Laat voor het eten

Fietstochten en fietsreizen

Eindhoven-Dinant-Maastricht | Dag 1

Een Leger des Heils-achtig koor zingt kerstliedjes als ik de lift naar de stationshal uitkom. Buiten staat een kerstboom aan het begin van de winkelstraat. De winkelstraat die, zonder dat de enkeling die er rondloopt dat weet, de eerste meters vormt van de fietsroute naar Parijs. Als een verborgen toegang, hidden in plain sight. M’n lijf wil niet als ik via rotondes en stille fietspaden Eindhoven verlaat. Ook de stad is nog maar half wakker. De lucht is grijs en zwaar, een bleke zon ver weg achter de wolken is krachteloos. Ik heb het koud, de doorbloeding staat nog op de nachtstand. Alles in mij wil slapen, nietsdoen, instorten. Ik heb de afgelopen maanden absurde werkweken gehad. Grote opdrachten die ik vóór de Kerst moest opleveren. Op m’n tenen lopen vind ik heerlijk, het gevoel van urgentie en nut. Maar het schuurde tegen het onuitvoerbare aan. Die schaafplekken zijn aan het helen, de opdrachten zijn zo goed als klaar, iedereen is tevreden. Maar nu slaat de moeheid toe. Ik snak naar niets hoeven. Het is de tijd van kerstborrels en afsluiten, van het toeleven naar het moment van rust dat, als je schoolgaande kinderen hebt, kerstvakantie heet. Maar toch ben ik deze morgen vastberaden: de komende drie dagen ga ik fietsen. Een klein avontuur. Even los, even weg. M’n hoofd leegmaken, alle spanning eruit, mijn lijf resetten door de geestelijke moeheid te vervangen door lichamelijke moeheid. Voor mij een beproefd recept, maar de start kost me moeite. Het paarse lijntje op m’n GPS gaat naar het zuiden. Vandaag, 17 december 2016, ga ik naar Tienen.

Een oud landschap
Het stuk tot aan de grens, eigenlijk de hele strook Brabant ten zuiden van Breda, Tilburg en Eindhoven, is niet waar je het eerst aan denkt bij de keuze van een fietsroute. Een rondje fietsen op de Veluwe, in de Achterhoek of in de heuvels van Zuid-Limburg, allicht. Maar hier lopen routes van west naar oost of andersom, tenzij je de grens over wilt, zoals ik. Wanneer ik Eindhoven achter me laat en Aalst binnenrijdt, rijd ik ook meteen het bos in. Het is stil, de kale natuur lijkt gesloten voor het seizoen, als een vakantiehuis dat de winter geduldig doorstaat, met dichte luiken en afgetapte leidingen. De landwegen slingeren, het landschap voelt oud aan, met kleine en grote stukken bos die plotseling beginnen en ophouden. Een grote verlaten hei. Geen kilometer is hetzelfde, de dorpen lijken hecht en autonoom, met families die hier al generaties lang wonen en straten die zijn vernoemd naar illustere pastoors en bisschoppen. Ik slinger met de vrijwel verlaten wegen mee. Het bloed gaat stromen, mijn lijf doet mee met m’n hoofd, ik kijk om me heen en op m’n gezicht verschijnt een grote smile. De kop is eraf, het avontuur is begonnen.

Limburg
Het duurt niet al te lang voordat een grenspaal aangeeft dat ik Belgisch Limburg binnenrijdt. Ook over de fietsvriendelijkheid van deze provincie bestaat geen enkele onduidelijkheid, het bord is niet te missen. Nederlanders, vooral degenen voor wie de wereld bestaat uit Nederland, Europese snelwegen en een enkele zuidelijke campingenclave, weten zeker: de fietspaden zoals we die in Nederland kennen houden op bij de grens. Niet waar en steeds minder waar. Je kunt tegenwoordig over een ‘dedicated’ fietspad Manhattan bijna helemaal ronden (een belevenis, en een fiets huren is easy), Montreal doorkruisen of richting Tienen fietsen. De Limburgers hebben er werk van gemaakt, met veel knooppunten en een duidelijke bewijzering. De overzichtskaarten van het fietsnetwerk laten strakke lijnen zien, waar voormalige spoorlijnen zijn omgevormd tot fietspaden. In de zomer zal het hier gonzen en zoemen, met zonnebrillen en flitsende renners-outfits (‘Van Lommel, partner in rioolontstopping’ en andere bekende sponsoren) en vooral veel mensen die het naar hun zin hebben. Nu fietst er alleen een Nederlander die het erg naar z’n zin heeft en de omgeving in zich opzuigt. Ik kan niet zingen, maar ik doe het toch. Het is hier niet eens zoveel anders dan tien kilometer terug, maar toch ook wel. ‘Buitenland’ klinkt echt veel beter als je graag even weg wilt. En het is Limburg, waar mijn wortels diep de grond ingaan.

Jagers
Het spoor-fietspad doorklieft Neerpelt en Overpelt en gaat eindeloos rechtdoor. Door bossen en weilanden, onder hagen van voormalige spoorbegroeiing door, alleen af en toe onderbroken door een stoep-af-stoep-op bij het kruisen van een weg. Wat eerst nog als ongestoord fietsen voelde, wordt langzaamaan een storende eentonigheid, als een veel te traag gemonteerde film. Net wanneer ik mijn geestelijke gezondheid voel afnemen gaat de route rechtsaf het onbekende in, en gaat niet lang daarna de hei op, dwars door een militair oefenterrein. Deze zaterdag wordt er niet geoefend, maar wel gejaagd. Ik negeer de linten, hekken en borden die me waarschuwen, want de schoten die ik hoor zijn ver weg. Ook de gelijkenis van mijn rode fiets, tassen en outfit op een ree of wild zwijn is geruststellend klein. Ik heb bovendien zin in hei, en geen zin in omfietsen.

