Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Berlijn | Dag 10

Foto hierboven: de Glienicker Brücke over de Havel, tussen Potsdam en Wannsee. De brug, die destijds op de grens tussen West-Berlijn en de DDR lag, werd in de tijd van het IJzeren Gordijn gebruikt voor de uitwisseling van gevangengenomen agenten (‘spionnen’) en komt voor in de film Bridge of Spies.

Overwinningsthee.

Om vijf uur trek ik m’n kleren aan. De lamp buiten schemert groen door de binnentent, ik laat m’n hand over het doek glijden. Droog. Ik pak alles om me heen in, doe de ritsen open en sta buiten in een dag die nog niet begonnen is. Ik voel aan de buitentent. Vrijwel droog. Een wonder, het enige water dat ik vandaag meeneem is dat in de bidons. De lucht is mild, een graad of 14, dat moet het vannacht ook geweest zijn, er is geen condens. Het dorp, verderop in de zwarte wereld, is zo stil als gisteravond. Ik zet m’n ontbijtspullen op de stenen picknicktafel en steek de brander aan. Gus komt aangelopen, wil aandacht en – vooral – eten. Hij komt naast me zitten terwijl ik koffie maak. Ik vertel ‘m dat vandaag de dag van de intocht is. Een laatste fietsdag is altijd bijzonder. De laatste kilometers hoeven niet de mooiste te zijn, maar ik zal ze stuk voor stuk proeven en beleven, ze dragen het eindpunt. Dat wil ik niet in de schemer doen, ik start vroeg. De laatste dag is een onaantastbare dag, vrij van zorgen over hoe het zal gaan, of ik op tijd op de geplande overnachtingsplek zal aankomen, of ik energie genoeg zal hebben. De laatste dag doet niet mee aan die zorgen, de laatste dag lukt altijd.

Want m’n moeder staat aan de finish met een bloem, ik zal haar de medaille laten zien, de pijn in m’n benen van vier avonden lopen zal heroïsch voelen, ik zal slapen met het gevoel dit te kunnen.

Onthaast

Ik ontbijt in het roerloze begin van vandaag, uitkijkend naar wat de dag zal brengen. Gus wordt wat opdringerig als ik eet, hoewel katten volgens mij geen pinda’s lusten, ik duw hem zacht van m’n schoot. Ik maak nog wat warms, thee dit keer. Met het theezakje dat al vier jaar tussen m’n zakjes instantkoffie zit, een zakje dat ik meenam van een camping bij Eupen waar Dirk en ik op een druilerige oktoberdag in 2015 sliepen, op weg naar Luxemburg. Dit is het moment om het te gebruiken. Het labeltje zit er niet meer aan, ik noem het Overwinningsthee.

Het is toch nog bijna half zeven als ik de camping afrijd, ik heb zin in de finale maar ben tegelijkertijd volledig onthaast. Het is droog, behalve Gus en de klusjesman die ik gedag zeg ben ik alleen, ik draai de weg op en verlaat Rädigke. Vals plat, dit keer omhoog, over de lege L84 het donker in. In het schijnsel van m’n koplamp kijkt een ree me verschrikt aan en klimt uit de droge sloot langs de weg. In Raben kom ik weer op de R1 en rijd even daarna het bos in.

Het gouden uur

Ik fiets over een smal fietspad van mooi asfalt langs een zandpad. Dennennaalden liggen als bruine stroken langs het middenspoor, het gaat iets op en neer. In het licht van m’n Edelux glijden de voeten van bomen voorbij. Ik hoor een vogel, glashelder door het stille donker, zonder ‘m te herkennen. Ik heb Ludovico Einaudi opgezet, de klanken van z’n piano zijn als filmmuziek terwijl het zwart om me heen heel langzaam verkleurt. De ontroering neemt me mee. Het mooiste moment van de dag, de puurste beleving van een nieuw begin. Fotografen noemen de minuten vóór zonsondergang en na zonsopgang het gouden uur, door het geelrode licht dat ook de hardste vormen verzacht. Mijn gouden uur begint eerder, met de dageraad, het uur voordat de zon boven de horizon uitkomt, het uur waarin de wereld verschijnt uit het donker, als de toneellampen langzaam aangaan en de voorstelling begint. Een moment dat ik voor mezelf heb, met nog niemand in de zaal. Al had de tocht bestaan uit korte etappes, dan nog was ik in elk geval één keer in het donker gestart, om dit te kunnen meemaken.

Westelijke toren in de ommuring van Burg Eisenhardt, Bad Belzig.

