Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Berlijn | Dag 4

Gütersloh komt tot leven. Het is met 08:35 uur niet vroeg meer, maar wel zaterdagmorgen. Zoals elke dag beleef ik de eerste kilometers alsof het een taartje is dat ik niet in drie happen opeet, maar waarvan ik elke kruimel proef. Ik merk nog iets. Het onbezorgde keert terug, het grijze wolkje boven m’n hoofd drijft weg. Thuis hebben Elsbeth en de mannen weekend, de herfstvakantie is voor alle drie (Elsbeth is juf) begonnen. Dat ik de afgelopen dagen op de fiets zat, waardoor er meer op hen neerkwam bij het huishouden, de ochtendrituelen en het uit school komen, voelde niet helemaal goed. In mijn plichtsbesef ben ik een nazaat van Calvijn. Soms nuttig, soms ook niet. Ze redden het thuis prima zonder mij.

Naar het avontuur

Het is geen vroege start vandaag, ik moest nog wat dingen regelen en in het weekendritme van veel hotels is geen plaats voor een vroeg ontbijt. Maar de sokken die ik gisteravond heb gewassen waren bij het opstaan droog, alles wat een accu heeft is weer opgeladen. De fiets, die vannacht veilig als in een etalage achter de glazen façade van het hotel stond, is er klaar voor. Vandaag voelt het alsof ik het echte Duitsland in ga. Het Münsterland leek nog grensgebied, vandaag verlaat ik dat definitief. Ik heb Detmold in het vooruitzicht, de eerste heuvels, de eerste klimmen die die naam mogen hebben, ik kijk ernaar uit. Ik wil naar het oosten, naar het avontuur.

De route gaat met de Ems mee onder een spoor door, Rheda in.

Het park langs de Ems.

Lus

Het is halfbewolkt, de lucht is fris, een beetje crisp. Buiten de stad gaat het even regenen (zucht), maar het is niet meer dan een wolk die overdrijft. Aan de rand ervan schijnt de zon, er vallen maar een paar dunne waaiers. De route gaat hier een stuk terug naar het zuidwesten, om via een grote lus weer oost van Gütersloh, bij Verl, uit te komen. Als je die lus afsnijdt, kort je de route met bijna 28 kilometer in. Maar ik kom voor de hele route, ik kom ook voor die lus. Die gaat naar Rheda-Wiedenbrück, een tweelingstad die door de Bundesautobahn A2 – van Oberhausen naar Berlijn – wordt doorsneden. Bij een spoorbrug kom ik Rheda binnen, samen met een smalle Ems.

Dilemma

Van Rheda zie ik alleen een park, waar de route kilometerslang doorheen loopt. Fietsbruggen, waterpartijen en de rust van de zaterdagmorgen maken het een mooi stuk. Dat zwaar wordt overschaduwd doordat ik ongelooflijk moet piesen. Het dilemma dat zich aandient is duivels. Want overal (overal!) lopen vriendelijk gedag zeggende dames hun hond uit te laten. Het is óf deze arme mensen de stuipen op het lijf jagen door unverschämt de broek te laten zakken (met het risico op een Duits gevang wegens schennispleging), óf als een volwassen man in m’n broek plassen. Het worden tekenfilmscenes waarin ik met gekruiste benen heel hard probeer aan iets anders te denken. Met de stromende Ems naast me. Tot overmaat van ramp staat Wiedenbrück vol met vakwerkhuizen die ik graag de tijd had gegeven, ware het niet dat de broekplasramp op het punt staat zich te voltrekken. Daarna volgt weer een stuk langs de rivier, waar mijn redding zich vast aan zal dienen. De fietsers op het pad moeten zich hebben afgevraagd wat er met die man op z’n rode fiets was. Uit een maisveld buiten de bebouwing zijn even later kreten van verlossing te horen. Ik houd mijn adem in en spits de oren: geen politiesirenes.

Rietberg.

Geen gewoon huis

Ook Rietberg staat vol met vakwerkhuizen. Het heeft ontegenzeglijk iets, al haalt de aanwezigheid ervan het slechtste boven in reisgidsschrijvers. Een vakwerkhuis is beslist geen gewoon huis. Het is ten minste ‘typisch’, veel vaker ‘schilderachtig’ of ‘pittoresk’, een enkele keer staan ze zelfs in een ‘schattig stadje’ – alsof de lezer van elk verstandelijk vermogen is beroofd. Reisgids- en verkleinwoorden halen de echtheid uit dingen. Het worden curiosa die geen binding met de realiteit meer hebben. Een ‘bakkertje’ is een curieus ding in een vitrine, waar je een foto van maakt, zonder te begrijpen wat er op die foto staat. Een ‘bakker’ is een vakman die z’n broden anders bakt dan thuis, omdat er andere granen in de buurt groeien, omdat de smaak en de traditie daar anders zijn. Dan sla je een brug, waarmee je de ander kunt bereiken en begrijpen. Voor mij wordt de wereld daar veel leuker en interessanter van dan een vitrine ooit zal worden.

