Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Berlijn | Dag 1

Nog nooit was de start van een tocht zo relaxed. M’n spullen staan aan het eind van de middag al klaar, ‘s avonds drink ik een glas wijn, Netflix nog wat en ga slapen. Acht uur lang, dat is me niet eerder gelukt tijdens een nacht tevoren. Ik ontbijt als altijd met de mannen. Elsbeth is dan al lang en breed op de school in Zeist waar ze werkt, ze fietst elke dag heen en weer. Heldin. Ik check of ze hun brood smeren, neem de dag door (‘hebben jullie je sleutel mee, ik ben er vandaag niet als je uit school komt’). Geef ze een extra dikke knuffel en een grote kus, zie ze weglopen en -fietsen richting hun scholen. Ik schenk een laatste keer koffie in, ruim de keuken op zodat Elsbeth vanavond niet in de troep thuiskomt en doe de sluitronde. Hang m’n spullen aan de fiets en start alvast de GPS. Ik doe m’n jas en schoenen aan, zet de wifi op m’n telefoon uit en kijk nog eens om in het fijne huis waarin we wonen. Tot over 12 dagen. Ik draai de sleutel om en fiets tegen half tien de oprit af. Ik ben begonnen.

Omgeslagen

De straten zijn leeg. Om acht uur vrees je hier voor je leven op het doorgaande fietspad. Nu is iedereen op z’n bestemming. Zelfs de vracht- en bestelauto’s die ‘s ochtends de winkelvoorraden lossen zijn al weg, veel winkels zijn nog niet open. Ik ben alleen bij het verkeerslicht bij de Stadsring, fiets door Randenbroek waar we hebben gewoond en waar Dirk is geboren. Door de fietstunnel onder de A28 door, het open land in. Boven me is het regenweer van de afgelopen weken totaal omgeslagen. De lucht is blauw, het zonlicht maakt vormen van de bomen langs de weg. Stoutenburg. Dit buitengebied oost van Amersfoort doorkruis ik vaak op weg van en naar de Veluwe, maar toch is het vandaag anders. Vandaag gaat de weg die ik hier fiets niet naar Otterloo, maar naar Berlijn.

Uniform

Kleine gele blaadjes dwarrelen in een enkele windvlaag. Het weer is fantastisch, als op de tocht naar Parijs, maar de lucht is onrustig. Een uur later is er veel meer grijs boven me, nauwelijks een kwartier verder is het blauw weer terug. Tractoren en aannemersbusjes passeren me op de smalle wegen, af en toe moet ik de berm in. Om Achterveld heen, onder Barneveld door, langs de Walderveense molen die er sinds eind 1900 staat. Onder een viaduct van de A30 door, Lunteren in. Ik passeer een onzichtbare grens. Jonge meiden dragen rokken die niemand anders van die leeftijd draagt. Vrouwen die onmogelijk al oma kunnen zijn dragen donkere tinten en hun haar in een knot. Alsof ze permanent op weg zijn naar een begrafenis, in een toneelstuk over vroeger. Het is een uniform, zoals we vaak een uniform dragen. Tieners die zelfs als de scheuren in het asfalt vriezen met blote enkels blijven fietsen. Verkoopmannen met lichtbruine schoenen onder een donker pak. Berlijnfietsers die er niet als wielrenner uit willen zien. We doen het allemaal, omdat we allemaal willen laten zien wie we zijn en wat we zijn. Of we dat nou zijn of niet. In de winkelstraat vol oranje knisperblaadjes zoek ik een bakker, en vind er geen. Bij een mobiele kaaskar met wachtende frisgestoomde en -gedofte dames hoor ik dat hij ‘ergens verderop’ zit, maar met de etappe die nog vóór me ligt is dat te vaag. De beleefdheid en verzorgdheid van de vrouw achter de kazen heeft iets waar ik blij van word, tussen de Gouda en de Gruyère zweeft een zweempje lavendel. Een passerende scholier zegt beleefd ‘goedemorgen’. Al schud ik het hoofd bij de absoluutheid van de overtuigingen in deze streek – beschaafdheid is er vanzelfsprekend.

