Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Berlijn | Dag 9

Ingang van Pension ‘Hinter dem Rößling’ in Mosigkau.

Foto hierboven: Lutherstadt Wittenberg, aan de Elbe.

Om tien voor zeven sta ik buiten. Het is donker en droog, de lucht weet nog niet wat hij gaat doen vandaag, fris of aangenaam worden. Achter ramen brandt licht, een auto met mannen rijdt weg. Ik loop naar de Imbiss, het lage gebouwtje naast het pension waar ik kan ontbijten. In een zacht verlichte ruimte staan houten tafels en stoelen, eenvoudig en kleurloos. Wat verder naar achteren staat de dame van gisteren in de betegelde open keuken het ontbijt te maken. Bakpannen spetteren, het ruikt er naar koffie en heet vet. Ze wenst me goedemorgen en reddert met dezelfde energie en opgewektheid als gisteren heen en weer. Hier wil ik zijn.

Of ik roerei wil, koffie of thee en of ik er Leberkäse bij wil. “Ehm, wat is dat?” vraag ik. “Nou gewoon, Leberkäse!” Ze haalt het uit de koelkast. Bij het zien ervan voel ik m’n aders zich samenknijpen. Een paar plakken daarvan en er gaat geen bloed meer doorheen. “Nein, danke” zeg ik, ze moet lachen om mijn niet helemaal onderdrukte terugdeins-reflex. Of ik dan Zwiebel wil. De gebakken-uienlucht is inmiddels zo dik dat ik al een heel netje binnen heb. Maar Schinken sta ik mezelf wel toe. “Drie of vier eieren?” “Drei bitte“. Met een broodje erbij, schijfjes komkommer ernaast en koffie zoveel ik wil. Ik ga zitten, terwijl zij m’n ontbijt maakt. Een man in een grote werkbroek komt binnen, groet en bestelt alles wat ze net opnoemde.

Echte mensen

In dit pension wonen werkers, wat ze hier maakt is een werkmansontbijt, voor kerels die de hele dag op hun knieën klinkers op hun plaats kloppen of met zakken cement sjouwen die zwaarder zijn dan elke Arbo-regel toestaat. Die hebben niet genoeg aan een croissantje en een kopje thee. Ik ook niet trouwens, het bord is leeg voor ik het weet. Op dit soort plekken voelt het alsof ik contact maak met de echte wereld en met echte mensen. Ik wil eigenlijk bijtijds op m’n fiets zitten, maar het is heerlijk om even te kleppen over wat er leeft en gebeurt. Ik ben hier niet alleen voor de bomen en de velden, ik ben hier ook voor de mensen en de verhalen die ze vertellen. De DDR als onderwerp is onvermijdelijk.

Appartementengebouw bij het uitrijden van het dorp.

Drüben

Als kind groeide ze op in de DDR, ze moet minder jong zijn dan ik haar schatte. “Voor mij was het goed” zegt ze, “ik heb een leuke en beschermde jeugd gehad. Wat je niet kent, dat mis je ook niet.” Net als in andere gesprekken valt het woord gemeenschapszin. “Dat is nu nog steeds zo, als je bij een arts komt waarbij het spreekuur eigenlijk voorbij is, helpt hij je vaak toch. Soms hoef je niet eens te betalen.” “Drüben [aan de andere kant] is het veel meer ieder voor zich, niemand heeft meer tijd voor elkaar. Mensen zijn veel gehaaster, iedereen is met z’n Handy [telefoon] bezig.” “Vroeger in de Waldorfschule [Vrije School] deden we veel samen, ook dingen voor de samenleving. Ze zijn nu bezig om dat weer terug te brengen. Daar moet het 2019 voor worden om weer te ontdekken dat samen ergens aan werken goed is voor de gemeenschap en voor de mensen zelf.”

Minder, maar niet slechter

De man in werkkleding laat van zich horen. Hij is uitgesproken. “In de DDR was het wat sociale omgeving betreft beter. Alle andere dingen waren slechter. Maar je hoefde je geen zorgen te maken over of het morgen wel goed zou gaan. Want het ging morgen goed. Je had het gevoel dat de staat voor je zorgde en over je waakte. Mensen in de steden hebben waarschijnlijk meer de druk ervaren van het wel of niet verboden zijn van dingen. Maar in de dorpen kregen we dat niet zo mee.” Ik hoef alleen maar te luisteren. “Met Weihnachten [Kerstmis] hadden we bananen. Daar ging geen stukje van verloren. Nu koop je een hele tros en als er drie een beetje slechter zijn blijven ze liggen en gooi je ze uiteindelijk weg. We hebben zó veel. Toen genoten we van de dingen die we hadden. We hadden minder dan nu, maar we hadden het niet per se slechter.”

Schloss Mosigkau.

