Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar de zee in het Zuiden | Dag 7

Vroege vuilniswagen in Marnay.

Foto hierboven: Tussen Byans-sur-Doubs en Liesle.

M’n voetstappen doorbreken de stilte van de morgen. Ik loop over het donkere veld, weg van het schijnsel van de straatverlichting, en bewater het gras aan de oever van de Ognon. Het is tien over half vijf, zojuist werd ik uitgeslapen wakker, dat komt ervan als je om kwart over negen ligt te slapen. Op de weg zie ik felle lichten, ik hoor het geluid van een vrachtwagen, van grote bakken en van mannenstemmen. Een vuilniswagen die de containers komt legen van het kanocentrum en van de camping. Even ben ik benieuwd of ze me zien, maar het zal het laatste zijn dat de mannen in hun veiligheidskleding interesseert.

Ik pak alles in, zet de ontbijtspullen op tafel en ga zitten. De brander ruist, ik leeg twee zakjes in de beker, met 300 ml water maakt dat dé ochtendkoffie. Als een prins zit ik te ontbijten. Gisteren had ik het plan om hier de lol van het fietsen te hervinden, dat is gelukt. Met de trui die ik aanhield heb ik warm genoeg geslapen. En goed. Dit is een fijne plek.

Geschenk

Om twintig over zes fiets ik weg. Met een paar graden boven nul is het best koud, ik heb een tweede trui en m’n handschoenen aan, veel vaker dan ik thuis had verwacht. Boven me glinsteren sterren in de laatste nachtlucht. Om half zeven breidt een lichtvlek zich uit boven de horizon, er is geen fietser gelukkiger dan ik. De ochtendkilometers zijn deze tocht een geschenk, elke dag weer. Langs de weg staat een bord met namen en richtingen. Ik kijk op m’n gps en dan op het bord, in de schemer speurend naar de namen. Ja, daar staat het, hier moet ik links: ‘Middellandse Zee’.

Tussen Burgille en Franey.

Ochtendnevel voorbij Lavernay.

Verkeerd

Bij Franey snijd ik een onlogisch routepuntje af. Het is voorlopig de laatste aanpassing die ik fiets. Tussen Lavernay en Ferrières-les-Bois wilde ik de kleine weg via Corcondray nemen, maar ik fiets toch de route.

Na zo’n 635 routekilometers vanaf Maastricht kan ik zeggen dat ik de route verkeerd beoordeeld heb. Toen ik thuis de beschrijving las dacht ik: een instaproute met zo min mogelijk klimmen en nergens onverhard. Waar en niet waar. Onverharde stukken kom je vrijwel niet tegen, maar wat klimmen betreft had de route ook een veel vlakker traject kunnen volgen, via de fietspaden langs Saône en Rhône, zoals ik me gisteren realiseerde.

Aanpassingen

Ik kreeg de indruk dat de route vaker dan nodig over grotere wegen liep. Dat zag ik op de kaart en het was de kritiek van een aantal Groenewegfietsers. ‘Tussen de auto’s fietsen omdat je niet wilt klimmen of niet onverhard wilt rijden is de omgekeerde wereld’ dacht ik, ‘alsof klimmen en gravel je fietsplezier omlaaghalen en het rijden in de autogekte niet. Dat ga ik anders doen’. Ik paste de route hier en daar aan: kleinere wegen, meer fietspaden en, als dat een mooiere en autoluwere route opleverde, nu en dan onverhard en met meer hoogtemeters.

Op de eerste fietsdagen was ik blij met m’n aanpassingen, het hadden er meer mogen zijn, sommige routedelen zijn niet goed. Daarna kreeg ik vertrouwen in de route. Drukke wegen waren er zelden, een enkele keer omzeilde ik ze met een aanpassing, zoals gisteren bij Gy. Ondertussen merk ik dat m’n tiendagenplan ambitieus genoeg is en ik niet verlegen zit om extra hoogtemeters of extra fietstijd. Ik zie bovendien dat aanpassingen vaker niet nodig zijn, de route is rustig genoeg. De argwaan die ik thuis had en die in het begin terecht bleek gaat, naarmate ik zuidelijker kom, stukje bij beetje overboord. Ik ben de route gaan waarderen. De meeste aanpassingen die nog komen ga ik skippen.