Bomen

Ik nader een deel van Nederland dat me nog blijer maakt, het deel met de bomen. De Veluwe begint hier bij Ede. Overal waar weiland overgaat in bosrand en oude stad vind je buitens. Statige huizen van adel en burgerij die de benauwde en stinkende stad ontvluchtten en breedsprakig bouwden, op land dat nog weinig kostte of soms al generaties in de familie zat. De landgoederen, nu bezoekerscentra of hippe kom-tot-jezelf-staeten waar bijna net zoveel geld in omgaat als toen de landadel dat geld nog had. Tienerkoeien liggen tegen elkaar te doezelen in de zon, plukjes bos zijn voorbodes van de naderende natuur. Ik rijd de noordrand van Ede eventjes in en verdwijn tussen de bomen.Mos, varens, berkenblaadjes. Geuren, geen geluiden. Licht en donker, groen en lichtgroen. Het bos is heerlijk, het perfecte fietspad golft licht. Ik schakel voor het eerst terug. Na het groen breekt het landschap open en fiets ik over de Edese Heide. Ik herken iets. Rijd ik nu langs…? Het is inderdaad de plek. Ik stop en stap af.

De bosrand – intermezzo

Verderop zie ik de rand van een bos dat de hei insteekt. In die bosrand stond ik tijdens een nacht in de winter van 1986 op wacht, in een pantservoertuig van waaruit ik uitkeek over de hei. Ik was op oefening tijdens mijn vierde, vak-specialistische, jaar op de KMA. Als toekomstig infanterieofficier betekende dat een lange reeks midweken ergens op een oefenterrein, zomer en winter, dag en nacht. Het was zo ongenadig koud dat de klassencommandant het bij hoge uitzondering toestond om warme burgerspullen onder onze gebrekkige legerkleding te dragen. Zodat we niet in het ziekenhuis zouden belanden. ‘s Nachts liepen we om beurten wacht, we sliepen ieder een paar uur. Tegen de morgen had m’n lijf bijna dezelfde temperatuur als het staal van de YP-408. Ik kon niet meer helder denken, zo koud had ik het. Met elke beweging kwam er nieuwe koude lucht onder m’n kledinglagen. Met elke onbeweeglijke minuut koelde ik verder af. Toen zag ik in de verte een man lopen, op het pad richting de bosrand. Hij liet zijn hond uit. In z’n eigen kleren, in z’n eigen tempo. Die man leefde in een andere wereld dan ik, een wereld waarin hij na z’n rondje over de hei naar huis ging en de dingen deed waar hij zin in had. Hij was vrij. Ik voelde me een gevangene. Ik wilde die man zijn, met elke vezel in m’n lichaam. Het was niet de ontbering, ik had in drieënhalf jaar opleiding veel gekkere dingen gedaan en doorstaan. Veel gekkere dingen. Het was de manier waarop we tijdens het vierde jaar werden opgeleid, in de grotemannenfabriek die het Opleidingscentrum Infanterie wilde zijn. Oh Harderwijk, oh Harderwijk, was jij maar met de grond gelijk was het lijflied van de vierdejaars infanteristen. We werden toegesproken als in drill-sergeant scènes uit een B-film, kregen herinspectie als we niet ook de rubber hakken van onze schoenen hadden gepoetst, en als we toch iets goed hadden gedaan was het alsnog slecht en onvoldoende. Dat kun je doen bij eerstejaars, om ze op de proef te stellen en weerbaar te maken. Bij ons werkte het niet meer. Een echte vakman laat bovendien na een tijdje doorschemeren dat het allemaal één groot spel is, en dat het niet écht aardverschuivend belangrijk is om je groene hemden exact mesbreed op te vouwen. Waardoor je heel veel van mensen kunt vragen, maar ze toch het gevoel voor realiteit laat behouden. Een zware tijd wordt dan een gave herinnering en een mooi verhaal.

Als voertuigcommandant van mijn ‘eigen’ YPR-765 prco-C1, C-cie 45 painfbat, tijdens een oefening in Duitsland. Met dank aan m’n boordschutter voor het maken van de foto.