Wasmachine

Ik reken een paar euro af, wens beiden welgemeend ein schöner Tag toe en stap in de weldadig frisse buitenlucht. Het is licht geworden. Lichtgrijs. Wanneer ik m’n kamer binnenga om m’n spullen te pakken ruik ik de walm van gebakken-uienlucht die in m’n kleren is gaan zitten. ‘Dat duurt een paar uur voordat die verdwenen is’ denk ik bij mezelf. Na terugkomst heeft het thuis in de gang noch dágen naar uien geroken. Uiteindelijk heb ik ook m’n fietsjas maar in de wasmachine gestopt. Om kwart over acht fiets ik weg. Best laat. Ik heb er zin in, vandaag zijn het er maar honderd tot de camping van vanavond, de laatste nacht op deze tocht. Vandaag kom ik veel meer bos tegen. Ik hou van bos.

Schloss Mosigkau, bekend en beroemd in de wijde omtrek, wordt gerestaureerd. Ik kan er niet echt bijkomen, door alle hekken lijkt de kasteeltuin op de finishplaats van een wielerwedstrijd. Misschien maar goed ook, kom ik vandaag ook nog aan fietsen toe. Aan de rand van het dorp passeer ik flatgebouwen waaruit alle levenslust verdwenen lijkt, socialistische bouw met alleen functie en geen fantasie. Ze staan er zoals ze er dertig jaar geleden ook stonden.

Zwart-wit

De eerste zeven kilometer tot aan Dessau-Roßlau gaan door een natuurgebied en over een hei. Ik overdenk het gesprek van vanmorgen. Bijzonder, net als dat van gisteren. Maar het is mooi geweest. Ik heb de vragen gesteld die in m’n hoofd zaten, ik heb antwoorden gekregen die ik soms wel, soms niet verwachtte. De verhalen die ik heb gehoord houden zich niet aan het zwart-wit van ‘in het Westen hadden de mensen het goed, in het Oosten hadden ze het slecht’. Ze gaan niet over het grote plaatje van economische en politieke systemen, maar over het dagelijks leven van mensen. In veel documentaires is de DDR alleen de dictatuur, waarin het gebeurde dat inwoners, waaronder kinderen, zonder pardon werden doodgeschoten omdat ze de grens over wilden, smachtend naar een leven met meer vrijheid. Maar in diezelfde DDR waren ook mensen met een gelukkig leven en was de samenleving zoveel hechter dan nu dat elk gesprek er over gaat. De DDR waakte en bewaakte. Voor wie het niet heeft meegemaakt zijn zowel de wreedheid van het regime als het gelukkig zijn met minder spullen misschien moeilijk voor te stellen. Maar ze bestonden wel degelijk, die beide gedaanten van dezelfde samenleving. De zwarte kant is het bekendst, maar het beeld is niet compleet zonder de grijze en de witte tinten.

Junkers

Fietspad wordt weg, langs die weg verschijnen de eerste huizen van Dessau. Rechts staat een laag hek, met een bord met Technikmuseum Hugo Junkers. Het hek staat open, een klinkerweg leidt naar vleugels en propellers. Ik ga direct in de remmen. Deze Junkers moet dé Junkers zijn. De fabrikant van de transportvliegtuigen waaruit in mei 1940 de Duitse para’s vielen die onder andere Den Haag bij verrassing wilden innemen. Geen ge-emmer met waterlinies waardoor je natte voeten kreeg, met para’s en luchtlanders was je meteen waar je wilde zijn.

De realiteit was bepaald minder glorieus. De trage golfplaten Ju-52’s werden uit de lucht en van de landingszones geschoten, dit deel van het Duitse invasieplan mislukte. Junkers maakte ook de beruchte Stuka (die van de duikvluchten met sirene). Op Wiki zie ik dat hier de fabriek van Junkers stond. Een oud deel van het vliegveld is nu museum. Daar kán ik gewoon niet voorbijfietsen. Ik kijk op m’n horloge. Een snelle stop dan.

MiG-23 op het terrein van het Junkers Technikmuseum.

In het echt

Ik voel me een indringer en vraag een man of ik even rond mag kijken. Geen probleem, een ticket hoeft pas als ik het gebouw in wil. Dat lijkt me niet verstandig, ik zet m’n fiets neer en loop verder. Verderop zie ik camokleuren en staartvlakken. Het zal toch niet! Het zal wel. Ik sta voor het eerst oog in oog met een MiG-23, NATO-codenaam Flogger. Het is ‘m echt.

