Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Berlijn | Dag 7

Foto hierboven: uitzicht vanaf de Brocken.

Voorzichtig, om niet teveel herrie te maken, doe ik de rits van m’n tent open. Boven me is het droog en helder. De lichten naast het tegelpad naar het campinggebouw schijnen me bij als ik zo geluidloos mogelijk m’n spullen inpak. De gasbrander maakt zacht ruisend het koffiewater heet, ik haal de laatste bakkersdingen van onderweg uit m’n tas. Ik ontbijt in alle stilte en ondanks dat ik heel tevreden ben over het tijdstip waarop ik dadelijk zal wegfietsen, ben ik niet helemaal happy.

Alleen

Een gevoel wegwuiven helpt niet, dan blijft het zitten. Ik daag mezelf uit met het ondenkbare. ‘Wil je naar huis?’ vraag ik. Het antwoord komt direct: ‘nee’. Ik wil elke kilometer fietsen die nog vóór me ligt. Het is niet de tocht, ik ben het zelf. Het alleen zijn valt me even zwaar, dat heb ik nog niet eerder gehad. Op weg naar Parijs genoot ik daarvan, maar Parijs was in meer opzichten anders. Terugkijkend schudde ik die tocht uit m’n mouw. Fysiek best stevig, door de zelfgekozen lange dagen met redelijk wat kilometers, maar mentaal hing er nooit een grijze wolk boven me. Het thema was licht, de dagen zonnig, het landschap het mijne. Ik hou van Wallonië, van Frankrijk, van het zuiden. Tot gisteren was ‘grijsheid’ het thema van deze tocht. Regen, wolken, nog meer regen, nog meer wolken. Die grijsheid is in me gaan zitten en heeft me nog niet verlaten, daar was de zon van gisterenmorgen niet sterk genoeg voor, daar kon het Duitse landschap niet tegenop. Daar kwam wat materiaalpech bij, een knarsend pedaal, een niet-opladende telefoon, een fietscomputer die hapert, remblokjes die – zag ik gisteren – verder op zijn dan ik in een berglandschap zou willen. Het gaat nergens over, maar de grijsheid heeft het uitvergroot en het onbezorgde uit me verdreven.

Het gevoel benoemen helpt, evenals het in perspectief zetten. Terugdenkend aan de afgelopen dagen heb ik het naar m’n zin, fietsend door dit goeddeels onbekende land met aardige mensen en de geweldige Konditoreien onderweg. Denkend aan vandaag heb ik zin in de klim, de Brocken, de Harz, de zelfgemaakte rimpel in de wat stille vijver van de R1. Het is nog geen zeven uur als ik wegfiets van de camping in rust. Een goed begin.

Weg

De huizen van Schierke staan roerloos in het oranje straatlicht. Ze doen statig aan in het slapende dorp, het eerste in de voormalige DDR. Ik probeer te ontdekken of ik verschillen zie met de dorpen van de afgelopen dagen, maar de bomen nemen het weer over. De klim begint, over een weg van perfect asfalt. De 500 hoogtemeters tot de top zijn te overzien, ik hak ze in stukken – ik ben geen wielrenner die in één keer naar boven gaat voor een goede Strava-ranking. De weg stijgt geleidelijk, waar de bomen wegvallen is de horizon zichtbaar, met oranjerode strepen van de dag die in aantocht is. De frisse berglucht veegt m’n hoofd schoon, de malaise van vanochtend is weg, ik voel me gelukkig. Er is niemand, af en toe komt er een vrachtwagen langs. Daarnet een rode met op de zijkanten een witte golf met sierletters. Ze verkopen Coca Cola op de top.