Tussen Corcelles-Ferrières en Ferrières-les-Bois.

Cecile.

Trasjes

Het licht wordt sterker, de nevel blijft, ik spreek m’n overdenking van de route in. Met de microfoon in de oortjes kan dat tijdens het fietsen, ik kan hele verhandelingen houden zonder een seconde te hoeven stoppen. In een weiland hoort een koe me, kijkt om zich heen en zegt “tegen wie heb je het?” “Tegen mezelf” zeg ik (als ik het terugluister om het verhaal te schrijven, maar dat begrijpt ze denk ik niet). “Zo oud ben je toch nog niet?” zegt ze, “hoewel, het gaat niet erg hard bij jou”. “Ik ga niet hard, ik ga ver” verdedig ik me. “Kennelijk” zegt ze, “je bent niet van hier. Je hebt het ook niet over trasjes, dat doen die anderen wel”. Trasjes… Mijn blik zal er net zo uit hebben gezien als mijn zwartbonte gespreksgenoot. “Ah, terrasjes” zeg ik, “hebben anderen het daar over?” “Ja, dat ze er niet zijn. Ik snap niet dat je kunt praten over iets dat er niet is. Zijn die voor kalfjes?”

“Mensen gebruiken verkleinwoorden om van iets gewoons iets bijzonders te maken. Een terras is een verzameling stoelen waar de zon op staat, een terrasje is iets uit een verhaal, op een bijzondere plek, met bijzonder gezelschap, met een bijzonder geluk”. De koe denkt even na. “Dan is dit jouw trasje” zegt ze, kijkend naar hoe ik foto’s van haar maak, met de zonnestralen om haar heen, haar adem zichtbaar als een wolkje in de gele gloed. “Nog een keer?”, ze ademt nog eens uit, nog een wolkje. “Ja, dit is mijn trasje” zeg ik. Ze knikt. “Maar ik ben er wel, het is Cécile trouwens”. “Piet” antwoord ik, “en bedankt voor het poseren”. “Ik zou niet te veel praten over dingen die er niet zijn” geeft ze me mee voor onderweg. “Dat is het lot van de verhalenverteller” antwoord ik met – denk ik – precies genoeg drama. Ik meen bij haar een lachje te zien, maar misschien ook niet. Ik zwaai haar gedag. “Ik wens je veel trasjes toe” roept ze als afscheid, “langs de weg, in dit mooie land, op groene gerrasjes”. Ik steek een duim op, zwaai nog een keer en fiets verder, het verhaal al in m’n hoofd.

La symphonie des blés, de ‘symfonie van de tarwes’.

Groenewegfietsersochtendgeluk.

Warm

In Saint-Vit kom ik terecht in een drukke ochtendspits, hoewel het niet meer is dan een groot dorp. Iedereen zit in de auto. Ik ga de stoep op en overzie de kruising. Kijk naar links. Artisan boulanger & banette La symphonie des blés. Het is de bedoeling.

In Duitsland zou dit Konditorei heten. In vitrines ligt alles uitgestald wat een bakker kan maken, bij de ramen staan tafels en stoelen, de ruimte is licht en warm, de jongen die me helpt is opgewekt en aardig. Ik bestel een café allongé (een espresso met meer water, americano in Italië), een croissant nature en twee pains aux raisins waarbij de rozijnen zijn vervangen door pépites de chocolat. “Pour manger sur place” zeg ik erbij. Met een klein volkorenbrood erbij voor vanmiddag, ik eet te veel wit en te weinig vezels. Ik ga zitten en doe m’n jas en handschoenen uit, m’n helm af. In de hoek zit een aantal mannen met donkere truien, ik knik, ze zeggen gedag. Als een van hen opstaat en naar de deur loopt zegt een ander “bonne chasse”. Jagers die na de ochtendjacht hier koffie komen drinken.