Tijdens m’n jaren bij de pantserinfanterie had ik als neventaak het geven van de lessen materieelherkenning. De mini-cursus ‘Wat vliegt en rijdt daar’. Die moest iedereen met een leidinggevende functie in het bataljon volgen. Met een serie dia’s legde ik de verschillen uit tussen Hips, Hops en Hinds, tussen een T-54/55 (‘let op de ruimte tussen het eerste en tweede loopwiel’) en een T-62, tussen Floggers en Foxbats. Geen daarvan heb ik ooit in het echt gezien. Tot nu, op m’n fietstocht naar Berlijn, in dat andere deel van Duitsland. Deze MiG vliegt geen meter meer. De banden zijn leeg, de verf is vaal, maar who cares. Een man is bezig met kleine restauraties. “De Russen hebben niets te winnen bij oorlog” zegt hij, “oorlog kost geld, terwijl er geen geld wordt verdiend. De Amerikanen hebben wel iets te winnen bij oorlog, want dan verdienen ze juist geld. Alle oorlog is onzin. Dat de wereldleiders het onderling effe uitvechten.” Duidelijk verhaal. Maar met een ander perspectief dan ik zag aankomen. Ik zwaai m’n been over de stang. Zou het dan toch echt gaan gebeuren, zou ik vandaag echt gaan fietsen?

Een onwaarschijnlijk verhaal
De MiG-23 speelt de hoofdrol in een onwaarschijnlijk, maar echt gebeurd verhaal. Het is 4 juli 1989. Voor Amerikanen is het Independence Day, maar voor kolonel-vlieger Nikolai Yegorovich Skuridin van de 239e Sovjet jacht-luchtvaartdivisie is het een gewone zomerdag. Hij is net terug van vakantie en maakt die dag een trainingsvlucht in zijn MiG-23. Om 09:08 uur stijgt hij op van luchtmachtbasis Bagicz bij Kołobrzeg, niet ver van het Poolse Gdansk, aan de Oostzee. Hij is nog maar nauwelijks los van de grond als hij een knal in de linker luchtinlaat hoort. De stuwkracht van de motor loopt terug, in z’n spiegels ziet hij een rooksliert en het vliegtuig begint hoogte te verliezen. De naverbrander (‘turbo-stand’ van de motor, gebruikt bij het opstijgen en bij snelle manoeuvres bij luchtgevechten) is ermee opgehouden, maar Skuridin denkt dat de motor in z’n geheel is uitgevallen. Zo dicht bij de grond betekent dat maar één ding: eruit. Hij gebruikt z’n schietstoel, landt veilig en verwacht, omhoogkijkend, z’n MiG te zien neerstorten in de Oostzee. Maar er gebeurt iets heel anders. De MiG, zonder het gewicht van vlieger en stoel, stabiliseert en begint te klimmen. Het toestel verdwijnt uit het zicht. Ehm…
De automatische piloot van de MiG werkt feilloos en stuurt de jager in een zuidwestelijke koers, over Polen en de DDR. Maar ook de radarinstallaties aan de NATO-kant functioneren en pikken een vijandelijk vliegtuig op dat hun luchtruim binnendringt. Daar zijn procedures voor. Honderden kilometers naar het westen, op vliegbasis Soesterberg, gaat het alarm. Een scramble voor de twee dienstdoende vliegers van het 32e tactical fighter squadron, een Amerikaans F-15 squadron dat tot 1994 op Soesterberg gelegerd was. Eerst denken ze, gezien de feestdag die op de basis voor de militairen en hun families aan de gang is, aan een grap – maar eenmaal ingemeld horen ze dat het menens is. Ze moeten boven West-Duitsland een vijandelijk toestel onderscheppen.
Niet veel later zijn ze in de buurt van de MiG. Hij is alleen. Hij heeft geen bewapening onder romp of vleugels. Hij vliegt – voor luchtvaartbegrippen – stapvoets. Maar het vreemdste van alles is: de canopy is eraf en de vlieger en z’n schietstoel ontbreken. Wat ze zien moeten ze meerdere keren herhalen voordat ze geloofd worden. Een zorg minder, maar ook een zorg erbij. Geen vijandelijke actie, maar wel een toestel dat vroeg of laat ergens gaat neerstorten. De F-15’s krijgen opdracht de MiG te volgen en ‘m pas uit de lucht te halen wanneer hij boven de Noordzee is. Maar zover komt het niet. Ergens boven Nederland raakt de brandstof op, het toestel zwenkt af naar het zuiden en blijft al dalend boven land vliegen. Even lijkt het alsof het gaat neerstorten op Lille, maar met de vinger al aan de vuurknop (alles beter dan het raken van een grote stad) stort de MiG-23 neer op een boerderij in Bellegem, bij het Belgische Kortrijk. De 19-jarige Wim Delaere, die uitslaapt in z’n ouderlijk huis, komt om. Wat jaren daarvóór niet zou zijn gebeurd, gebeurt onder Gorbatsjov wel: de Russen betuigen spijt en betalen zes ton schadevergoeding. Vier maanden later schuift het IJzeren Gordijn open. Twee jaar later houdt de Sovjet-Unie op te bestaan.

De Römische Ruine (Sieben Säulen) in het Georgium, een landschapspark in Dessau.