In een dorp met oranje straatlampen gaat een rolluik met veel lawaai omhoog, het ratelende geluid schreeuwt door de stilte. Op het erf van een boerderij start een tractor, de vérschijners verlichten de akker. Bij een bushalte staat een jochie met een schooltas moederziel alleen, in een schooltje brandt licht.

Licht

Aan de horizon verschijnt een dunne streep oranje-rood licht, alsof achter de wolken een hele stad in brand staat. Ver weg knipperen de rode lichtjes van windmolens midden in de lucht, de afnemende maan staat helder aan de hemel. Het gaat als een trein, het is nog maar net licht als ik langs de ferme burchtmuur aan de achterkant van Burg Eisenhardt fiets. In het centrum van Bad Belzig bruist een middelbare-schoolplein van het leven, het is tien voor acht. Duitse basisscholen beginnen soms al om half acht.

Spirit

De zon klimt en wordt sterker, de schaduwen afgetekender, de lucht kleurt voorjaarsblauw. De route gaat over een karrespoor van grijze klinkers en door stukken verlaten bos en weiland. Het spoor wordt een asfalt-fietspad dat van de bosweg wordt gescheiden door een houten reling, als bij een middeleeuws steekspel zonder tegenstander. De zon werpt banen licht door het doorzichtige dennenbos, de lucht is fris en aangenaam tegelijk. Dagen als deze heb je alleen in het na- en voorjaar, ik koester ze als een goed bewaard geheim. Wat gisteren begon, zet zich vandaag voort: het fijne vlakke asfalt van de fietspaden lijkt er nog maar net te liggen, de paden zelf lopen kilometers lang door het bos, zonder dat er auto’s of autowegen in de buurt zijn.

De R1 tussen Trebitz en Brück.

Fietspad na Brück.

Timing

Er is opnieuw niemand op het pad, ik heb de hele deelstaat Brandenburg voor me alleen. Het dendergravel heb ik voor deze tocht achter me gelaten, ik ga als een speer. De zon, de bossen, de rust, de timing op deze laatste dag had niet beter gekund. Net als de laatste dag naar Parijs, vorig jaar. De route vliegt onder me door. Ik kijk uit naar het bereiken van de grote stad.

Voorbij Brück kom ik een afslag naar een Truppenübungsplatz tegen, ik kan de symbolen op het zwarte bordje, verwijzend naar de oefenende eenheid, ontcijferen. Ik fiets een stuk hei over en houd een pauze bij een houten hutje. De brander maakt het koffiewater heet, ik kijk op m’n horloge en zie dat ik op een winnend tijdschema zit. Als dit zo door blijft gaan kom ik ruim vóór donker aan. Ik eet wat, de rust in de bosrand is sereen. Het fietspad gaat verder tussen de bomen, na Borkheide een vijftal kilometers parallel aan het spoor. Paddestoelen liggen verschopt en met wortel en al op de bosgrond, ze naderen zo langzamerhand het einde van hun seizoen. Vrouwen lopen met manden door het bos, op zoek naar eetbare soorten.

Bos tussen Beelitz-Heilstätten en de overgang van de A9.

Templiner See.

Blauwe ketting

Het fietspad steekt de A9 en daarna de A10 over. Ik kijk over de rode reling, op de borden boven de snelweg staat Frankfurt (Oder), Berlin-Zentrum en Postdam. De eerste tekenen van de grote stad, het duurt niet lang meer voordat het laatste stuk gaat beginnen. Dat laatste stuk zijn de eenenveertig kilometers langs de blauwe ketting van meren tot aan Berlijn, als de archipel van Stockholm. Aan het eind ervan sla je rechtsaf, voor de laatste tien, over een lange rechte weg naar Brandenburger Tor. Maar eerst Petzow, Geltow, Potsdam, Gladow. Plaatsnamen op -ow en -itz zijn een kenmerk van het Oosten, ze klinken veel verder van huis dan Oberhausen of Hanover. Ze voelen als de verre buitenwijken van Berlijn. Maar dat is net zoiets als zeggen dat Diemen eigenlijk al Amsterdam is, Woensel al Eindhoven, Hoogland al Amersfoort. Het snoer dat door de merenketting loopt is de Havel, die een stuk noordelijk van Berlijn ontspringt en een stuk westelijk van Potsdam in de Elbe uitmondt.

Het eerste meer, de Schwielowsee (See = meer, Meer = zee. Maar Minder betekent niet ‘meer’. Voor de goede orde) glinstert niet lang daarna achter de bomen rechts van me. Na Petzow, een brug over de Havel en Geltow gaat deze over in de Templiner See. Jachten schommelen zachtjes aan de steigers, het water is kalm, in de lucht drijven schilderijwolken.