Voor de kerk staan twee Jehova’s met borden in het Duits en in het Russisch. Als je niet bij de club komt, ben je de sjaak op de dag des oordeels. Ik besluit het risico te nemen en fiets door. Het centrum van Rietberg voelt als een skidorp zonder ski, het helle wit van de smetteloze huizen doet pijn aan m’n ogen. Maar ik was er.

Over en langs de Ölbach, op weg naar Schloss Holte.

Onderzoek

Na Rietberg ben ik weer terug in het boerenland. Wolken en strepen licht, akkers, gras, een enkele bomenrij. In Verl gebeurt wat al in Rietberg begon: een stroom auto’s die niet leuk meer is. ‘Opdonderen, allemaal!’ denk ik als ik voor de zoveelste keer strak tegen de stoeprand aan moet blijven rijden en minuten moet wachten als ik wil oversteken. Het gaat maar door, ze blijven overal vandaan komen. In de stad valt me de voortdurende aanwezigheid van auto’s niet meer op, maar nu ik uren door het platteland heb gefietst wordt weer duidelijk hoe dominant auto’s zijn, met de herrie en de nervositeit die we zomaar gewoon moeten vinden. Het verschil met de voorgaande dagen is groot, toen het midden op de dag stil was op de weg. Dat waren werkdagen, nu is het zaterdag en neemt iedereen de auto. Hoe cynisch het ook klinkt, in Duitsland is het realiteit: heb geen enkele illusie dat – behalve studenten in de stad – iemand hier de fiets neemt. Voor sommige dingen is een auto nodig, maar wat ik hier in Verl voorbij zie komen is voornamelijk luiheid. Ik heb er behoorlijk de pest over in dat ik om die luiheid regelmatig bijna de stoep op moet. Dit land, weet ik inmiddels, ligt vol mooie fietspaden en fietsstroken, maar vrijwel niemand gebruikt ze.

Vreemd

Voorbij Verl gaat het regenen. En m’n linker pedaal gaat vreemd doen. Bij elke omwenteling hoor ik een kners die ik ook voel. F…, toch niet m’n pedaallager naar de gallemiezen? Bij een stop doe ik een klein onderzoek. Pedaallagers gaan kapot door pure ouderdom, of omdat je pedaal een verkeerde tik heeft gehad. Beide is niet het geval. Het (MKS Allways) pedaal draait als een zonnetje. Ik kijk naar m’n fiets, die eruitziet als na een veldrijtraining (ik app een foto naar de vereniging, want dat is precies wat ze vanmorgen zonder mij hebben gedaan). Zand misschien? Ik maak de overgang van pedaalas naar pedaal schoon en check die met m’n vinger: geen vet, dus het (afgedichte) lager is niet lek. Met het pedaal is niets aan de hand. Het gekners blijft.

De veldrit gaat verder, in de regen, door de herfstbossen westelijk van Schloß Holte-Stuckenbrock. Over een fietspad met een dikke laag bladeren, en door de pratsj zou mijn Limburgse oma zeggen. Modder. Ik rijd me bijna vast in de natte prut, maar het is een prachtig stuk.

Schloss Holte.

Weg

Bij het vreemd-gele Schloss Holte ga ik opnieuw op zoek naar de oorzaak van het knersen. Ik kan het niet meer aanhoren. Kernvraag: wat is er nu anders dan anders (er even van uitgaande dat het geen plotseling optredende slijtage-pech is)? De hoeveelheid modder overal. Als het het pedaal niet is, is het misschien de smalle ruimte tussen crank en bracket, misschien is daar zand in gekomen. Moet haast wel. Ik spuit er een halve bidon op leeg en stap op, nergens op hopend. Het gekners is weg. De bazuinen die ik hoor zijn verbeelding, maar ze zijn er.