Ergens anders

De route gaat Bauhaus-stad (een stroming in kunst en architectuur, niet de Duitse Gamma) Dessau-Roßlau niet in, maar wat ik in het voorbijgaan zie ademt onmiskenbaar Oost-Duitsland. Rechthoekig en recht omhoog, met de ramen als in een wiskundig patroon uit de betonnen muren gezaagd. De nog steeds lichtgrijze lucht en het gedimde zonlicht maken de treurnis af. Het beton wordt gelukkig afgewisseld met een park aan een grote rotonde, met een zuilenpoort die moederziel alleen in het gras staat. De Sieben Säulen, een nep-Romeinse ruïne met acht zuilen waarvan er voor het oog altijd eentje wegvalt. Ik rijd de stad uit, door een park het bos in. Heerlijk.

De overdekte houten Jagdbrücke over de Mulde komt als een totale verrassing. Alsof ik de stad niet nog maar net heb verlaten, alsof ik over de kantelen van een middeleeuwse burcht fiets. De natuur roept, ik stap af en neem de traag stromende rivier in me op. Het is stil om me heen. Geen vliegtuigmuseum of deprimerende hoogbouw. Ik ben opeens heel ergens anders.

Jagdbrücke over de Mulde.

Burgtor, een van de drie toegangspoorten tot het park Sieglitzer Berg.

Een mooi stukje asfalt

De route gaat verder over een fietspad van perfect asfalt, dat op een laag dijkje kaarsrecht door het land loopt. Rijen bomen en struiken groeien als een groen scherm aan weerszijden van het pad, daarachter een groot open weidelandschap met alleen hier en daar een boom. De zuidelijke uiterwaarden van de Elbe, die net buiten het zicht langs de lichtgroene horizon stroomt. De routegids geeft er hoog over op, dit deel van de R1, tevens onderdeel van de Elberadweg. Ik fiets hier in het Biosphärenreservat Mittelelbe dat zelfs een UNESCO-status heeft. Er leeft, vliegt en groeit hier van alles dat bijzonder is en door het reservaat beschermd wordt. Maar om eerlijk te zijn voelt het niet anders dan een mooi stukje asfalt door de weilanden. Heel aangenaam, vooral om even lekker door te kunnen raggen na de interessante – maar trage – start van vanmorgen.

De herfst is terug. Gekleurde blaadjes liggen in de berm, grote oranje bladeren liggen nat en glimmend op het pad. Een ervan blijft schurend hangen tussen band en spatbord. Verder is er geen geluid. Ik kom door het park Sieglitzer Berg aan de Elbe en rijd onder een net-echt-middeleeuwse toegangspoort door, de Burgtor. In Vockerode vind ik tussen strafkamp-hoogbouw en gebarsten betonplaten zowaar een frisse Konditorei, waar ik bijtank en insla.

Populierenbos na Vockerode.

Mooier

De bomen worden talrijker, de stukken bos groter, de route nog mooier. In een populierenbos is het pad niet meer te zien onder een laag grote gele bladeren, langs het pad een streep water. Ik ben opnieuw ergens anders. Populieren worden sparren, eiken en berken. Een Veluws bos met opgestapelde stammen en de zon, inmiddels in een blauwe hemel, die door de takken schijnt. Spoorwegen lopen overwoekerd en overgroeid tussen de bomen, de borden van de overgangen vaal en groen uitgeslagen.

Gered

Vóór me ligt een omgewaaide eik over het pad. Niet zomaar een fietspad, maar de weg naar Berlijn. Ik weet wat dit is. Een onbekende tegenstander probeert verwarring te zaaien en mijn voortgang te vertragen.

Goed opgeleid als ik ben bewaar ik m’n kalmte, stap behoedzaam (het kan een hinderlaag zijn) af en vind na een korte verkenning een bypass, verderop langs de boom. Zo doe je dat. Stressbestendigheid en oplossingsgericht denken hebben me gered. Als ik wat beter kijk zie ik dat het omweggetje tot een pad is uitgesleten, de boom ligt er waarschijnlijk al een tijdje. Ik kijk om me heen. Niemand heeft het gezien.

‘Veluws bos’ tussen Vockerode en Oranienbaum.

Herfstkleuren gaan over in een woud van kaarsrechte en bruingrijze sparrenstammen. Waarna het bos weer opengaat en een smalle beek kronkelend een spoor trekt door de bosgrond. Ik heb zelden zoveel afwisseling in een enkel bos gezien.

Gestileerde sinaasappelboom op het plein in Oranienbaum.

Oranje

Het pad verlaat de bomen, het akkerland begint. Een rijtje daken, rechts een zonderlinge pagode achter een hek, recht voor me een achthoekig tuin-theehuis-achtig gebouw met een oranje dakpanmuts. De pagode maakt deel uit van de 18e-eeuwse Engels-Chinese tuin van een groot paleis met Nederlandse roots. Dit is Oranienbaum. Bij het rechtsaf slaan voelt het meteen anders. De dorpsweg heeft iets weg van een avenue, het dorp ademt ruimte. In het midden ervan ligt rechts een statig plein dat naar een breed uitgespreid paleis leidt. Schloss Oranienbaum. In het Nederlands is dat, niet geheel onverwacht, oranjeboom. Sinaasappelboom.