Kapot

Dat vermogen was een deel van onze instructeurs vreemd. Wat ze deden wekte alleen maar ergernis, het vermorzelde motivatie, het maakte dingen kapot die heel hadden kunnen blijven. Meerdere van mijn infanterie-jaargenoten stapten over naar een ander deel van het leger, sommigen verlieten de KMA. Ze hebben m’n kamergenoot vast moeten houden toen hij met een schep een instructeur te lijf wilde gaan. Zo ver hadden ze ‘m gedreven. En ik, ik dacht dat iedereen in een groen pak helemaal gek geworden was. Afhaken als iets moeilijk wordt zit niet in me. Ik bleef en wilde na de drie mooie jaren in Breda de opleiding afmaken in de hoop dat ik daarna, in het echte leger, alsnog zou vinden wat ik er zocht. Ondertussen viel ik in een diep zwart gat dat alle plezier in m’n leven opslokte. Het gat was zo diep dat ik er niet meer uit kon, ik had geen energie meer, ik had zelfs geen plezier meer in het leven zelf. Daar, in die bosrand, op die winterochtend, maakte het zien van de man met z’n hond me duidelijk hoe gevangen en ongelukkig ik me voelde, gevangen in m’n eigen keuze om dit uit te zitten. Ik dacht dat ik nooit meer de rand van dat zwarte gat zou vinden.

Nadat ik in de zomer van 1986 m’n officiersbul kreeg begon ik als pelotonscommandant op een kazerne in Steenwijk. Na een moeilijk begin vond ik mijn plaats en hervond ik de realiteit. In die realiteit leerde ik wat verantwoordelijkheid was, leiderschap, loyaliteit aan mensen. In m’n functies heb ik mensen moeten straffen, maar ik heb ook op m’n knieën gezeten om m’n dienstplichtig foerier te helpen met slaapzakken tellen, zodat hij op vrijdagmiddag naar huis kon. In die realiteit waarin ik snel volwassen werd leerde ik voor het eerst wie ikzelf was, dat ik uiteindelijk niet gelukkig zou worden bij de krijgsmacht, en dat dat niet erg was. Ik heb soms gefaald, maar er zitten ook tevredenheidsbetuigingen in m’n herinneringendoos. Waarvan eentje onofficieel toegekend, door m’n soldaten. Dat is de mooiste. De herinneringen aan m’n vierde jaar heb ik verscheurd, tot zo’n kleine snippers dat m’n vingers er pijn van deden, terwijl de tranen over m’n wangen liepen. Ik verliet het leger na jaren die zwaar begonnen en mooi eindigden, met een rijkdom aan ervaringen en levenswijsheid, maar ook met herinneringen aan pijn die ik nooit meer wil voelen. Ik nam m’n leven weer in eigen hand. Dat ik hier nu fiets, op diezelfde heide, in de vrijheid van het fietsend op reis zijn, heeft voor mij een grote symbolische betekenis. Ik heb nieuwe keuzes gemaakt en ben een gelukkig mens geworden.

Naar het oosten

Na de N224 wordt de Edese Heide de Ginkelse Heide. Een monument vertelt over deze plek, waar op 17 september 1944 para’s van de Britse 1st Airborne Division (met de rode baretten, de eersten die ‘m droegen) landden met als doel het innemen en veiligstellen van de Rijnbrug bij Arnhem. Als kind wilde ik alles weten over Market Garden, ik las Een brug te ver van Cornelius Ryan en ging naar de verfilming ervan in de bioscoop. Nu besluit ik door te fietsen, ik heb net al stilgestaan op de Edese Heide, in alle opzichten. Boven me wordt het stilaan grijzer. Hei wordt weer bos, noord van Heelsum verlaat het fietspad de bosrand. Het begint te regenen, ik haal de filmcamera van het stuur en trek m’n Gore-Tex regenjas aan. Nieuw, van de Haglöfs-outlet bij Stockholm, ik moet lachen, het kaartje zit er nog aan. Lang duurt het allemaal niet, de onrustige lucht werkt nu in m’n voordeel.