Raadselachtig

De vaart blijft erin. Vandaag heb ik een beetje haast, het is met 118 kilometer de langste etappe, ik wil op tijd aankomen om morgen ook op tijd te kunnen starten. De regen is opgehouden, de wind is geen factor, het landschap laat het opschieten toe. De route gaat over mooie, kleine en autoluwe wegen. Als ik Riege bereik sta ik recht tegenover het eerste stukje Berlijn op deze tocht: een segment van de Muur dat hier als monument midden in het dorp staat. Er vrijwel naast staat iets dat ik net zo bijzonder vind: een infopaneel-met-kaart over de Europa-Radweg R1, waarop de fietsroute van de Nederlandse grens tot aan Höxter staat ingetekend. Maar Höxter staat links op de kaart, Nederland rechts. Terwijl de noord-zuidoriëntatie wel klopt. De kaart is exact gespiegeld. Raadselachtig. Met het verlaten van Riege, op zo’n 105 meter, begint de route langzaam te stijgen. De hoogtelijnen die ik thuis op de kaart zag staan worden nu werkelijkheid.

Tussen Riege en Stukenbrock-Senne, op weg naar Detmold.

Ik ga op weg naar Detmold. Er komt meer bos op de route, op wegwijzers zie ik ‘Senne’ staan. Ik ken maar één Senne, van Sennelager, een groot NAVO-oefenterrein waar ik in mijn legertijd ben geweest. Geen idee of dat hier ergens is. Op een kleine lus in de route sta ik voor een kerktoren in Stukenbrock-Senne. Terwijl ik ernaar kijk weet ik ineens: ik was hier eerder, hier, op deze plek. Dat moet eind jaren tachtig geweest zijn, een ongelooflijke dertig jaar geleden.

Moor?

Noord-Duitsland gonsde toen van de NAVO-aanwezigheid, een stuk naar het noorden was een hele Nederlandse pantserbrigade gelegerd, in de omgeving van Bielefeld zat een deel van het Britse Rijnleger. Het idee: als de Sovjet-Unie aan zou vallen, hoefden we niet zo ver te rijden en niet in de file te staan naar het oosten. Als het zover zou komen, hadden we (de officieren van de pantserinfanterie-eenheid waartoe ik behoorde) onze opstellingen in de Noord-Duitse Laagvlakte al verkend. Maar waarom ik hier in Senne was, geen idee. Misschien wel die keer dat m’n chauffeur en ik drie weken lang in een Landrover rondreden, toen ik scheidsrechter was tijdens Certain Strike, een van de grootste NAVO-oefeningen ooit. Compleet met Amerikaanse infanterie- en cavalerie-eenheden, meest reservisten, die uit Texas waren overgevlogen en -gevaren. Een van de verhalen ging over een gesprek in een Amerikaanse Abrams-tank. “Driver” (zegt de tankcommandant over de intercom) “what’s the meaning of Moor? It’s on the German map.” De chauffeur antwoordt dat hij geen idee heeft, waarna de tank zich vastrijdt in een moeras en hij pas dagen later eindelijk geborgen is.

Het bestaat nog

Op een bordje staat Emsquellen, een paar kilometer zuid van hier ontspringt de Ems, vandaar dat deze in Rheda zo smal was. Ik vervolg de route, door een mooi stuk droog bos. Bij het verlaten van de bosrand ben ik in Augustdorf, inmiddels op zo’n 165 meter, waar ik iets eet en drink bij een REWE-supermarkt met bakker. Ik geef twee euro (het kost € 1,99), zeg “Danke, tschüss!” en wil weglopen. Maar ik word teruggeroepen, het meisje geeft me een cent terug. Die bestaan hier nog. Dat is Duitsland ten voeten uit: modern in veel opzichten, verbazend conservatief op andere vlakken, zoals bij alles dat met geld te maken heeft. Met PIN betalen? Bij veel winkels niet mogelijk, zeker bij bakkers niet. Ik heb dan ook meer cash bij me dan ik in jaren op zak heb gehad, in Nederland doe ik daar niets meer mee. Verderop dunnen de huizen uit en wordt de horizon zichtbaar. Ik juich van binnen: in de verte gaat het land omhoog naar een dikke groene rug die door het landschap loopt. Heuvels, wat heb ik daar naar uitgekeken.

De eerste blik op het Teutoburger Wald.

Terwijl ik gestaag verder klim en een soort col verwacht, doet de weg iets anders. Hij buigt iets naar het noorden af en steekt op een lager gedeelte de rug over, naar Detmold aan de andere kant ervan. De groene hoogten die ik in de verte zag, liggen meer naar het zuidoosten. Hoger dan een kleine 220 meter kom ik niet, waarbij ik een bord passeer naar de tankbaan rond een Truppenübungsplatz. Mijn herinnering klopte. En de trui die ik uit had gedaan in afwachting van de volgende klim mag weer aan. Dit was de klim al.