De eerste versie van dit slot werd in 1685 opgeleverd als zomerverblijf voor Henriette Catharina, prinses van Oranje-Nassau. Inderdaad, onze Oranje-Nassau. Haar vader, stadhouder Frederik Hendrik van Oranje – een rechtstreekse voorvader van koning Willem-Alexander, hoefde bepaald niet elke florijn om te draaien en liet voor haar en nog drie van zijn dochters een slot in Duitsland bouwen. Zijn nageslacht was een succesverhaal, want deze vier deernes waren ieder getrouwd met een Duitse vorst. De paleizen die Frederik Hendrik liet bouwen kregen elk een naam met ‘oranje’ erin. Ter eer ende glorie van het geslacht Oranje-Nassau. De andere drie zijn Oranienburg bij Berlijn, Oranienstein bij Diez en het (niet meer bestaande) Oranienhof bij Bad Kreuznach.

Slot Oranienbaum werd ontworpen door een Nederlandse architect, die ook het plan voor de tuinen en de stad ernaast bedacht. Dat is goed te merken, de huizen om me heen zijn nergens hoger dan het slot, het hele dorp ademt ruimte en voornaamheid. Toen Henriette Catharina weduwe werd, werd het slot verbouwd en kreeg het z’n huidige vorm. Maar helaas is het ingepakt in steigers en doeken, het wordt al een tijdlang gerestaureerd. Onze prinses Beatrix is beschermvrouwe van de restauratie.

Kralen en lagen

Als je van paleizen en landschapstuinen houdt, moet je trouwens in deze omgeving zijn. Het geheel van slot en dorp maakt deel uit van Parklandschap Dessau-Wörlitz, dat als ‘werelderfgoed cultuur’ op de UNESCO-lijst staat. Voor mij is Oranienbaum opnieuw een kraal aan de bijzondere ketting van vandaag, waarbij geen enkele kraal dezelfde is. Dat is zo mooi aan fietsen. Ik rijd het dorp uit, en al snel een volgend stuk bos in.

Toegangspoort van Ferropolis.

Het fietspad, naast een onverharde bosweg, is recht, lang en van mooi asfalt. Weg en pad lopen over een brede boomloze strook, de zon is aangenaam, de bomen roerloos. De bossen van vandaag zijn allemaal stukken van de Dübener Heide, die trouwens niet zoveel Heide meer heeft. Onder al die bomen zit iets wat het landschap hier heeft bepaald. Grote lagen bruinkool. Bruinkool ontstaat wanneer een veenlaag (resten van planten en bomen die onder water staan) door lagen erboven wordt samengeperst en deels in koolstof verandert. Bij bruinkool is de druk niet erg groot geweest omdat de lagen erboven niet heel dik zijn. Bruinkool ligt dan ook relatief dicht aan de oppervlakte. Om het te winnen hoef je alleen maar een kuil te graven, open mijnbouw, Tagesbau in het Duits. Bij meer druk, dieper onder de grond, verandert bruinkool in steenkool. Door de grotere diepte waarop steenkool ligt wordt het met ondergrondse mijnbouw (met gangen en schachten) gewonnen. Toen de DDR nog bestond was het met afstand de grootste delver van bruinkool ter wereld. Huiskachels en – in het huidige Duitsland nog steeds, maar wel steeds minder – energiecentrales werden met bruinkool gestookt.

Keuzes

De open mijnbouw heeft grote gaten in het landschap achtergelaten, die volgelopen zijn met grondwater. Na het bos fiets ik langs zo’n meer, de Gremminer See. Op een schiereiland in het midden vormen de mastodont-achtige ijzeren machines die eens de bruinkool afgroeven het middelpunt van Ferropolis (IJzerstad), dat ook een evenemententerrein is. Ik sta bij de poort aan het begin van de smalle sliert land tot het park en twijfel, gefascineerd door een foto in de routegids. Heel in de verte zie ik ze staan, als getemde en nu roestende ijzeren dino’s. Maar vandaag had al zoveel momenten. Ik moet kiezen, anders ga ik morgen Berlijn niet binnenfietsen. Dat ik moet kiezen betekent dat de dag goed is, met die spirit fiets ik dóór, nu echt in de rag-modus.

Gremminer See met Ferropolis op een schiereiland.

Kopjes

Na het mooie Gräfenhainichen (waar op een terras m’n drogende sokken over de stoel het gesprek van de dag zijn) gaat de route langs akkers en over een stukje dender-gravel langs een bosrand, maar slaat dan linksaf een wederom perfect asfalt-fietspad op. Opschietasfalt, kaarsrecht en kilometers langs het spoor.

