Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Berlijn | Dag 5

De zondag begint tussen spullen die weer droog zijn, na een nacht die de energie heeft teruggebracht. Terwijl de broodjes worden afgebakken begint de eigenaar een gesprek, in het Engels. Dat ligt hem veel beter dan het wat stroeve Duits van gisteravond. Ik vraag hem waar zijn accent en hij oorspronkelijk vandaan komen. Een van zijn ouders is Rus, de ander is Amerikaan, hij heeft zowel in de VS als in Rusland gewoond. En nu hebben zijn schoonouders dit hotel gekocht. “Ik meende al een licht Russisch accent te horen” zeg ik. Maar dat blijk ik beslist verkeerd te hebben. Ik zwijg wijselijk en kijk naar buiten. “I am not too pleased with all this rain, but the farmers will surely be opening a bottle of champagne” zeg ik, na de historisch droge zomer dit jaar. Hij blijkt jaren boer te zijn geweest. “Deze regen is voor de boeren te laat”, zegt hij, “voor hen is het enige effect dat de trekkers door alle modder minder gemakkelijk het land in kunnen. Met regen is er altijd iets. Als boer was ik blij met regen, maar toen ik in de bouw werkte was regen juist slecht nieuws. Als het dak open lag belden mensen mij ‘s nachts dat er water in hun woonkamer druppelde.”

Always something going on

Het ontbijt is vorstelijk, de gastheer erg aardig. Het gaat over Duitsland en over deze streek. “Het wonderlijke aan dit land is dat je soms door het golvende platteland fietst, langs akkers en door kleine boerendorpen, en plotseling voor een hotel als dit staat, dat ik zelfs via Booking.com kon boeken” zeg ik. Zoiets (‘wat doet zo’n hotel in een dorp als Nieheim?’) dacht hij in het begin ook, maar een paar kilometer verderop ligt een testcircuit waar Mercedes, Ferrari en andere grote merken hun auto’s komen testen. “Dus ik heb hier altijd aanloop van mensen die dat circuit komen bezoeken. Ook krijg ik regelmatig fietsers over de vloer, veel Nederlanders, die zoals jij naar Berlijn fietsen. There’s always something going on here.”

Ik schud hem wel drie keer de hand en het thank you gaat meerdere keren heen en weer. Buiten aarzelt de regen, in de garage smeer ik de ketting en haal wat vuil weg. Ik hoor miauwen, een zwarte kat komt rondjes om me heen draaien en kopjes geven. Ik noem hem Pjotr, geef hem een aai en ga van start. Dag 5 naar Berlijn. Het is bijna negen uur, een vroeg ontbijt kon niet – maar heeft een mooi gesprek opgeleverd.

Geen regengrijs

Buiten Nieheim pik ik de R1 weer op. De hemel is egaal grijs, maar ik heb er geen enkele verwachting van. Het is zoals de weerman het drie dagen geleden voorspelde. Het is zoals het is. Het grijs is geen regengrijs, maar van het soort alsof je in de wolken zit. De lucht is verzadigd van vocht, dat als regenmist neerdwarrelt. In de verte liggen heuveltoppen met bossen, hier en daar een televisiemast en een enkele kasteeltoren. Slierten wolk hangen in de bomen, erboven steekt een groep windmolens de lucht in, alsof ze zonder voeten boven het land zweven. Dat waren de oranje lichtjes van gisteravond. Het open land golft tot aan de horizon, het is klimmen, dalen en weer klimmen, steeds kleine stukjes. Roofvogels vliegen op. De boerenwegen zijn smal maar verhard, de zondagmorgen laat bijna alle auto’s thuisblijven. De nummerborden ervan beginnen met ‘HX’, Höxter, het Kreis (district) waarin ik inmiddels fiets. ‘Weet je’, denk ik bij mezelf, ‘ik vind het prima zo. Als het zo blijft, grijs maar droog, zet ik daar direct m’n handtekening onder.’ Dit mistlandschap is geweldig.

Variaties op een gedeeld besef. Kruisen langs de route tussen Vörden en Eilversen.