Mitmachen

De rug die ik oversteek is het Teutoburger Wald, een smalle en beboste ribbel – officieel zelfs een middelgebergte – in het landschap van ruim honderd kilometer lang. Hij begint oost van Rheine (niet ver van Enschede) op 95 meter hoogte en loopt dan verder naar het zuidoosten totdat hij bij Horn-Bad Meinberg z’n hoogste punt (446 meter) bereikt en overgaat in het Eggegebirge. De route gaat straks langs Horn, over de flanken van dat hoogste deel.

In Detmold nader ik een kruising over een weg die van links naar rechts volledig is opgebroken. Een bord waarschuwt fietsers dat de weg daarom gesperrt is. ‘Das gehen wir mitmachen!’ zeg ik tegen mezelf in best wel goed Duits. Ik maak het mee. Een kwartier later, als m’n fiets weer is opgeladen na een hachelijke afdaling en klim door dicht struikgewas, neem ik me voor dergelijke waarschuwingen voortaan serieus te nemen. Konijn.

Het mooie stuk tussen Berlebeck en Holzhausen-Externsteine.

Anders

De regen is terug, licht maar echt. Detmold doorkruis ik zonder stoppen. Stads, statig en kinderkoppig, maar ik moet door, er wachten nog aardig wat kilometers en niet zoveel uren daglicht meer. De route verlaat Detmold via een mooie weg langs een beek en komt door Heiligenkirchen en Berlebeck. Langs verspreid liggende huizen, door parken en buurten. Maar het is hier anders dan op de eerste helft van vandaag, want op de achtergrond golft en welft het land.

Na Berlebeck fiets ik die welvingen in, verrukt. Wat een mooi stuk. Ondertussen is de grijsheid die al een tijdje boven me hangt klaar met aardig doen. Het was even droog, maar ‘droog’ en ‘lichte regen’ zijn nu voorbij. Terwijl ik steeds natter word gaat het op en neer, in Holzhausen-Externsteine gaat de weg zo steil omhoog dat ik m’n fiets moet duwen. De regen zet door en wordt nog heviger, dit kan zo niet langer, boven gekomen vlucht ik Waldhotel Bärenstein in.

Beslissing

Je hebt van die regen die even tekeer gaat en dan weer afneemt of ophoudt. Dit is niet zo’n regen. Ik blijf even staan wachten in de hoop dat het minder wordt, maar het wordt juist meer. Ik weet wat er moet gebeuren, maar moet nog wennen aan het idee. De regen uitzitten is geen optie. Ik schat dat ik nog zo’n twee uur onderweg ben, de avond staat op het punt te beginnen. Elke minuut die ik nu wacht, fiets ik straks langer in het donker.

Een genomen beslissing is verlossend, ik zet m’n fiets en mezelf onder een parasol, graaf in m’n tassen en ben niet lang daarna van top tot teen regendicht. Ik stap de regen in en fiets de oranje bossen van het Teutoburger Wald binnen.

Zonde

De dingen nemen zoals ze zich aandienen vind ik de beste manier om gelukkig te blijven. Met ‘had ik maar…’ of ‘jammer dat…’ maak je je eigen ongeluk. Behalve dat het niets aan de situatie verandert, is het ook niet nuttig voor je stemming, dus doe ik het niet. Als ik het grote bos in rijd is het voor het eerst dat ik ontrouw ben aan dat principe. Het grote Teutoburger Wald, wat had ik dit graag zonder regen en met zonlicht doorfietst. Ik houd van bossen, en zeker bossen met zo’n naam. Echt zonde. De gedachte is er even, en gaat weer weg.

Triomf

Ondanks dat voel ik triomf. Want de regen deert me niet meer, met m’n waterdichte overschoenen worden zelfs m’n sokken en schoenen niet nat. Een gaaf gevoel, alsof ik onder een mobiel afdak fiets, met weinig zicht maar heel effectief. Het bos gaat aan me voorbij, met m’n capuchon ver over m’n hoofd kan ik alleen maar heel geconcentreerd kijken naar het dikke dek van oranje bladeren op de bosweg, waaronder keien en kuilen onzichtbaar zijn. Ik ga de plek voorbij waar je, als je even van de route af gaat, de Externsteine kunt zien. Bij de Rauchhütte tegenover de Silbermühle in het Silberbachtal stop ik even. Ik wil thuis even bellen, maar er is hier geen netwerk. Het bos hangt vol geuren.

Het bos houdt op, het donker begint.