De route maakt een knik naar het oosten, het Rijndal in. Voorbij de weilanden ligt de Nederrijn, achter een bomenhaag ligt Kasteel Doorwerth. Met de rivier rechts naast me fiets ik onder Oosterbeek door richting Arnhem. Langs de weg wapperen vlaggen met het embleem van de Red Devils die ik op de hei tegenkwam, een lichtblauwe Pegasus op een paarse achtergrond. Hier in Oosterbeek kwam de divisie vast te zitten, de herdenking van 75 jaar Market Garden is nog maar een maand geleden. Langs de kant van de weg staat de koepel van een Shermantank op een betonnen verhoging. De weg klimt en daalt, boven me begint de bovenleiding van de trolleybussen. Ik ben in Arnhem.

(De bus is overigens een aardgasbus, geen trolleybus.)

Anders

Bij het grote stationsplein sta ik stil. Precies hier begint het deel van de R1 dat in de gids staat beschreven, het deel naar Berlijn en daar voorbij, tot aan de Oder op de grens met Polen. Ik klem de gids onder de elastieken achterop, ik ben nu officieel op weg naar Berlijn. Bij een Wok & Go bestel ik een groot bord met noodles en ga buiten zitten. Hartje Arnhem, dat als een dorp voelt dat zich stads heeft uitgespreid. Ik vind het een bijzondere plaats, al sinds de eerste keer dat ik er kwam. Verbonden met de gebeurtenissen in 1944, met de onneembare brug, een stad die lang in de frontlinie lag. De Rijn, de IJssel die hier als aftakking van de Rijn ontstaat, de Veluwe die aan de noordkant van Arnhem begint. In die noordkant ritselt het in de bossen van de kazernes, legerplaatsen en oefenterreinen. De hoogteverschillen, de trolleybussen, Arnhem is anders.

Het miezert uit een grijze hemel, ik fiets Arnhem uit door lege buitenwijken, met een paar stukken stevig omhoog. En maak een foto van een straatnaambordje, Onder de Linden. Een man ziet het me doen en vraagt waarom. ‘Omdat ik daar naartoe fiets, naar Unter den Linden in Berlijn’. ‘Bijzonder’, zegt de man, ‘dat daar in Duitsland een hele stad zo heet. Hier is het een straat.’ Ja. (En de Berlijnfietser wendde het hoofd af, en weende bitter.)

Nu komt het

Als je alle bebouwing van Arnhem weg zou halen zou je pas goed zien dat de Rijn hier door een afgetekend dal ten zuiden van de Veluwe stroomt. Wie naar het noorden en noordoosten toe de stad verlaat, gaat direct omhoog. Dat doe ik nu. De route gaat onder de A12 door en gaat na een groen stuk linksaf, over het terrein van buitenplaats Rosendael. Ooit een kasteel uit 1300-en-een beetje, waarvan alleen nog het versterkte hart, de donjon, over is. Allerlei vijvergegraaf, tuingeplant en statige aanbouwen hebben er in de loop van de eeuwen een buitenhuis van gemaakt. Elegant, voornaam, koninklijk. In de achtertuin ligt tussen de bomen een kerkhof en versmalt de weg tot een fietspad. Door een eerdere tocht en het hoogteprofiel in de routegids weet ik dat het hier echt omhoog gaat. ‘Nu komt het’, denk ik, en trek alvast m’n jas uit.

Maar, zoals altijd als je je ergens schrap voor zet, wat er gebeurt is niet erg bijzonder. Ik ontdek dat ik bij het begin van de stijging al op 56 meter zit, terwijl ik naar ongeveer 100 ga. Allesbehalve spannend, na een korte felle klim gaat het geleidelijk omhoog en ben ik zó boven, in Nationaal Park Veluwezoom. En doe m’n jas weer aan als ik niet lang daarna weer daal. En weer klim, en weer daal. Ondertussen is de miezer overgegaan in lichte regen die aanhoudt, de grijze lucht is rustig geworden. Even vind ik het jammer dat ik geen foto’s kan maken, maar een foto van een stuk hei met een grijze lucht en een rode fiets, daar heb ik er al honderd van. Dóór.