Voortekenen van Berlijn aan de horizon.

Nauener Tor, Potsdam.

Met de meren begint ook de recreatie. En de mensen. Restaurants, terrassen, jachthavens. Ik rond een landpuntje met een camping, toch nog een beetje gravel. Wandelaars staan midden op het pad, de eerste keer op de hele route. Ik fiets langs de Luftschiffhafen Potsdam, nu een sportcomplex, maar ooit (in 1910) gekocht door Graaf Ferdinand von Zeppelin om daar z’n luchtschepen (niet geheel toevallig ‘zeppelins’ geheten) te laten aanmeren. Het moest een Europees luchtvaartcentrum worden, Von Zeppelin ging er bovendien luchtschepen bouwen die in de Eerste Wereldoorlog werden gebruikt. Het Verdrag van Versailles maakte een eind aan de luchtvaartonderneming en aan het gebruiksdoel van dit stuk land aan de zuidkant van Potsdam.

Fundament

Ik rijd de stad in, hoofdstad van de deelstaat Brandenburg (Berlijn vormt z’n eigen deelstaat) en net iets groter dan Amersfoort. Hier woonde ooit het Duitse hof, dat net als in Nederland niet in de hoofdstad woonde maar er vlak in de buurt, waar meer ruimte was voor statige buitenhuizen en paleizen. Potsdam is verbonden aan een conferentie die de naoorlogse geografie van Europa veranderde. Terwijl in de Stille Oceaan de Tweede Wereldoorlog z’n laatste weken inging, onderhandelden hier in juli en augustus 1945 de leiders van de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk over wat er met Duitsland, Duitse oorlogsmisdadigers, de grens met Polen, Berlijn en Japan moest gebeuren. Hier werden onder andere afspraken gemaakt over de processen van Nürnberg, de verdeling van Duitsland en Berlijn in bezettingszones en de capitulatievoorwaarden voor Japan. Hier werd het fundament gelegd van de scheiding tussen twee Europa’s en twee Duitslanden, de scheiding die zou uitmonden in de bouw van het IJzeren Gordijn.

Tekort

Ik doe Potsdam tekort, maar ik rijd er zonder te stoppen doorheen en verlaat de stad, uitkijkend naar de grote buurgemeente aan de Spree. Die rijd ik meteen daarna binnen, want Wannsee, gelegen op een eiland tussen meren en de rivier, is het zuidwestelijkste stadsdeel van Berlijn. Ik drink koffie in Wirtshaus Moorlake, een koloniaal restaurant met een terras onder de bomen en luister naar de gesprekken van de weinige andere gasten om me heen. Fransen, Polen, Duitsers. De ober is strak en protocollair hoffelijk, alsof hij een nazaat is van een familie die Kaiser Wilhelm nog bediend heeft. Ik voel de stad dichtbij, ik voel me sterk en klaar voor het bijna-laatste stuk.

In twee uur tijd

Dat gaat weer door het bos, naar de stad Wannsee (‘Wanneer-meer’) dat z’n naam kreeg van het meer ernaast. De naam is nog sterker verbonden aan een (andere) conferentie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op de Wannseeconferentie in januari 1942 stond het probleem centraal wat te doen met alle Joden die inmiddels waren vervolgd en in concentratiekampen gevangengezet. Met het steeds verder bezetten van Rusland werden dat er nog meer, teveel om op te sluiten. Dit ‘Joden-vraagstuk’ (Judenfrage) vroeg volgens de NSDAP om een definitieve oplossing (Endlösung), daar ging het in Wannsee over. 15 Mannen vergaderden daar over het lot van miljoenen opgejaagde, opgesloten en bij de dag levende mannen, vrouwen en kinderen. 15 Mannen, waarvan sommigen ‘s avonds hun kinderen een verhaaltje voorlazen en overdag andermans kinderen in vrachtwagens lieten vergassen. Ze bespraken de logistiek van het systematisch vermoorden van miljoenen mensen, om geen andere reden dan hun geloof en stamboom. De vergadering duurde twee uur. Het onzegbare leed duurt tot op de dag van vandaag.

Echte finale

Ik eet wat broodjes bij het treinstation, m’n maag en benen zijn leeg, maar moeten nog even. Een auto krijgt een klapband terwijl hij voorbijrijdt. Ik ontvlucht het verkeer, de herrie en de mensendrukte voor het laatste stuk bos van deze tocht. De route schampt de hier meer-brede Havel. Aan de overkant ervan, in Kladow, stonden we drie jaar geleden op de camping. Berlijn vonden ook de jongens een geweldige stad, we kwamen er een jaar later nog eens terug.