Het is als bij Marie Blachère, wanneer we bij onze familie op bezoek zijn en ’s morgens op de fiets in Livron brood gaan halen. Ik kijk om me heen, luister naar de gesprekken en de mensen. Laat me erdoor optillen. Ik neem de tijd, de kilometers interesseren me even niet. Hier wil ik zijn.

Voorbij Roset-Fluans. Links, onzichtbaar op de foto, stroomt de Doubs.

De zon breekt door de nevel.

Contrast

Ik fiets verder in de lage zon, met nevel die nog niet verdreven is. ‘Ik kan niet overdrijven hoe intens ik heb genoten van de stop in Saint-Vit’ spreek ik in, ‘dat kwam omdat ik onder de mensen was’. M’n stem breekt, een traan rolt.

Bij de bakker voelde ik weer dat ik een tocht reed, geen uitdaging. Ik was terug in Italië, waar ik op de laatste dagen naar Rome in de vroege ochtenden koffie dronk in café’s die al open waren en kleine gesprekken voerde met de mannen en vrouwen achter de toog. Dat gevoel was er weer. De warmte van La symphonie was zo anders dan het ontheemde gevoel dat me op deze tocht soms overvalt. Ik ontdek hoe sterk ik het contact met mensen heb gemist en hoe eenzaam deze onderneming is.

De lach is terug. Uiteindelijk zit ik met plezier op de fiets, al valt het alleen zijn me soms zwaar. Fietsend, me bezinnend op het verleden en hoe me dat heeft gevormd, ben ik de afgelopen jaren veranderd van een eenling in iemand die van contact houdt. Ik voel me een completer mens, ik doe mee. Dat geluk fietst hand in hand met de moeilijke momenten als dat contact er een tijd niet is. De zon breekt door de nevel heen. Ik blijf ervoor gaan.

Meer leven

Het landschap verandert, Frankrijk verandert. De glooiingen vlakken af, de hoogtes worden juist afgetekender. Rechts van me (in het westen) passeer ik Dijon, links van me (in het oosten) Besançon. Ik ga richting Lyon, hoewel het nog zo’n 170 kilometer is voordat ik die stad voorbij fiets. Een groenewegfietser zei ‘na Marnay wordt het mooier’. Ik heb genoten van het noorden, maar iets klopt er wel van, er komt meer leven in het land. Daarbij heb ik geluk met het weer. Het wordt najaarsweer, met koude ochtenden en dagen van rond de twintig graden.

Saline royale in Arc-et-Senans. Gebouwd in 1779, in een tijd dat de staat (de koning, vandaar het ‘royale’) het monopolie op de zoutwinning had en zoutbelasting hief. Het zoute water dat hier werd ingekookt tot zout werd aangevoerd uit de zoutwaterbronnen van Salins-les-Bains, 20 kilometer er vandaan. De ziederij staat juist hier omdat een groot bos dichtbij het benodigde brandhout voor de ovens leverde. Tien jaar na de bouw vaagde de Franse Revolutie met de monarchie ook het zoutmonopolie weg, kreeg de ziederij concurrentie en kwam de klad erin.

Binnen de muren van de Saline royale (foto door het hek genomen).

Overslaan

Na Liesle had ik via Champagne-sur-Loue willen fietsen, over een veel kleinere en waarschijnlijk mooiere weg dan de route. Dat ik daarmee de zoutziederij van Arc-et-Senans oversloeg gaf niet, een toeristische hotspot waarvoor je een ticket moet kopen, niet heel oud en met architectuur uit een tijd die me weinig doet. Maar ik heb vanmorgen besloten de route te fietsen en grotere aanpassingen niet te volgen. Ik ga alsnog zien wat ik had willen overslaan.

Imposant

Langs de weg kondigen vlaggen met patrimoine mondial (werelderfgoed) de bezienswaardigheid aan. En meneer Peeters had even bedacht dat dat allemaal onzin was en hij er niet langs hoefde. Rechts van me verschijnt een grasveld met een pad naar een pompeuze, Romeins-achtige ingang van een verder eenvoudig gebouw. De koninklijke zoutziederij (Saline royale) van Arc-et-Senans. Het is tien uur, ik ben de enige bezoeker. Ik loop naar de ingang, waarvan het portaal-gewelf me doet denken aan een van de ingangen van de Sagrada Família in Barcelona. Indrukwekkend. Ik zie een bordje, er lopen twee dames (van de tickets), ik vraag “mesdames, les toilettes?” Als het niet de bedoeling is die te gebruiken als je geen ticket hebt lijkt me dit een subtiele manier om dat uit te vinden. Maar ze wijzen richting het bordje. Mooi.