Midden op het fietspad lopen Duitse moeders met kinderen, als ze me – ondanks m’n gebel – pas zien als ik vlak achter ze fiets kijven de moeders tegen hun kinderen dat ze opzij moeten gaan. Als het even niet precies ordelijk gaat, zijn de kinderen het schuld.

In het bos bestaat alle onderbegroeiing links en rechts van het pad uit varens, bruin en groen. De herfst heeft berkenblaadjes gestrooid en alle kleuren groen en oranje geschilderd. Ik fiets het bos uit en ga dalen, richting de Achterhoek.

Gevonden

Ik steek het Apeldoorns Kanaal over. Restjes bos en weilanden brengen me naar Leuvenheim, dat klinkt alsof ik de grens al over ben. Net als ik me er een beetje thuis begin te voelen rijd ik na driehonderd meter het dorp al weer uit. Een paar pedaalslagen verder ligt Brummen, dat ik graag op tijd wil bereiken omdat ik daar met de pont de IJssel over moet, en niet alle ponten varen tot laat in de avond. Bij de voorbereiding heb ik gecheckt tot hoe laat deze vaart, wat ik ontdekte stelde me gerust. Toch wil ik de oversteek maar alvast gehad hebben, omrijden is aan het eind van de dag niet fijn. Maar als ik in Brummen een bakker vind, ben ik gek als ik niet even wat insla, de maag is leeg. Terwijl ik het dorp inrijd zie ik een nok met gaten, een zwarte nok. Ook m’n geoefende neus meent flarden van iets op te vangen dat ik uit duizenden herken. Hier is brand geweest. Op het Marktplein zie ik dat de bovenverdieping van de Blokker is weggebrand. Maar na 16 jaar brandweerman te zijn geweest (op 1 juli nam ik afscheid, het was mooi, maar ook mooi geweest) klopt het beeld niet. Op de benedenverdieping zit er aan de binnenkant alleen natte roet tegen de ramen, van neergeslagen rook en bluswater. M’n ogen gaan verder over de bovenkant van de bebouwing. Rechts ernaast is achter de gevel de verwoesting tot op de begane grond te zien. Daar is het begonnen, het plaatje klopt nu wel. Op de gevel staat ‘Bakkerij’. Gevonden.

Check

Helaas kan de bakker niets meer voor me betekenen, en ik niets meer voor de bakker. Later ontdek ik dat de brand nog maar vijf dagen geleden is geweest, in de nacht van vrijdag op zaterdag 12 oktober. Plan B dus, verder fietsen. Ik zie een bordje met een pijl het dorp uit, ‘Veerpont Brummen – Bronkhorst’. Laat ik toch voor de zekerheid even kijken tot hoe laat hij vaart. Telefoon > website > vaartijden. Oh (inderdaad), tot 19:00 uur. Met daarboven, in andere letters, ‘Mei tot en met september’. M’n ogen gaan verder naar beneden, terwijl de hartslag omhoog gaat. Vanaf oktober vaart hij tot 17:30. Ik check de tijd. Het is 17:23 uur. Tijd voor blinde paniek.

De groene lijn is de R1, de blauwe de gefietste omweg via de IJsselbrug bij Zutphen. Links ligt Brummen.

Als er tijdmeting was geweest, had die geconstateerd dat dit m’n snelste 2,8 kilometer-met-bagage ooit waren geweest. Via een, uitgerekend nu, tenenkrommende lange lus om de N348 over te steken. Ergens heel diep in me vind ik dit leuk, iets doen dat bijna onmogelijk is. Bijna. Ik jakker, zweet en jaag, met een messcherpe blik op de GPS om geen meter verkeerd te rijden, en sta om precies één minuut vóór half zes aan de IJssel. Bloemen, slingers, overwinning. Maar aan de overkant ligt de pont al in de parkeerstand, evenwijdig aan de oever. De veerman sluit, met een tas in z’n hand, de deur van de stuurhut achter zich en loopt de pont af, op weg naar z’n fiets die daar klaarstaat. Het was weer een lange dag. Het is niet moeilijk in te zien dat het veranderen van de wetten van Newton waarschijnlijk eenvoudiger is dan het met gebaren overhalen van de veerman om me nog even over te zetten.