Vriendelijk

Ik kruis een wandelpad en klim verder en hoger. De uitzichten worden groter en lichter, de zon komt op. Om me heen krimpen de bomen tot spichtige stammen met grijsgroene basten, alsof ik in Noord-Zweden fiets. De hoogtemeters lopen gestaag op. Af en toe gaat het wat feller omhoog, maar de grotendeels milde helling maakt de klim vriendelijk. In een bocht zie ik schuin boven me de zendmast van de top in beeld schuiven, boven de boomgrens als op de Mont Ventoux. De zon zet de weg in helder licht, aan de horizon drijven witgrijze wolken, als ik omhoog kijk zie ik blauwe lucht. Ik steek de smalspoorlijn over die toeristentreinen tot aan de top brengt, het spoor is leeg tot waar ik het kan zien. Nog minder dan 150 meter, ‘peanuts‘ zeg ik hardop. De bomen trekken zich stilaan terug, het begint te waaien, de lucht neemt de regie over. Op het laatste rechte stukje komen de vierkante grijze gebouwen in zicht, de kaalheid van de platte top, de zendmast die als een gekantelde slagboom de lucht in steekt. Een laatste bochtje, de laatste paar meter omhoog en dan sta ik op de Brocken. M’n rechterarm gaat omhoog, alsof ik over een finishlijn fiets. Niet omdat de klim zo zwaar was, maar omdat ik deze markante plek waaraan ik zo vaak heb gedacht bereikt heb, omdat mijn plan is gelukt.

De berg heerst

Ik hobbel m’n fiets naar het stenen top-monument met plaquettes met een hoogtelijn en ‘Brocken 1142 m’ en kijk om me heen. Ontzettend gaaf om hier te staan. Op dit winderige dak van de Harz, met om me heen onwerkelijk verre uitzichten over het lichtgroene land. De berg heerst, in een straal van meer dan tweehonderd kilometer is er geen hogere top. Het is zoals ik had gehoopt, maar niet had verwacht. Wikipedia had me erop voorbereid dat de Brocken 306 dagen per jaar in de mist ligt en op 176 dagen met sneeuw is bedekt. Maar niet vandaag, niet deze ochtend. Nu sta ik hier met dit uitzicht, op deze alpiene top in de koude blauwe lucht, alsof ik duizenden meters hoger sta. Wat een moment. De omweg die ik hiervoor heb gemaakt was het waard, elke meter ervan.

Top van de Brocken, op de steen een lijn waar deze precies 1142 meter hoog is. Links de zendmast uit 1973, rechts de toren van de oude zender, met op het dak een radarinstallatie van de Duitse luchtverkeersleiding.

Spartaans

Ik ontvlucht de wind, zet m’n fiets tegen de muur en ga het stationsgebouw binnen, via twee deuren met een wind- en sneeuwsluis. De gelagkamer is kaal en staat vol met bruin en spartaans DDR-meubilair, hier is in dertig jaar niets veranderd. Ik ben de enige gast. Bij het bestelluik van de keuken waar het roestvrijstaal rammelt bestel ik de grote cola die me eerder vanmorgen inhaalde. Op mooie dagen in het hoogseizoen staan hier tweeduizend mensen op de top, vertelde de campingeigenaar in Bad Gandersheim, compleet met barbecues en koelboxen. Tot het openschuiven van het IJzeren Gordijn zat in de grijze gebouwen een afluister- en grensbewakingsstation van de Stasi en het Sovjet-bezettingsleger en was de Brocken off-limits voor burgers en bezoekers. Sinds 1990 mag iedereen weer naar boven, maar vandaag zie ik precies acht mensen.

De cola is op, de foto’s gemaakt, de triomf beleefd. Ik doe m’n handschoenen aan en ga naar beneden.