Zonde

Op een schuur staat ‘Jehova’s’. Gisteren passeerde ik meerdere keren vrouwen in rokken die afkeurend naar mij keken alsof ik een insect was. Zou dit gebied Jehova’s-domein zijn? Van religie wil ik alles weten omdat het zoveel over mensen zegt. Religie gaat niet over geloof. Geloof gaat over niet-weten, over ruimte voor oneindige variaties op een gedeeld besef. Religie boetseert van dat waarvan we in essentie niets weten een beeld waarin het menselijke en ook alle menselijke beperktheid samenkomen. Religie gaat over mensen, niet over God. Stel dat God werkelijk goddelijk is en niet gemodelleerd naar de mens die oordeelt, veroordeelt en anderen indeelt in goed en kwaad. Stel dat in die God alle onvoorwaardelijke liefde samenkomt, en de dag des oordeels alleen op de menselijke kalender staat. Wat heb je dan, voortdurend bang voor dat oordeel, met je leven gedaan? Als ik God was, zou ik dat eeuwig zonde vinden.

Kleur

Na Eilversen verlaat ik het glooiende akkerland even. De route gaat onder beuken door, parallel aan een provinciale weg over een verhard fietspad. Kleuren vervangen de grijsheid. Wat een feest. Het pad ligt bezaaid met oranje beukenbladeren, de blaadjes aan de bomen zijn geel en groen. Een lichte regen begint, maar ik zit gelukzalig op m’n fiets. De routemaker doet dit echt goed. Inmiddels vijf dagen onderweg kan ik zeggen dat de stukken met veel verkeer waarbij je werkelijk op dezelfde rijbaan rijdt als de auto’s niet meer dan een paar honderd meter per dag zijn. De wegen zijn rustig of fiets-only, de route kiest een drukkere weg alleen als er een fietspad naast loopt, zoals hier.

Zwieren

Na het beukenbos is het nog tien kilometer naar Höxter. Een mijlpaalplaats, einde van het tweede deel in de routegids, von Münster nach Höxter. Ik begin ergens te komen.

Die kilometers zijn een heel mooi stuk, voor het grootste deel vals plat naar beneden. Het is zwieren en om me heen kijken. ‘Tralala-fietsen’ noemden we dat op reis, onbezorgd fietsen zonder dat het inspanning lijkt te kosten. Langs weides met een enkele koe, langs een provinciale weg, nog steeds door golvend land met wolkenflarden in de bomen. Het is elf graden.

In Höxter drink ik koffie bij een benzinestation. De dame achter de kassa en ik vinden een gesprekje allebei niet vervelend. Waar ik naartoe ga. Ze is in alle staten als ze hoort welke tocht ik maak. Helemaal naar Bad Gandersheim! Op haar telefoon is dat met de auto 57 minuten, maar een lieve drie uur en kwartier rijden met de fiets. Al legden ze 10.000 euro neer, dan nog zou ze het niet op de fiets doen. Ja, misschien als die fiets een motortje had en als er een goed zadel op zat, dan zouden we het er over kunnen hebben. Een jonge vrouw komt binnen, ze voegt moeiteloos in. “Mijn ideale land is Holland” zegt ze. “Nou”, zegt de vrouw achter de kassa, “dan moet je hem hebben”. “Ja, want de koffie is er goedkoper.” (Ik: “echt?” Hilariteit bij de dames. Dat ik dat niet wist! Heel bijzonder.) De kassamevrouw kan het volledig beamen. Ze ging altijd naar Ensjéde, enige nadeel was dat tanken daar zo’n gedoe was. Wij Nederlanders kwamen naar Duitsland voor de Sprit, zij ging naar Enschede voor de Kaffee en de vla. In tien minuten praten doe ik een schat aan informatie op, ik zeg gedag en ga weer verder. Ik ga het spoor over en sta aan de Weser.

In september 2005 een enorme ravage, nu een gat tussen de bebouwing.