Die constatering is ontnuchterend, ik sta tot m’n eigen verbazing kalm te wennen aan het idee. Ik kan hoog en laag springen, theater maken richting de overkant of een brief schrijven naar de gemeente dat de pont er een minuut te vroeg mee opgehouden is. Maar dat laat onverlet dat ik gewoon een konijn ben dat ik niet veel eerder op de dag gecheckt heb tot hoe laat de pont nou écht vaart. Een heel groot konijn. Ik constateer ook dat er vandaag veel rek in me zit. Hoe pech je stemming bepaalt ligt nooit aan de pech zelf, maar aan hoe je ermee omgaat.

Actie

Plan B dus, wederom. Heel dramatisch is het allemaal niet. Google Maps en m’n GPS zijn het erover eens dat vijf kilometer naar het noorden de IJsselbrug bij Zutphen ligt. Met een fietspad er naartoe. Deal. Actie. De kilometers vliegen voorbij, ook aan de overkant, terug naar de route. Waar het paarse routelijntje zich weer bij me voegt is het niet ver meer naar Vorden. Een ree graast in een weiland, ziet me, maar eet rustig verder. In Vorden kijk ik alvast om me heen waar ik hier straks kan eten. Straks, want ik wil eerst naar de camping, het donker kruipt al tussen de bomen en het begint te regenen. Regen die vanavond niet meer gaat ophouden. Camping en stalhouderij De Goldberg ligt aan de route, in het schijnsel van straatlantaarns zie ik grasjes, een rijtje caravans en een paar gebouwen met een receptie. Er brandt licht, maar er is niemand. Ik voel me de enige fietser in dit deel van de wereld die nu met z’n fiets met spullen aankomt en gaat kamperen. Heel ver naast zal ik er niet zitten.

Een druk op de bel brengt de eigenaar, die me welkom heet en me welkom doet voelen. Eerst de tent, eerst een plek maken. Het kleine wonder voltrekt zich. Wat bij aankomst een nat en donker stukje onduidelijk gras is, wordt ineens m’n huis, met al m’n spullen op hun vaste plaats, met de slaapzak waarin het dons extra z’n best doet om dik op te bollen. Droog, beschermd, veilig. ‘Thuis’ is onderweg drie vierkante meter groot.

Hier kan dat

In het hoofdgebouw, dat voelt als een kruising tussen een café en een Veluws pannenkoekenhuis, is het warm en aangenaam. Ik raak aan de praat met de eigenaar, die het bedrijf vrijwel in z’n eentje runt. Naast een camping heeft hij paarden voor paard-en-wagens, hij is altijd aan het werk. Het seizoen is bijna voorbij, over anderhalve week sluit de camping voor de winter. Ik vraag hem of ik in het dorp ergens iets kan eten dat niet uit de frituur komt. De rozige gloed op m’n wangen, de Leffe Blond vóór me en de regen buiten maken de vraag bijna een formaliteit. Natuurlijk ga ik niet meer weg. Hij wil met plezier een uitsmijter voor me maken, of het een gewone of een grote mag zijn. Ook dat is geen echte vraag. Ik eet, bel Elsbeth, nip van de kelk Leffe en voel me op de juiste plaats op de juiste tijd. Ik douche, was m’n fietsbroek uit en hang die met m’n handdoek in het verwarmde douchehok te drogen, dan hoeven ze morgen misschien niet nat mee op de achterdrager. Hier kan dat. In het douche- en toiletgebouw klinkt muziek, een Achterhoekse bard die honderd keer hetzelfde liedje zingt. Heel effectief als je niet wilt dat gasten niet nodeloos lang op het toilet zitten of onder de douche staan. Ergens in het verre donker balkt een ezel. Ik check nog even of m’n fiets goed onder het afdak staat en kruip in m’n slaapzak. Veel te warm, het is door de wolken niet afgekoeld, ik hoop dat het vannacht koud gaat worden. Maar m’n mat ligt heerlijk, m’n spullen liggen waar ik ze kan vinden, wekker staat op half zeven en… weg ben ik.

Dag 2: Vorden – Darfeld

Overzichtspagina

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.