In Bergwitz, aan de gelijknamige See, ga ik via wat hellingbanen onder het spoor door. Een kat in een voortuin die me aan ziet komen rent naar me toe. Ik heb dat met vrouwen met staarten en snorharen (niet met alle vrouwen, mocht u zich schrap zetten voor stoere praat). We kletsen even bij, m’n been en fietstas krijgen kopjes van alle kanten, waarna ze me vanaf het tuinmuurtje uitzwaait. Akkers, het dorp Klitzschena tegen de blauwe lucht, bos, opnieuw een stuk langs een spoorlijn. De kilometers vliegen voorbij, zoevend over de lege fietspaden met strak zwartgrijs asfalt. Saai is het wel en fietsend door de weilanden word ik een uur lang gebombardeerd door bladluizen en kleine zwarte vliegjes. M’n zonnebril, die ik nog niet eerder op heb gehad, is nu levensreddend, ik had niet zonder gekund. Voor ik het weet sta ik aan de Elbe. Aan de overkant ligt de laatste grote kraal van vandaag. Lutherstadt Wittenberg.

Klitzschena (wie zou dat ooit bedacht hebben?) aan de horizon.

Wonderbaarlijk mooi

Ik rijd door naar het hart van de stad, de Marktplatz. Het plein met de Stadtkirche, het Rathaus en standbeelden van Martin Luther en Philipp Melanchthon (geen Duitse farao, maar Luther’s rechterhand) onder metalen baldakijnen. Het is wonderbaarlijk mooi, ik was er niet op voorbereid, beroemde plekken vallen nogal eens tegen. Dit keer niet, het avondlicht is prachtig, het plein vrijwel leeg. Geen restauratie, geen steigers of plastic, maar heldere kleuren die op een bijzondere manier bij elkaar passen. Wittenberg is niet groot (zo groot als Soest), maar hier speelde zich zo’n vijfhonderd jaar geleden een reeks gebeurtenissen af die de kerkelijke wereld op z’n kop zette. De stad staat bekend als de plek waar de Reformatie begon, de beweging die de Rooms-Katholieke Kerk opnieuw (na de afsplitsing van de Oosters-Orthodoxe kerk) in tweeën spleet. Met Martin (‘Maarten’ in Nederland, maar waarom?) Luther in de hoofdrol.

Marktplatz van Lutherstadt-Wittenberg. In het midden de Stadtkirche, links het Rathaus.

Vrije geesten
Het is het jaar 1517. De samenleving heeft de middeleeuwen ver achter zich gelaten. Mensen zijn vrijer gaan denken en de boekdrukkunst maakt de verspreiding van ideeën gemakkelijker. Ook binnen de Katholieke Kerk zijn er vrije geesten. Mannelijke leden van kloosterorden – monniken, wier hele leven aan God gewijd is – doen niet altijd dingen die het kerkelijk establishment (paus, bisschoppen en andere gezagsdragers) goed uitkomt. Sterker nog, ze hebben irritant vaak gelijk. Hun leven bestaat naast bidden uit bijbelstudie, filosoferen, het (heimelijk) bedrijven van wetenschap of het (minder heimelijk) brouwen van bier. Ze hebben alle tijd om zich te verliezen in bijbelteksten en na te denken over de diepste betekenis van religieuze leerstellingen. Bij hun zuiverheid in de leer sparen ze zichzelf niet, ze hebben afstand gedaan van alle rijkdom en lopen rond in weinig meer dan een jute zak. Dit in tegenstelling tot de decadente bende die hun kerkelijke leiders – de paus en de bisschoppen voorop – ervan hebben gemaakt.

Beeld van Luther op de Marktplatz van Wittenberg.

Een van die – Augustijner – monniken is Martin Luther. Hij brouwt geen bier, maar is al op jonge leeftijd hoogleraar theologie aan de universiteit van Wittenberg. Niet zomaar iemand dus. Luther stoort zich aan de bedenkelijke praktijken van sommige geestelijken. De bloody limit voor hem is de handel in aflaten, een soort tegoedbonnen waarmee je de zonden die je hebt begaan kon afkopen. Je moest wel biechten en sorry zeggen, maar met een aflaat hoefde je verder niets meer te doen. Geen taakstraf, geen nachthemden wassen in het armengesticht of 500 Onzevaders bidden. Met de verkoop verdiende de Kerk geld, en konden de rijken zoveel zondigen als hun spaarrekening het toeliet. Luther, denkende dat de paus het met deze handel onmogelijk eens kon zijn, besloot protest aan te tekenen. Maar wel volgens de regels van het debat. Dus verwoordde hij zijn denkbeelden als een lijst met stellingen, als discussiestuk om een dialoog (en verandering) op gang te brengen. Hij stuurde de Disputatio pro declaratione virtutis indulgentiarum per brief aan z’n bisschop. Volgens de (door historici betwiste) overlevering hing hij ze – naar de geldende regels voor theologische debatten – ook meteen op wat toen de publicator van het kerkgebouw was: de kerkdeuren.