Boem

Höxter-Centrum is iets verderop aan de rivier. Een bakker zoeken is niet aan de orde – op zondag zijn zelfs in Berlijn de winkels dicht – maar gelukkig was ik voorbereid en heb ik een voorraad aangelegd. Ik ga toch even kijken. Bij het inlezen en de voorpret thuis kwam ik bij Höxter terecht op een gebeurtenis in september 2005. Wikipedia kan dat het beste zelf vertellen: Zur größten Katastrophe der Stadt Höxter der Nachkriegszeit kam es am Morgen des 19. September 2005. Ein Selbstmörder sprengte sich in seinem Haus in direkter Nachbarschaft des historischen Rathauses mit mehr als 900 Litern Benzin in die Luft. Drei Menschen starben, mehr als 100 wurden verletzt. Ik ben lang genoeg brandweerman geweest om die plek zelf te willen zien. Van het bezienswaardige centrum blijft door de grijze schemer niets over, de treurnis druipt van de leistenen daken en de witte vakwerkgevels. Ik stap weer op. Het is niet anders.

Het brede Weserdal, aan m’n rechterhand de rivier die verderop in grote lussen naar het noorden stroomt.

Het fietspad langs de Weser maakt heel veel goed, eigenlijk alles. Na Höxter kom ik langs de Abdij van Corvey, verscholen tussen de bomen, en blijf ik strak de rivier volgen. Stroomafwaarts, dus lichtjes dalend, over stille paden met overhangende bomen. Rivieren hebben iets rustgevends, het brede Weserdal zelfs iets romantisch. Bij een stel schapen met zwarte koppen (“Hello Shaun! And Shaun, and Shaun, and…” Maar de dames grazen onverstoorbaar verder) haal ik een Nussecke uit de fietstas, nog uit Warendorf maar net zo eeuwig houdbaar als scheepsbeschuit. Een mountainbiker komt voorbij. De eerste fietser sinds heel veel kilometers.

Laat maar komen

Bij de brug in Holzminden staat op een bord dat de Weser-Radweg, een van de populairste langeafstand-fietsroutes van Duitsland, verderop naar het noorden is afgesloten. Eigenwijs doen bij afsluitingen is niet altijd goed bevallen, dus kijk ik op de kaartjes in de routegids hoe ver de route de Weser nog volgt. Nog heel even, van de afsluiting ga ik geen last hebben. De gids sla ik regelmatig open. Niet om te kijken waar ik links- of rechtsaf moet, maar om te zien wat me te wachten staat. Dorpen (met bakkers), bos of klimmen. Ik steek de rivier en een Bundesland-grens over en ben in Niedersachsen. De rechteroever wordt gedomineerd door een enorm gebouw dat eruitziet als een kerk. Maar wel eentje met een woud aan GSM-antennes op het dak. Dan zal hij niet meer worden gebruikt.

Fake

Het is geen kerk, het is een graanopslagplaats. Ik herken het gebouw uit een YouTube-filmpje (deel van een motiverende serie over de route Arnhem-Berlijn) dat ik als voorbereiding heb bekeken. Gebouwd aan het begin van de Tweede Wereldoorlog en zo essentieel voor de voedselvoorziening dat het beslist niet gebombardeerd mocht worden. Daarom kreeg het de vorm van een woongebouw van veertien verdiepingen, compleet met (fake) dakkapellen en ramen. 55 Meter hoog en nog steeds in gebruik.

Aan de plassen op de weg te zien regent het heel licht maar ik merk er weinig van. Boven me is het duidelijk lichter geworden, het egale grijs heeft nu laagjes, ik zag zelfs een stukje blauw. Een paar kilometer voorbij Holzminden verlaat ik de rivier en het rivierdal. Ik ga stijgen. Het hoogteprofiel in de gids laat zien dat ik de komende kilometers naar het hoogste punt van vandaag klim. Laat maar komen.

Gestaag

Het landschap verandert niet. Heuvelland, rijen bomen, een enkele akker met bloemen. De route gaat via Bevern, Lobach en Arholzen naar het hoogste punt in (niet voorbij, zoals het hoogteprofiel zegt) Deensen. Volgens mijn gps op 250 meter, vanaf 90 meter in het Weserdal. Ik snap waarom de kaarttekenaar geen pijltjes heeft gebruikt, het gaat gestaag omhoog maar – op een kort stukje na een doorgaande weg bij Lobach na – nergens heftig.

Schloss Bevern.