Na de blijde gebeurtenis was ik m’n handen bij een grote spiegel en wasbakken met warm water. Ik zie veel meer dan dat. Ik zie een badkamer. Ik loop naar buiten, eet wat, denk er nog éven over na en loop weer naar binnen, toilettas in de hand. Een minuut later sta ik me uitgebreid te scheren. Niet met ontbloot bovenlijf, dan hadden de arme dames geen ticket meer verkocht. Dames en meneren die het toilet bezoeken kijken mij wat wonderlijk aan, maar niemand zegt er wat van. Ik ook niet. Als herboren loop ik weer naar buiten, pak alles in en start de track van dag 7. M’n achterstand is, doordat ik de (langere) aanpassingen niet heb gevolgd, iets geslonken: nog maar 43 kilometer. Tevreden in alle opzichten fiets ik verder.

Parallel

Met een brug ga ik de Loue over, verlaat ik het departement Doubs en ga ik – mijlpaal – het departement Jura binnen. De grenzen van dat departement zijn niet dezelfde als die van het gebergte, dat de helft van het departement beslaat en ook door de departementen Doubs, Ain en Territoire de Belfort loopt (zie hier).

Begin van de onverharde weg (klik = groter).

Ruim acht kilometer verder neemt de route de toerit naar de N83, een grote 90 km/uur-weg, en volgt die een kleine kilometer. Thuis heb ik gezien dat parallel daaraan een onverharde weg loopt die mooi op de route aansluit. Maar misschien is die afgesloten of niet fietsbaar en hebben de routemakers dat alternatief daarom niet genomen. Aangekomen bij het begin van de onverharde weg zie ik geen hek of andere afsluiting. Fietsen.

Fietsbaar. Links het spoor, daarachter de N83 (klik = groter).

Voorbij struiken en spoorlijn loopt naast me de N83, waarover vrachtwagens langsrazen. Blij dat ik daar niet tussen fiets. Bij de toerit van de weg stond een bord ‘Arbois’. Ik kijk nog eens op de kaart. Wacht even, dat is de weg waarover Elsbeth en ik toen, op weg naar het zuiden en uiteindelijk naar Nepal, fietsten. Voorbij Arbois reed Elsbeth in de stromende regen op een stuk metaal dat een scheurtje in haar band maakte. Lek. Een ongelooflijke k-weg, dat moet de N83 geweest zijn. We hebben onszelf toen een zieligverklaring gegeven, die ons – budgetreizigers die dat maar heel zelden deden – recht gaf op een taartje eten in de eerstvolgende grote stad, Lons-le-Saunier.

De weg bestaat uit harde grond en gravel, soms met keien waarover het hotsebotsen is. In elk geval fietsbaar en 900 meter lang. Alles beter dan de N83, waar auto’s 90 km/uur mogen en er geen vluchtstrook is. Eigenlijk is het van de zotte dat dat stuk in de route zit – maar doe wat je leuk vindt.

Anders

Niet alleen het landschap is anders, ook de dorpen. De kerken zijn stoerder, huizen zien eruit alsof ze in een bergdorp staan, hoewel ik nog steeds maar op 250-300 meter zit. Onder een blauwe lucht en in de stralende zon fiets ik naar Poligny.

Aan de horizon Poligny en de eerste hoogtes van de Jura.

Mooi uitzicht, blik achterom. De vlek in het midden van de foto is Poligny.

Klim

In Poligny krijg ik het warm genoeg om m’n broekspijpen op te rollen. Hier begint een klim, als de route een stuk van de Jura meepikt. Daar heb ik naar uitgekeken, ik houd van hoogtes en bergen, wat ga ik daarvan zien? Ik neem een korte pauze en begin, op 279 meter. De klim bedraagt volgens m’n Garmin-gps 311 meter, ik ga naar 590. Dit zal de klim zijn waar de beschrijving van de route het over heeft.