De gedempte geweerschoten blijven ver weg, de hei brengt de lol weer terug. Daarna blijft het bos de route grotendeels omsluiten. Ook nu lijkt de natuur nauwelijks te leven, in de kou zijn er geen geuren. Die komen terug in het voorjaar, wanneer je hier de hars en de bosgrond weer ruikt, en het vochtige gras op de open stukken land. Het miezert een beetje, mijn jas wordt donker zonder dat er druppels te zien zijn. Het pad loopt langs buitenwijken, met ruwe betonplaten, kale tuinen en gele en roze bakstenen huizen waarvan er niet een hetzelfde is. Waar Nederlanders in dit soort wijken kiezen voor strak grijs-met-glas, notarieel net-echt-jaren-dertig of een kabouterhut met riet en woekerend donkergroen, is het hier vooral kaal en onaf, als degelijke concepten die jammerlijk gestrand zijn in een bouwmarkt met een te klein assortiment en een tuinman die nooit kwam opdagen. Maar ik geniet van de eigenheid, van het andere, ik geniet van België.

Beringen-Mijn
De mooi uitgevoerde voorpret-routegids van Paul Benjaminse had me er op voorbereid, maar toch sta ik met ontzag en verwondering stil in Beringen-Mijn. De mijnwerkers moesten na 1989 op zoek naar ander werk, maar de mijn zelf is er nog. De bokken met de grote wielen die de kooien met zwartbestofte mijnwerkers en de bakken met kolen uit de schachten ophaalden, de grote kolenwasserij, het spoor met nog een enkele wagon en de terrils, bergen van de stenen die in de kolenwasserij van de steenkool werden gescheiden. Ik moet het allemaal zien. Mijnen zijn iets uit mijn jeugd. Mijn opa werkte voor de Staatsmijnen, in de (binnen)haven van Stein. Bij mijn oma en tantes van moeders kant ging het over ‘de koel‘ en ‘de Maurits’, over bekenden die aan stoflongen waren gestorven, over een stuk Nederlandse geschiedenis waar nu vrijwel niets meer van over is. Alles is gesloopt, op wat hoofdkantoren na. De schachtbokken herinner ik me nog, het slopen van het laatste exemplaar (ging niet helemaal goed, zie dit filmpje, vanaf 07:12) gebeurde, net als het sluiten van de mijn in Beringen, op dezelfde dag van het jaar. Mijn verjaardag. Hier staat het meeste er nog, met een nieuwe functie als Vlaams Mijnmuseum.De wijk naast de mijn is Turks, met een grote moskee, winkels en een cultureel centrum. Ontstaan in de tijd dat de mijnbouw in Belgisch Limburg veel (in Beringen-Mijn werkten zo’n 6000 mensen) arbeidskrachten nodig had, die voor een groot deel van ver buiten België kwamen. De Turkse enclave brengt veel goede herinneringen boven, mijn maag en ik zouden niets liever willen dan ergens naar binnen gaan en lahmacun eten. Maar ik kijk op de klok, rij door en schuif een pakje Sultana’s naar binnen. Hoe jammer het ook is dat ik geen langere stops kan maken, het kost me geen moeite mezelf te overtuigen. Elke minuut die ik nu langer stop is straks een minuut langer in het donker fietsen. Het is inherent aan het fietsen in deze tijd van korte dagen, in combinatie met de lengte van de dagetappes waarvoor ik heb gekozen.

Oefenheuvels
Na Beringen, het Albertkanaal en het eraan vastgekleefde industrieterrein dunt de bebouwing uit en verschijnen aarzelend de eerste verhogingen in het landschap, als oefenheuvels die Vlaanderen voorbereiden op dat wat zuidelijker nog komen gaat. Limburg wordt Vlaams-Brabant. Bomen vormen groepjes waarin roofvogels neerstrijken, er is geen voormalig spoor dat het fietspad dicteert, de route slingert en doet de (inmiddels weer neuriënde) fietser zwerven. In de beginnende schemer neem ik even rust als ik in een bakkerij moet wachten op de gesprekken aan de vitrine. Ik dender door naar mijn laatste stop vandaag: het begijnhof in Diest. Het licht is prachtig, ik leg het vast en duw weer af. Ik kom hier nog eens terug, als de zomer de avond oneindig doet lijken en de ober voor mij een Westmalle tripel mag neerzetten. En nog een. Niet lang na Diest legt de avond laagje voor laagje de duisternis over het land. De horizon schuift dichterbij totdat mijn blikveld niet groter is dan de kegel licht van mijn stuurlamp, en hier en daar een eilandje oranjegeel licht van een straatlantaarn.
De route vindt een nieuw spoorbed en laat dat niet meer los tot vlak voor Tienen. Het is niet erg, en eigenlijk best handig als je op wilt schieten, zoals nu. Ik rag de laatste 25 kilometer erdoorheen, in het stikkedonker dat alleen wordt onderbroken door het geblaf van een enkele boerderijhond die niet begrijpt wat er langs hem zoeft.
Hotel Alpha is snel gevonden, net als mijn reservering en de brasserie naast het hotel. Eerst eten, benen weer vol laten lopen, dan de rest. Als ik aan een Karmeliet zit, met de routegids op tafel en om me heen het gelach van stamgasten die het weekend vieren, ben ik thuis. Thuis in dit land, thuis bij wat ik aan het doen ben. Machtig mooi. Ik heb zin in morgen.

Dag 2: Tienen-Modave

Dag 3: Modave-Maastricht

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.