Het voordeel van een milde stijging is dat je bij de afdaling kunt laten gaan zonder je velgen witheet te hoeven remmen. Ik zing het wat-heb-ik-dit-goed-bedacht overwinningslied terwijl de wind langs m’n hoofd raast en de banden over het asfalt zoeven. De eerste kilometers dubbel ik, maar ik heb er thuis werk van gemaakt om een andere weg naar beneden te vinden, zodat ik niet nog eens langs Schierke hoef maar meteen de goede kant opga, naar het oosten. Die weg heb ik gevonden, maar ik kon uit het fietsverhaal niet afleiden of het een mountainbike-trail of een bosweg was. Het was in elk geval te doen met een fiets. Ik kom het pad tegen dat ik op weg naar boven kruiste en kijk op m’n gps. Dit is ‘m, hier ga ik de verharde weg af en het bos in. Leve het avontuur.

Uitzicht vanaf de Trudenstein.

Het kan net

De weg die ik naar beneden volg is de Glashüttenweg, waarover ook een deel van langeafstandswandelpad Harzer Hexenstieg loopt. Het eerste stuk is mooi grijs gravel, dat daarna verandert in grote witte keien met grind, zand en ribbels. Het is denderen en hotsebotsen, maar m’n Vittorio is niet te overwoekerd met bagage en de combinatie van 37 mm-banden en het niet-starre stalen frame kan heel veel aan zonder m’n botten van hun plaats te laten rammelen. De keien verdwijnen weer, het brede gravel brengt opnieuw rust en een glimlach op m’n gezicht. Gravel wordt harde bosgrond, een zompig dennennaalden-dek en weer bosgrond. Opgeteld een erg mooi stuk en goed te fietsen, al moet ik m’n blik strak op het pad houden en heel goed kijken waar ik rijd. Als ik, naar beneden zoevend en slalommend, één kei mis vlieg ik door de lucht. Veel remmen, maar m’n velgen zijn droog, de remblokjes gaan het tot Berlijn volhouden. Ik krijg m’n avontuur, het pad is mooi en gaat door prachtige stukken bos langs de helling van de Brocken naar beneden. Een enkele weide, een enkele rotsformatie, een geweldige rit. Van sommige delen zou je kunnen denken ‘eigenlijk kan dit niet’, misschien kon het ook eigenlijk maar net, maar het kon. Heimelijk vind ik dat de mooiste routestukken.

Ik stop even bij de Trudenstein, een rotsformatie waar je via stalen ladders en relingen op kunt klimmen. Ik kijk uit over de Harz, maak een paar foto’s, heb het heel erg naar m’n zin en fiets het laatste stukje naar Drei Annen Hohne.

Elbingerode.

Anders

Op de kruising met de verharde weg, op 550 meter, kijk ik om me heen. Een spoorwegovergang, geparkeerde auto’s en wandelaars, informatieborden over de Harz en de wandelroutes die hier beginnen. Het voelt anders dan de voorbije dagen, zonder dat ik het precies kan benoemen. Het landschap is minder vol en minder druk. Vijf dalende kilometers verder ben ik in Elbingerode. De zon schijnt aangenaam op m’n huid, de Brocken-wind is weg, het is Konditorei-tijd. Ik kijk om me heen alsof ik in het eerste dorp van een nieuw land ben. Is dit anders dan im Westen? Zo voelt het wel, opnieuw. De huizen lijken kleurlozer en soberder, er zijn minder reclame- en uithangborden, het straatbeeld is rustig. Het zou een Zweeds dorp kunnen zijn. Ik kijk op Google Maps waar een bakkerij is en vind die pas als ik er bijna voor sta, zo weggestopt is het gebouw. Als ik binnenstap gaat een stel Pools sprekende klanten net naar buiten, ik ben de enige aan het groepje tafels en stoelen.