De weg is niet al te druk en gaat geleidelijk, met een paar procent, omhoog. Daarna wordt het iets steiler, volgens Garmin met gemiddeld 6-7 procent en een enkele uitschieter naar 8. Goed te doen. Het is heerlijk fietsen in de schaduw van de bomen en met m’n blote onderbenen. In de zon is het best warm, al is het niet meer dan 22 graden. Ik stel me voor hoe het hier in juli moet zijn, in 35 graden. Begin oktober is een perfect fietsseizoen.

Zelfs

In Plasne ben ik boven, op 580 meter. Ik neem een paar minuten op een bank in een vierkant gebouwtje waarin vroeger een openbare waag (poids public) zat, zo een als gisteren in Contréglise. De klim is niet spannend gebleken, het stukje van 6-8 procent was het steilste deel, daarna gaat het terug naar een paar procent. Met een mooi uitzicht naar rechts, dik in orde. Maar ben ik er dan al? Volgens mij ga ik echt hoger dan 580 meter, naar 650 of misschien zelfs naar 700 meter. Ik schiet in de lach, moet je mij horen: ‘zelfs 700′. Komt door de dagen die achter me liggen, zelden vlak, maar ook niet hoog. Ik ben er nog niet, daar geloof ik niks van.

Hoogvlakte na Plasne.

Cirque de Ladoye. Onzichtbaar in de diepte onderaan de foto ontspringt de Seille.

Bron

Na Plasne daal ik iets af en fiets ik over een hoogvlakte die lang op ongeveer 530-540 meter blijft. Rechts in de berm staan mensen naar iets te kijken. Er staat een bord, ik stap af. Vanaf een klein balkon kijk ik de diepte in, naar het Cirque de Ladoye, vertaald ‘Keteldal van Ladoye(-sur-Seille)’. Waar ik naar kijk heet in de geografie een reculée, een doodlopend plat dal met aan drie kanten een hoge wand. In het doodlopende uiteinde (de cirque) van deze reculée sijpelt water uit de poreuze rotsen: de bron van de Seille, die hier ontspringt.

Ik ben er

De hoogvlakte passeert La Marre en stijgt langzaam door naar 590 meter, vlak na Mirebel en de oversteek van de D471. Ik heb het hoogste punt van de klim bereikt. Ik daal iets af door een bos, ga op een T-splitsing met de D39 linksaf en passeer op de D39 een bordje met Col de la Percée, 579 meter. Een paar honderd meter verder houd ik een stop bij een uitzichtpunt, met een blik op het dal van de Ain. Ik ben er.

Dal van de Ain.

Routevarianten in de Jura. De groene lijn is de hoofdroute, de blauwe lijn de variant voor het Cirque de Baume, de rode lijn de hogere variant via Écrille. Helemaal bovenaan ligt La Marre (klik = groter).

Vergissing

De klim ligt achter me, de route en ik beginnen aan een nieuwe fase, die van een vlak deel langs de rivier. Ik daal af naar Châtillon, in het dal van de Ain, tot bijna aan het water op 470 meter. En weer omhoog, over een bult heen van 520 meter. Dat het nog even na zou golven wist ik. In Blye, terug op 475 meter, houd ik een korte stop. Er kloppen dingen niet. Garmin zegt dat ik nog een klim voor de boeg heb die duidelijk meer is dan alleen ‘nagolven’. Langzaam maar zeker realiseer ik me welke vergissing ik gemaakt heb.

Op het deel langs de Ain heeft de route twee varianten: eentje die min of meer de rivier volgt en eentje die, wat verder naar het westen, al golvend over een hoog punt heen gaat. Daar houd ik wel van, en bovendien gaat die hogere variant over een veel kleinere, rustiger weg. Die variant, via Écrille, fiets ik. Hoe ik daarbij kom, geen idee, maar in m’n hoofd was de 590 meter bij Mirebel al het hoge punt van de Écrille-variant, het hoogste punt dat ik op de route bereik. En dacht ik dus dat ik klaar was met klimmen.