De rest is geschiedenis. De beroemde 95 stellingen zetten iets in gang dat Luther niet had voorzien en ook niet voor ogen had gehad – een ware revolutie, later bekend als de Reformatie. Luther wilde, zoals deskundigen zeggen ‘geen andere Kerk. Hij wilde de Kerk anders.’ Maar de geest ging niet meer terug de fles in. Ondertussen was de paus het duidelijk niet eens met deze Augustijn die voor hem meende te kunnen spreken. Hij zette hem uit de kerk, maar zag wel in dat de gang naar de brandstapel er niet in zat: Luther had in korte tijd een volksbeweging op gang gebracht die openlijk werd gesteund door machtige denkers en wereldlijke vorsten. De Katholieke Kerk scheurde, Luther werd een icoon en de leer van Christus kreeg in de eeuwen erna meer versies dan ooit tevoren.

Kasteeltoren

Met m’n hoofd in de wolken en de onrust in m’n lijf eet ik de Aldi-haring van gisteren. En blijf in leven. Aan het einde van een zijstraat van het plein zie ik de toren van de Schlosskirche, de kerk waarop Luther wel of niet z’n stellingen publiceerde en waarin hij begraven is. Zo mooi als het Marktplein is, zo onthutsend lelijk is de toren. Alsof ze nog ergens een vuurtoren hadden staan, en daar maar een hoedje met tierlantijnen op hebben gezet. Zo’n belangrijk mens eer je met zoiets lelijks. De huidige kerk, ooit begonnen als kasteelkerk (vandaar de naam), is niet uit de tijd van Luther. De oorspronkelijke kerk werd eerst verwoest bij een artilleriebarrage en later nog eens bij een bestorming. Bij de herbouw werd de strakke kasteel-achtige toren voorzien van een neogotische dop in een heel andere stijl. De zonderlinge gedaante bepaalt het panorama van de stad en maakt de sfeer ervan extra bijzonder. Wittenberg is beslist een hoogtepunt van vandaag.

Maar het is ook het laatste. Ik ga weer fietsen, kilometers maken, op weg naar m’n laatste overnachtingsplek van deze tocht.

Verschrikkelijk

Over vlakke kasseien rijd ik de stad uit. Het licht begint te dimmen, de bebouwing verdwijnt, het land is er weer. En ook de gravelwegen van de afgelopen dagen, ik realiseer me dat die al weer een tijdje geleden zijn, de paden van vandaag waren erg goed. Tot nu. Ik weet weer hoe verschrikkelijk ik dit grove gravel vind. Het denderen en rammelen, de banden die soms bijna vastlopen, de snelheid die keldert. Heel erg. De weg gaat ook nog omhoog, de arme vogeltjes langs de weg horen dingen die beslist 16+ zijn. Maar, dat weet ik ook wel, het heeft vooral te maken met dat ik er wil zijn, het liefst na een comfortabel staartje van de dag.

Feldsteinkirche in Klein Marzehns.

Vlamingen

De weg daalt weer, de zon raakt de bomenrand aan de horizon, de laatste zonnestralen glijden over de velden, doodstil en groen tot aan de horizon. Eigenlijk is dit geweldig mooi. Wat maakt die weg eigenlijk uit. Ik doe m’n licht aan. Het gravel wordt bospad, het veld wordt bos en weer veld. Een dorp, nog een dorp, velden, bos. Langs de weg staat een bordje, ik fiets Kreis Potsdam-Mittelmark en deelstaat Brandenburg in. Op slag wordt het bospad een mooi asfalt-fietspad, de rust daalt neer in frame, tassen en polsen. Zalig. Raggen.

Deze streek heet Hoher Fläming, een natuurpark dat vernoemd is naar de Vlamingen (Laaglanders, Nederland en België bestonden nog niet) die in de twaalfde eeuw door stormvloeden huis en have waren kwijtgeraakt en graag ingingen op de uitnodiging van Markgraf Albrecht der Bär om zich hier, in het onbewoonde moerasgebied van dit heuvelland te komen vestigen. Ze brachten het Christendom mee en vakkennis, en bouwden hier dorpen en de eerste (veldsteen)kerken.

Gevonden

Bij Raben verlaat ik de route, op weg naar de camping op een paar kilometer afstand die ik thuis vond. Het fietspad langs een doorgaande weg blijft strak asfalt en gaat met vals plat naar beneden. Ik ga als een dolle, de schemer zet door, om twintig over zes bereik ik een groepje boerderijen die samen het dorp Rädigke zijn. Het paarse lijntje op m’n gps stopt, op het eerste huis rechts staat een campingbordje, er brandt licht aan een gebouwtje. Gevonden.

Gus.