Geen bijgeloof

De bomen houden op, ik ben in Leopoldstal. Het wordt donker en de regen wordt minder, maar als ik dingen uit ga trekken, roep ik het over me af. Dat is geen bijgeloof, dat is praktijk. M’n benen beginnen leeg te raken, m’n maag is dat al. Ik kijk op m’n gps: ik moet er nog twintig. ‘s Morgens is dat peanuts, nu is het een emmer vol. Als in een gebed denk ik aan mijn moeder en schoonmoeder, ergens boven me, waar ze al heel lang zijn. Laat de weg niet te zeer omhoog gaan, laat de route meezitten. Ik eet wat en krijg weer spirit. Ik ga het gewoon doen. Rammen.

Van die twintig kilometer zijn er vijftien vals plat omlaag. Ik zoef en suis, ik neurie zelfs. Droog en warm. M’n geloof in wollen shirts en ondershirts is nog groter geworden. Ze houden me warm, altijd. Wol is iets wonderbaarlijks.

Gedachte

In die laatste natte anderhalf uur in het donker houd ik de druk erop. Ik sta mezelf niet toe te stoppen om iets te eten, alleen een enkele foto mag. Het gaat weer harder regenen, maar het moreel loopt geen enkele deuk op. Ik heb geen idee wat er om me heen gebeurt, ik ben alleen in een wereld die niet groter is dan wat ik in het schijnsel van m’n koplamp zie. Daarin verschijnt plotseling een roedel reeën van zo’n tien dieren, die even verstijfd staan en dan wegstuiven. Een of twee daarvan zijn wit. Er komt een gedachte in me op die ik wil uitbannen, omdat het teveel wegheeft van een zoete stichtelijke jaren-vijftigfilm. Zo’n film waarin Ingrid Bergman een missionaris speelt die Chinese kindertjes door de bergen in veiligheid brengt, met de oorlog op de hielen. Maar hij is hardnekkig en blijft terugkomen. De gedachte dat het mijn moeder was die even kwam kijken hoe het met me gaat. Zo bijzonder is het moment van de witte reeën. Het gaat zo hard en zo gemakkelijk dat het voelt alsof er iemand voor me zorgt.

Van buiten alles nat, van binnen alles droog.

Relatief

De laatste kilometers. In de zwarte verte hangen, onwerkelijk, oranje lichten knipperend in de lucht. De weg golft nog wat en gaat Nieheim binnen. En na het centrum zwetend-steil omhoog, hotel Berghof ligt inderdaad op een eh… berg. Om kwart voor acht kom ik aan en duw m’n fiets het laatste stukje naar boven. Op het lege en donkere terras staat de muziek aan. Zeiknat en wiebelend op m’n benen sta ik bij de receptie, zielsblij dat ik er ben en in acute nestelnood. De eigenaar maakt eerst rustig z’n gesprek af en checkt dan m’n reservering. Hij lijkt niet te zien hoe verzopen ik erbij sta. Het is een lesje relativering van mijn beleving. Voor hem ben ik gewoon een gast. Dat ik nat ben kan, naar buiten kijkend, kloppen. Hoe lang mijn dag was weet hij niet. Die relativering kan geen kwaad, want er gaat helemaal niets mis. Ik ben er, hongerig, beetje stuk en met 119 kilometer in de benen, maar het geeft niet, werkelijk niet.

Hij geeft me de kamersleutel en aanwijzingen waar m’n fiets kan staan. Ik ben zo leeg dat het even duurt voordat ik begrijp waar de tweede verdieping is en hoe het buiten werkt. Een garagedeur gaat open, ik zet m’n fiets binnen en loop met m’n spullen het hotel weer in. De kamer is uitstekend, mijn nest na vandaag. Het restaurant heeft op dit tijdstip alleen nog kleine dingen, dus ik bestel een Strammer Max, maar half wetend wat dat is. En een groot glas Weizen. De uitsmijter-Duitse-stijl is gelukkig niet klein, en hemels. Ik raak aan de praat met de eigenaar die lijkt te ontdooien, maar ik ben het zelf die weer mens word. Hij spreekt goed Duits, maar heeft een accent met een vette ‘l’. Ik vier het einde van de dag, in de Stube die warm is in alle opzichten en in Duitsland snel als een huiskamer voelt. Bij het vertrek vanmorgen wilde ik avontuur, dat heb ik gekregen. Dit krijgt langzaam vorm als de juiste tocht, in het juiste land. Ik bedank, betaal en loop naar boven. Waar ik aangenaam ga instorten.

Dag 5: Nieheim – Bad Gandersheim

Overzichtspagina

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.