Als het fietspad terug het bos in gaat begint de laatste klim, naar de 79 meters van de Karlsberg. Ik had ‘m gezien in het hoogteprofiel in de gids, maar anders had ik ‘m hier niet verwacht na alle bijna vlakke kilometers van vandaag. Ik fiets eerst nog braaf op het overbladerde en ongebruikte fietspad, maar kies net als de wielrenners toch maar voor de weg. Een uitkijktoren staat op het hoogste punt, de herfstbladeren ritselen nog even, de bomen blijven nog even langs de weg en houden dan op. De bebouwing begint, ik sla meteen daarna rechtsaf en zie de lange rechte weg vóór me die ik herken van jaren geleden. Ik ben in Berlijn. Dit is de finale.

Charlottenburger Tor, op de grens tussen de stadsdelen Charlottenburg en Tiergarten.

Klik

Iemand die eerst nog twee stukken snoer in z’n handen had, brengt die nu bij elkaar. De connectors klikken vast. De 843 kilometer onbekend Duitsland, tussen de grens bij Zwillbrock en waar ik zojuist rechtsaf ging, klikken vast aan kilometers die ik ken. Waar ik nu rijd, reed toen de stadsbus tussen de camping en Bahnhof Zoo, onze uitvalsbasis voor de stad. Ik ben terug, ik ben hier naartoe gefietst vanaf het huis waar we wonen.

Het doet me wat, ineens, onverwacht. Dat gebeurde niet bij de Notre Dame in Parijs, maar nu wel. Het voelt als een intocht, als de meters voorbijgaan, rechtdoor, steeds maar rechtdoor. Over een brug over de brede spoorzone, voorbij Charlottenburger Tor, langs de Siegessäule, dichterbij het eindpunt. Wat is dit mooi.

Ik sta zelf langs de kant om me toe te juichen, met een duim omhoog en een lach op m’n gezicht. Hoe aangeharkt Duitsland ook is, hoe veilig de wegen, hoe goed de campings en de hotels, hoe warm de zorgen, de R1 was soms een rauw spoor. De regen die de eerste dagen bleef vallen, de grijze luchten die maar bleven komen, het grove gravel, de keien onder de oranje herfstbladen, de natte kilometers in het donker. Ik heb er voor moeten werken, en dat werken heeft me iets gebracht. De eenzaamheid verliet me, de luchten werden blauw, de bossen groot. Ik heb mooie mensen ontmoet, de geschiedenis gevoeld, Duitsland van onbekende en onverwachte kanten gezien. Op de Brocken gestaan. Grizabella, Pjotr en Gus geaaid. Dat komt allemaal hier samen, op die laatste kilometers.

Fernsehturm met op de voorgrond de Alexanderplatz. De laatste avond, ik neem met tegenzin afscheid van de stad.

In Berlijn

In de verte komt de omhoogschietende spriet van de Fernsehturm in zicht. Die toren is voor mij Berlijn. Ik keek ertegenop toen ik hier in 1980 was, hij was er bij m’n bezoek in 1990, vlak na de Wende, en hij maakte indruk op onze jongens toen we hier een paar jaar geleden waren. Het verkeer houdt op, een afgezet stuk begint. Mannen met hesjes en bouwhelmen bouwen aan grote, lange tribunes aan weerszijden van de nu lege weg. Dit is werkelijk te veel eer, al is de planning wat ongelukkig.

Maar er zijn gebeurtenissen die nóg groter zijn. Zeker hier. Juist hier. Over twee weken is het precies dertig jaar geleden dat de grensovergangen in Berlijn opengingen en mensen juichend, met een glas bier en een sloophamer in de hand, op de Muur stonden. Dat wordt hier straks, op de brede avenue vóór Brandenburger Tor, groots herdacht. Voor de Tor langs liep toen de grenszone, met wachthuisjes en waarschuwingsborden. Nu lopen er kwebbelende Aziatische dames midden op het fietspad, in de bubbel van hun gesprek. Mannen op racefietsen jagen me voorbij, forensen scheren over de kruising, kinderwagens worden nog net op tijd ingehouden.

Ze deren me niet, niets zou me kunnen deren, want ik fiets hier. Hier, in Berlijn.

 

Met dank aan alle mensen onderweg, aan de routemaker, aan Elsbeth en onze beide mannen die me alle ruimte gaven, aan de lezers voor hun geduld tijdens het schrijven van dit verhaal.

Naar Berlijn | Informatie

Overzichtspagina

Aankomst.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.