Er is niemand. Niet op het kampeerveld, niet in het (gelukkig open) sanitairgebouw, niet in de receptie. Het donker kruipt over het veldje met een paar picknicktafels en een enkele lamp. Moederziel alleen, dat is hoe ik me voel. Ik bel de beheerder op alle nummers die ik heb. Geen gehoor. Ik check voor de zekerheid m’n mailbox nog eens en vind de bevestigingsmail. Wat kan er mis zijn? Ik analyseer mijn aannames. Wacht, dit is wel de camping, maar misschien woont de beheerder op een ander adres, verderop in het dorp bijvoorbeeld. Ik loop terug naar de weg. Het is aardedonker. Hier en daar brandt een buitenlamp, maar ik zie geen licht achter welk raam dan ook, bij welk huis dan ook. Alsof er een aanval is geweest met een geheim biologisch wapen. Alles staat er nog, maar er leeft niemand meer. Geen knipperende TV-beelden achter de gordijnen, geen man die het vuilnis buitenzet of vrouw die nog even iets uit de auto haalt. Niets. Ik ben in de verre omtrek het enige levende wezen. Ik tuur naar de gevels, op zoek naar huisnummers, lopend langs de rand van de weg. Ha, dat geeft hoop, het nummer van het campingadres ontbreekt, dat is vast een stuk terug langs de hoofdweg. Victorie voor het zuivere intellect, ik kom ergens. Terwijl ik terugloop naar m’n fiets kijk ik nog eens heel goed naar het receptiegebouwtje bij de inrit. Daarop staat het huisnummer van het campingadres. Er is geen hoop meer.

Maar deze Berlijnfietser gaat hier toch echt slapen. Ik zet m’n tent op, richt alles in en maak koffie. Pinda’s en het laatste snelvoer uit m’n fietstas vormen m’n avondeten, de rest is op, in het dorp is niets. Een rode kater (denk ik, gezien de hoekige kaaklijn) komt aanlopen en wil alle aandacht. Toch nog iemand. Hij springt op de tafel en zelfs op m’n schoot. Kopjes, spingeluiden, een goed gesprek. Ik noem ‘m eerst Groezelpoes, maar hij ziet er te verzorgd uit voor die naam. Het wordt Gus (~ is the cat at the theatre door. His name – as I ought to have told you before – is really Asparagus, but that’s such a fuzz to pronounce that we usually call him just Gus. Cats). Gus blijft bij me.

Het rambam

Ik zie autolichten. Een bestelauto parkeert bij de receptie, er stapt iemand uit die een huisje binnengaat. Ik spreek hem aan (hij schrikt zich helemaal het rambam, hij dacht ook alleen te zijn), het is iemand die hier een huisje huurt om in de omgeving klussen te doen. “Weet je”, zegt hij, “ik rijd wel even naar ‘m toe, hij woont een dorp verder.” Heel aardig, alsof ik een dorpsgenoot ben in plaats van een vreemde fietser die hij net drie minuten kent. Hij rijdt weg. Ik hoop dat hij de beheerder vindt, ik wil betaald hebben, dan ben ik vrij om morgen vroeg weg te gaan. Gewoon wegfietsen klopt niet. Met de kans dat ik in de loop van de morgen ergens wordt klemgereden door zo’n wit-met-groen Polizei-busje (waarbij je op de achtergrond een krakende mobilofoonstem hoort ‘Also, ihr habt ihn?’).

Het donker is stiller dan ooit. Ik geef Gus een aai en bel Elsbeth. Het is heerlijk om haar stem te horen. Ik verken het sanitairgebouw, douche en maak een tweede keer koffie. De tijd gaat voorbij, ik krijg de kriebels want ik wil slapen. Om negen uur hoor ik eindelijk een auto. De klusjesman is terug. “Es wurde Bier ausgegeben” zegt hij verontschuldigend. Ik denk maar even niet aan wat er had kunnen gebeuren, en hoe ik me dan gevoeld had. “De campingbeheerder was niet gekomen omdat er zich in het verleden vaker mensen hadden aangemeld die vervolgens niet waren komen opdagen.” ‘Ik merk het wel als er toch iemand komt’ had hij gedacht. Ik krijg een mooie Quittung, het is 13 euro, ik betaal het hem en bedank ‘m voor zijn geweldige hulp. Ik ruim m’n spullen op en lig om kwart voor tien in bed, later dan ik had gewild. Ik zet m’n wekker iets later. Wat maakt het uit, 5 uur is ook een mooie tijd.

Nog even kijk ik naar de roerloze spullen om me heen. De laatste nacht. Morgen tussen zes en half zeven weg, zodat ik op tijd ben voor de fanfare die voorop zal lopen bij m’n intocht, en de burgemeester niet op me hoeft te wachten die klaar staat met een snoepketting. De uitzinnige menigten die ik niet teleur wil stellen. Ik wil met daglicht aankomen, het moment beleven en ook met licht naar het hotel kunnen fietsen. Ik doe de rits van m’n slaapzak dicht. Berlijn. Morgen.

Dag 10 | Rädigke – Berlin

Overzichtspagina

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.