Veel highlights bespeur ik niet. In Bevern ligt het gelijknamige Schloss groot, wit en vierkant naast de route. Bij Arholzen staat een rij stenen als grafzerken langs de weg, allemaal varianten Wesersandstein, die in meerdere steengroeves in de buurt wordt gedolven en waar het gebied van de Boven-Weser bekend om is. Op de hoogte voorbij Deensen staan grote windmolens stroom te maken. Veel spannender wordt het niet, hoewel het licht en de lucht niet bepaald meewerken.

Zegeningen

Na Deensen daal ik licht af, suizen langs de velden. In Stadtoldendorf lijkt de grijsheid z’n dieptepunt te bereiken. De sfeer is gloomy, als in stille Ardense dorpen in december, je zou er depressief van worden. Maar ik tel m’n zegeningen want echt regenen doet het niet. Voorbij Stadtoldendorf gaat het weer omhoog, terug naar zo’n 250 meter, en na een afdaling opnieuw naar die hoogte, even na Wangelnstedt. Daarmee is het klimmen vandaag grotendeels voorbij.

Karaktervormend

Bij Lüthorst gaat het regenen. Toch. Alweer. ‘Slecht weer is karaktervormend’ zeggen we als trainers tegen elkaar tijdens de veldrijtrainingen in het bos op de zaterdagmorgen. Voor de grap, als karikatuur van een legerinstructeur.

Landweg tussen Wangelnstedt en Lüthorst.

En toch werkt het zo. Elke zaterdag van oktober tot en met februari staan ze er, renners van acht (soms zeven) tot twaalf jaar. Wolken, regen, wind, kou, een enkele keer sneeuw. Plassen, modder, gladde boomwortels en zompige bosgrond. Ze schrikken nergens meer van, al heb ik voor de jongste renners wel thermosflessen warme chocomel in m’n rugzak voor een korte pauze halverwege. Alleen bij onweer of gladheid gaat een training niet door. Fietsen in de zon is leuker dan in de regen, maar als je gewend bent om het weer te nemen zoals het is vind je jezelf niet meer zo snel zielig. Als ik terugkijk op de afgelopen twee najaarstochten (door de Eifel en naar Parijs), eigenlijk naar alle tochten van de afgelopen jaren, is dit de eerste waarbij ik zoveel slecht weer heb gehad. Ik ben definitief geen mooiweerfietser meer. Maar ik ben zo langzaamaan wel een beetje klaar met de grijsheid en de regen. Een beetje veel eigenlijk. Einde zeuren, fietsen.

Aan en uit

Met m’n complete regenoutfit aan zwier ik in lange lichte afdalingen naar beneden, langs een minikasteel met tuin in Erichsburg, naar Markoldendorf, Holtensen en Hullersen. In Einbeck beroof ik een benzinestation van z’n laatste broodjes en mogen regenbroek en overschoenen weer in de fietstas. De regen die al een tijdje was veranderd in aan-en-uit spetters is echt opgehouden. Nog twintig kilometer.

Fietspad voorbij Einbeck.

Kadootje

Door het dikke wolkendek begint de schemer vroeg. Net als in de voorgaande uren houd ik de vaart erin om aan het begin van de avond op de camping te kunnen zijn. De weg blijft mild, af en toe moet ik in een dorp wat omhoog – maar dat is alles. Het laatste stuk loopt langs een spoorlijn, spectaculair onder een aantal grote autobruggen door en met een venijnig klimmetje en een forse afdaling. Het is nog niet donker als ik Bad Gandersheim (ergens onderweg is ‘Gandersheim’ plotseling op ‘Gangnam style‘ gaan lijken. Fijn, dat gaat niet meer uit m’n hoofd, @#$!) bereik.

Wat ik bij eerdere, vergelijkbare historische steden niet had heb ik nu wel: het centrum maakt indruk. Vakwerkhuizen gaan snel op een filmset lijken. Te clean, te gepolijst, te kunstmatig. Maar dit is anders, dit is heel mooi. Een oude toren is tussen de huizen gebouwd, op het centrale plein staat een soort kasteelpoort waar een kerk aan vast zit. Een kadootje aan het eind van deze dag waarvan de middag niet het mooiste stuk was. Beslist niet zelfs. Achteromkijkend was de route na Stadtoldendorf niet spannend en veel via doorgaande wegen, vaker dan voorgaande dagen op dezelfde baan als waar de auto’s rijden. Bad Gandersheim is een geweldige kers op die niet altijd lekkere taart.