Wende

De vrouw achter de vitrine brengt een grote koffie met Schnecken (in Frankrijk heten ze escargot of pain aux raisins). Ik vraag haar of er veel veranderd is in dertig jaar. ‘Ja’ zegt ze, ‘maar er zijn ook dingen terugveranderd. Meteen na de Wende vestigden zich hier veel winkels, maar die zijn ook een voor een weer weggegaan. De omzet viel tegen, het systeem veranderde maar de mensen niet.’ Ik zeg haar dat ik het fascinerend vind dat er ooit twee Duitslanden hebben bestaan. Dat ik als 16-jarige in de DDR was, met in m’n hoofd het idee dat de mensen er ongelukkig waren. Ze hadden veel minder welvaart, ze mochten niet zeggen wat ze wilden, ze mochten niet doen wat ze wilden, ze mochten niet reizen waarheen ze wilden. Dus die waren beslist ongelukkig. Kon niet anders.

Totdat we op een avond in Leipzig met een groepje de stad in gingen. Een gids, waarschijnlijk een Stasi-man, moest altijd mee en liep achter ons aan. Maar door ons op te splitsen en een paar keer snel links- en rechtsaf te gaan schudden we hem af. We kwamen terecht in een soort jeugdhonk van een Evangelischer Gemeinde, waar we de hele avond praatten en wijn dronken. De jongeren waarmee we spraken bleken helemaal niet ongelukkig. Nee, sommige dingen konden niet, maar bepaalde dingen waren ook beter dan in het Westen. Iedereen had werk, de scholen en de gezondheidszorg waren gratis, er was veel aandacht voor kunst en cultuur. ‘En weinig criminaliteit’ dacht ik bij mezelf, ik heb me nog nooit zo veilig in een grote stad gevoeld. Wat ik me toen realiseerde was dat we in het Westen net zo goed propaganda hebben als in het Oosten, een propaganda die een beeld van de ander neerzet dat gekleurd is door het systeem waaruit het voortkomt. Wij zijn de gelukkigen, zij zijn de beklagenswaardigen. Ik leerde dat dingen niet zwart-wit zijn en dat elk beeld van de werkelijkheid gemanipuleerd is, ook het onze. Die les maakte de wereld voor mij interessanter, mijn wereldbeeld echter. De ander veranderde van een abstractie in een mens zoals ikzelf.

Voorbij

Ze denkt terug aan het najaar van 1989. ‘Het was heel vreemd. Plotseling, van de ene dag op de andere, was het pats! voorbij. In de aanloop er naartoe waren er wel allerlei demonstraties, zoals in Leipzig, waarbij mensen de straat opgingen.’ ‘Maar’, zegt ze, ‘das hatten wir nicht mitgekricht‘. Die aanloop naar de val van de Muur en de opening van het IJzeren Gordijn hadden ze hier in een klein dorp in de Harz gemist en van de ene dag op de andere ging de grens open. Vóór die tijd was het zo dat je een Genämigung (toestemming van de autoriteiten) nodig had om in de buurt van de grens te mogen komen. Daar lag een dorp waar familie van haar woonde. Als er een verjaardag was of een ander feest, was het een heel gedoe om voor iedereen die naar dat feest wilde toestemming te regelen om te mogen gaan. Dat was in één klap allemaal voorbij.

Ik koop nog wat Schnecken voor onderweg, bedank haar voor het gesprek en de goeie koffie en fiets het dorp uit.

Galgenberg bij Elbingerode.

Links de kalksteengroeve, rechts aan de horizon (bijna recht boven het verlengde van de weg) de Brocken.

Machtig mooi

De lucht is blauw met vegen wit, vóór me liggen glooiende groene heuvels, achter me de bossen van de Oberharz. Ik fiets langs een rand met blootliggende kalksteenrotsen, met de Galgenberg als hoogste punt. Daar werden in vroeger tijden mensen opgehangen – als ze daartoe veroordeeld waren tenminste. Een korte klim over de grote wit-grijze keien die ik inmiddels zo goed ken, dan weer vlak. Het landschap is wonderlijk, ik waan me op de een of andere manier in Oezbekistan. Wat verderop ligt een kalksteengroeve en passeer ik een bord dat uitlegt dat de lijnen in het landschap van een nu verdwenen dorp uit de tweede en derde eeuw zijn. Archeologen hebben er resten van gevonden, hier en daar zie je er nog sporen van. Bruine koeien grazen in het hoge gras, als ik achter me kijk zie ik de Brocken liggen. Vreemd dat ik daar een paar uur geleden bovenop stond. Vreemd en machtig mooi.

