontvangen. Wat een bijzonder land, elke avond is compleet anders. Het regent even, op het plein stopt een vrachtwagen. De achterklep gaat open en de verkoop begint. Mensen komen naar het plein, prijzen worden geroepen, dingen achter uit de vrachtwagen gehaald en aan de kopers overhandigd. We bellen onze vrienden Henry en Sandra in Nederland, die voor ons wat fietsonderdelen aan m’n ouders gaan meegeven wanneer die naar Istanbul komen. Het blijkt dat we een brief van Sandra in Rome gemist hebben. We missen elkaar.

Fruithoofdstad
De dag erna brengt het afscheid van de bergen. In de verte eerst nog het meer, lichtbruine bulten met dotjes dor groen. We worden ingehaald door een open groente-pick-up met een heen en weer slingerende weegschaal achterop, door een luidspreker schalt “domates, patates, vieze boekjes!” OK, alleen die eerste twee dan. Iets omhoog en dan langzaamaan dalen door kilometers lange kersenboomgaarden. Er komt geen einde aan. Van een aardige vrouw kopen we een halve kilo kersen voor 200 drachmen [€ 0,59]. Edessa is vol leven en vol lekker eten. Het is de fruithoofdstad van deze streek, de kramen langs de weg blijven maar komen. Een suizende afdaling en dan… de vlaktes in. De wolken laten we achter ons, de indringende warmte is terug. Over de grote rode weg naar Thessaloniki, waarvan we na een tijdje een afslag naar het noorden nemen, naar Goumenissa. We gaan Tania opzoeken.

Afscheid van de bergen. Het bruin en geel zijn terug, evenals de warmte.

Afscheid van de bergen. Het bruin en geel zijn terug, evenals de warmte.

Tania is een van de mensen waardoor wij hier nu fietsen, en waardoor ik dit verhaal nu schrijf. Hoe dat zit? Er waren eens twee vrienden, Dirk en Henry, die samen een fietsreis van Breukelen naar Australië maakten. Onderweg, in Griekenland, kwam Dirk Tania tegen. De liefde was zo groot dat Tania naar Nederland kwam. Ze maakten samen een fietsreis. Henry verbond zich met Sandra, ook zij maakten samen een lange reis op de fiets. Voordat Dirk en Tania hun reis maakten deed Dirk mee aan een rugzaktocht in Zweden, op uitnodiging van z’n buurman Ries, die bij de Landmacht werkte. Een collega van Ries organiseerde die tocht, als afscheid omdat hij de dienst ging verlaten. Op een avond, aan het kampvuur aan de oever van het Stora Gla, vertelde Dirk het verhaal van zijn fietstocht naar Australië. De collega van z’n buurman wilde er alles over weten, alles. Het was het meest fantastische dat hij ooit had gehoord, en hij hoorde het voor het eerst. Op de fiets de wereld in, dat wilde hij ook. Hij ging het doen. Die collega was ik.

Onvoorwaardelijk
In Dirk herkende ik de drang naar vrijheid en autonomie, het onvoorwaardelijk en allesomvattend voor iets gaan. Leven met grote stappen. Op een avond zocht ik hem op, Tania en hij zouden over niet al te lange tijd weggaan. De fietsen stonden klaar in de hoek van hun woonkamer, hun spullen al deels in dozen, deze plek gingen ze opgeven. “Als magere Hein langskomt, moet ik mezelf in de spiegel aan kunnen kijken. Dan moet ik een goed antwoord kunnen geven op de vraag ‘wat heb je met je leven gedaan’.” Zo zat ik er ook in, ik gaf na acht jaar een carrière als KMA-beroepsofficier op om wijsbegeerte te gaan studeren, verkocht m’n auto en ging op een studentenkamer wonen. Maar Dirk bracht het onder woorden, met alle energie en overtuiging, de uitspraak bleef in mijn hoofd hangen. Sinds die avond heb ik toegeleefd naar het moment waarop ikzelf op het punt zou staan om alles achter me te laten en te gaan. Dat moment kwam toen ik met Berber op 3 oktober 1995 in een vliegtuig van Kuwait Airways stapte, enkele reis Jakarta, en 10 maanden op weg was, terugfietsend naar Nederland. Maar het ultieme moment kwam toen Elsbeth en ik op 30 maart 1999 de sleutel van haar flat in de brievenbus van de verhuurder lieten vallen en uit Nederland wegfietsten. Zonder einddatum, met een gevoel van bevrijding en verwachting.

Na 3922 kilometer vanaf het Surinameplein rijden we Goumenissa binnen.

(werk in uitvoering)

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.