Gok

Nog een laatste afdaling in het halfdonker en dan rijd ik om half zeven de camping op. Droog, op een mooie tijd en heel tevreden over hoe het vandaag is gegaan. Ik check in bij een alleraardigste vrouw en meen opnieuw een Russisch accent te horen. Ik waag de gok en zeg “spasiba” als mijn plaats is toegewezen en betaald. Ik krijg een glimlach terug: “pazhalsta”. Yess.

De camping is donker, maar hier en daar is er leven. Een vriendengroep richt hun hutten in, een man laat z’n hond uit. Ik loop over het gras naar een plek met een picknicktafel en zet in het licht van m’n hoofdlamp de tent op. Heerlijk, weer kamperen. Om zeven uur zit ik in het restaurant, achter het onvermijdelijke glas Weizen en even later ook achter een bord spaghetti stroganoff. Er zijn bijna geen gasten, als iedereen voorzien is gaan gastheer en gastvrouw ook eten. Het gesprek begint als vanzelf. De vrouw blijkt uit Kaliningrad te komen, hoofdstad van de Russische enclave die tussen Litouwen en Polen ingeklemd zit. Vóór 1945 was dat een deel van het Duitse Oost-Pruisen en heette de stad Königsberg, daarna werd het een deel van de Sovjet-Unie. Ze vertelt dat de enclave jarenlang vrijwel niets zelf maakte of verbouwde, maar alles importeerde. Door de sancties tegen Rusland stopte die import. Ze hadden opeens niets meer, een heel zware tijd. Het heeft, vertelt ze, Kaliningrad uiteindelijk sterker gemaakt omdat de mensen gedwongen werden zelf in hun voedsel en spullen te voorzien. Dat is nu aan het gebeuren.

Ontspanning

We hebben het over het opkomend nationalisme in landen als de V.S., Turkije en Rusland. Over leiders die er prat op gaan om eigenbelang boven internationale afspraken te stellen en daarmee de broze balans tussen landen moedwillig stukslaan. We hebben de herinnering gemeen aan de tijd van de Koude Oorlog, aan een oorlogsdreiging die – hoewel door de mutual assured destruction niet bijzonder reëel – er altijd was. Een tijd die we ieder van ons niet meer terug willen, zij als Russische, ik als voormalig militair van een NAVO-land. Het nieuwe tijdperk dat aanbrak toen leiders elkaar de hand schudden, legers kleiner konden worden en Russen weer mensen werden in plaats van de vijand. We hebben het over de terugkeer van de spanning. De Krim die lompweg tot een nieuw stuk van de Russische Federatie werd verklaard, Oost-Oekraïne dat hetzelfde lot beschoren leek en Rusland dat er mee wegkwam. Dat ik dacht ‘niet opnieuw, niet opnieuw’ en me toen pas realiseerde hoe opgelucht ik was over de ontspanning na de jaren negentig, over het met pensioen gaan van het beeld van ‘de Rus’ die ons zou aanvallen. Terwijl Rusland, zo legde mijn vader – zelf beroepsmilitair – altijd fijntjes uit, historisch gezien meer van ‘ons’ te vrezen had dan wij van hen. Napoleon en Hitler zijn beiden Moskou tot aan de buitenwijken genaderd.

Met de voormalige grens met de DDR niet al te ver weg gaat het ook over die tijd. Morgen ga ik die grens over, het voelt alsof ik daarmee een ander land in ga en terugga in de tijd. Ze vertellen over het hek en de grenszone, over de Brocken en over de Harz. Het gesprek brengt alles terug.

Ik bedank ze voor de aangename en bijzondere avond en loop in het vochtige donker terug naar m’n tent. Morgen gaat het beginnen.

Dag 6: Bad Gandersheim – Schierke

Overzichtspagina

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.