De gravelweg is van de kwaliteit die ik thuis op de Google-satellietfoto meende te zien en prima te fietsen. Bij Hüttenrode steekt hij Bundesstraße 27 over en wordt de L94, een niet al te drukke asfaltweg door het bos die verderop strak de loop van de Bode begint te volgen. De rivier loopt hier door een smalle kloof, met rotsen links en rechts van de weg. Aan het water liggen kleine dorpen en stukken weelderig groen, met statige huizen als mini-kastelen uit een sprookje. De weg daalt naar 270 meter in Treseburg, waar ik linksaf sla naar de L93, terugschakel en begin aan de laatste echte klim van vandaag.

Hotel Bodeblick in Treseburg, in het smalle dal van de Bode.

Het Bodetal

Na drie kilometer sla ik rechtsaf de kleinere weg in naar Thale. Het is uiteindelijk 165 meter omhoog naar het plateau bovenaan de kloof van de Bode, waarvan ik thuis en in de R1-routegids foto’s heb gezien. Daar wil ik beslist langs. Ondertussen is de lucht bijna wolkenloos blauw, de zon warm en fiets ik in een ondershirt naar boven. Niet eerder deze tocht zijn de zweetdruppeltjes op m’n voorhoofd zo welkom.

Om bij het uitkijkpunt te komen moet ik een dikke kilometer van de route af, naar de rand van de kloof. Ik vraag aan een paar wandelaars hoe ik daar het beste kom, de kaart komt tevoorschijn, samen met een heel gesprek. Even later kijk ik vanaf een soort balkon uit over het Bodetal. Er zitten wat bomen in de weg, voor de beste blik op de diepte en de rotswanden moet ik eigenlijk een stuk via een wandelpad naar beneden. Maar ik moet nog wat kilometers vandaag, de middag vordert. Ik maak een foto van Thale in de vlakten vóór me en fiets terug naar de hoofdweg.

Uitzicht vanaf de rand van de Bode-kloof. Links ligt Thale, de Bode stroomt vanaf rechtsonder de vlakten in.

Westwerk van Schloss Ballenstedt.

De afdaling begint vrijwel meteen, via haarspelden steil terug de vlakten in. Als je hier naar boven moet heb je het slecht, naar beneden toe moet ik mijn rode reisgenoot flink temmen om niet de bocht uit te gaan. Ik verlaat de hoogte en verlaat de Harz. Jammer, maar ik was er, dit was beslist de mooiste dag tot nu toe. De klim, de Brocken, de bijzondere afdaling, Elbingerode, de Bode. Soms hard werken, steeds veel te zien, five stars out of five.

Uitrijden

Aan de rand van Thale zit ik op 190 meter en pik ik de R1 weer op, die de kleine stad niet ingaat maar de groene noordrand van de Harz blijft volgen. Vandaag wachten me nog 32 kilometer tot de plek waar ik vannacht slaap. Ze voelen als uitrijden, een relaxed stuk dat na Thale over licht glooiende landwegen gaat. Links aan de horizon ligt, nog net zichtbaar, de Teufelsmauer, een smalle zandstenen rand van rotsen die als een muur door het landschap loopt. De middag wordt namiddag, de zon blijft mild en helder schijnen, de route is kalm. Ik begin me na zeven dagen een beetje veteraan te voelen, geen R1-beginneling meer die nog niets heeft meegemaakt. M’n benen houden zich heel goed, terwijl ze een week geen rust hebben gehad en vandaag wat actie gezien hebben. Ik geef ze een compliment, ze moeten nog een stukje tot Brandenburger Tor.

Na Gernrode gaat het nog even omhoog, naar 270 meter, daarna daalt de route door het bos en door een park naar Schloss Ballenstedt, waarvan het ruwstenen Westwerk boven het park uitsteekt. Op het plein aan de andere kant van het barokke slot, waar in vroeger tijden de vorst van Anhalt-Bernburg woonde, doen de smetteloos witte gebouwen met de fel oranjerode daken onwerkelijk aan. Straten en stoepen worden gerenoveerd, als de bouwhekken weer weg zijn zal het er hier als een sprookje uitzien.

Pension Karina

De zon zakt, nog een paar kilometer. De lucht wordt aangenaam fris, het zonlicht geel, de plooien van de akkers vullen zich met schaduw. In Ermsleben vind ik in een buitenwijk Pension Karina, dat ik herken van m’n online verkenning via Google Streetview. Het pension heeft geen eigen website, maar met ‘pension Karina Ermsleben’ vindt Google het direct. Aan een kleine binnenplaats ligt een serre, ik bel aan, een vrouw doet open en heet me welkom.

Haar stem klinkt breekbaar, maar haar houding is ferm, haar lach warm. Ze gaat me vóór, biedt aan bagage te dragen, doet het licht voor me aan in de donkere hal. De kamers liggen op de bovenverdiepingen van het gebouw, als ze de kamerdeur voor me opendoet ben ik twaalf en bij mijn oma in Limburg, meer dan veertig jaar geleden. Het dekbedovertrek heeft een keukendoek-ruitje, de meubels hebben een lange staat van dienst. De gekleurde handdoeken zijn veelgebruikt, maar schoon. Het zijn de handdoeken van mijn moeder en mijn oma, het zijn lieve handdoeken. Ik verkies ze boven elke 1-kilo-wegende hotelhanddoek. Het is de eenvoudigste kamer tot nu toe, het is de kamer waar ik me het meest thuisvoel.

Beneden in de serre mag ik alle vochtige spullen uithangen en mijn tent opzetten om te laten drogen. Het enige restaurant in Ermsleben is gesloten, maar aan de rand van het dorp, bij een supermarkt, moet een döner zijn.

Onderweg

Ik doe m’n licht aan en race op een kale fiets via de stoep (het is eenrichtingsverkeer, in de verkeerde richting) Ermsleben door, naar het donker buiten het centrum. Naast een helverlichte supermarkt is een pleintje met een soort permanente foodtruck en een partytent. Zoiets als oma’s gebakskraam, maar dan van Mehmet en zonder gebak. Ik bestel een groot bord vol en val dat onder het afdak aan. Mensen komen eten halen, op brommers en met auto’s. Ik voel me heel erg onderweg, op een milde herfstavond net buiten de Harz, in een ander Duitsland. Een mooie avond na een mooie dag.

Bij het bestellen hoorde ik de mannen tamam (OK) tegen elkaar zeggen. Dat is Turks, maar de rest van de woorden was dat niet. Het zijn waarschijnlijk Koerden. Ik denk terug aan onze fietsreis van jaren geleden, toen we door Koerdisch Oost-Turkije richting Iran fietsten. Even ben ik nog verder weg, en is de tocht niet over drie dagen afgelopen en Berlijn niet mijn doel. Ik sta op, breng het lege bord terug en vraag het de man bij het afrekenen. Koerden. Ik geef ‘m een fooi en stap op de fiets. Terug naar m’n kamer uit het verleden.

Dag 8 | Ermsleben – Mosigkau (binnenkort)

2 reacties

  1. Wat een avontuur Piet. Heerlijk om te lezen. Ik ben benieuwd naar de afloop. Groet

    • De komende weken ga ik vaart zetten achter het beschrijven van de drie laatste fietsdagen. Leuk om te weten dat iemand dit volgt, bedankt voor je reactie!

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.