Besef

Nee. De hoogte bij Mirebel zit op de hoofdroute, niet op een variant. Voor de volledigheid: na La Marre is er nóg een variant, via Crançot om het Cirque de Baume(-les-Messieurs) te kunnen bekijken. Die variant komt in Blye weer bij de hoofdroute en omzeilt dus de hoogte bij Mirebel. Het punt waar ik de keuze heb tussen de lage variant langs de rivier en de hoge variant via Écrille moet nog komen. Het is tien over half vijf, ik zit bijna op de honderd kilometer en heb de echte klim nog voor de boeg. Die gaat over 730 meter. Wat er allemaal in m’n hoofd gebeurd is weet ik niet, want in Plasne had ik wel het besef dat ik hoger zou gaan.

De dag is nog niet voorbij, genoeg kans om in elk geval de 120 te halen, misschien meer, ik weet het niet. Eerst afdalen en dan weer omhoog naar het echte hoogste punt van de tocht. Allemaal uitvoerbaar, maar ik moet even slikken en moed verzamelen, de nieuwe realiteit moet indalen. Terwijl m’n benen bewegen merk ik, nu ik heb geaccepteerd dat de avond er heel anders uit zal zien, dat het me niet zoveel meer uitmaakt. Ook het klimmen niet. Ik zit goed op m’n zadel, m’n benen zijn sterk. En het is hierna nog maar drie dagen, ik begin wat er nog vóór me ligt te relativeren. Ik ga die tweede hoogte gewoon doen.

Motivatiestop.

Motivatiestop

De weg blijft dalen, soms suizend, waarom! Ik knijp m’n stuur bijna fijn, elke meter die ik nu verlies moet ik straks weer omhoog. In Écrille bereik ik ten slotte het laagste punt, op 400 meter. Het is zes uur, ik zit op 115 kilometer, hier gaat dadelijk de echte klim beginnen. Tijd voor een motivatiestop. Naast de weg staat wat in Duitsland een Grillplatz zou heten, een gebouwtje met een oven en stookhout, een kraan en een picknicktafel. De timing is perfect. Ik geef mezelf even rust, met volkorenbrood uit Saint-Vit en brie uit Scey.

Het eten doet me goed, de spullen verdwijnen weer in de tas, ik kijk op de kaart. Zin in? Nee. Op momenten als deze helpt maar één ding: gewoon beginnen. Het asfalt gaat onder me door, de meters lopen weer op, ik vind m’n ritme. De truc is om het in delen te doen. Waarom niet. Af en toe stop ik, kijk om me heen, haal een paar keer diep adem en ga verder.

Een heel eind

Het is tien voor zeven, op 563 meter, nog zo’n 170 te gaan. Het begint af te koelen, er is niemand meer op de weg, het is doodstil om me heen. Heel af en toe hoor ik in de verte een auto. Ik ga door, allicht, maar toch. Held, voor even. Ik wil deze klim afmaken en achter me laten, daarna weet ik – dit keer echt – zeker dat ik niet meer zo hoog kom en de lange klimstukken voorlopig voorbij zijn. Er komt er nog eentje na Crest, maar dat duurt nog even. Het gaat lekker, ik ben een heel eind. Verder.

Vlak voor Villeneuve.

Viremont

Eindbaas

De klim gedraagt zich als een onbetrouwbare tochtgenoot. Een rat. Steeds als ik de hoogtemeters heb zien oplopen (‘die meters liggen achter me’) daal ik een stuk af. Niet veel, maar niet vrolijkmakend. Klimmen is niet erg, maar liefst zonder trucs, niet nu.

Na een kleine dip na Villeneuve heeft de klim een onverwachte eindbaas. De weg gaat een dicht bos in, begint te kronkelen en verliest z’n mildheid. Garmin geeft hier en daar 12 procent aan, in het doodstille bijna-donker tussen de bomen moet ik aan de bak. Ik versla het klimmonster glorierijk en fiets door Viremont. ‘Piep’ doet Garmin, ‘klim voltooid’. Huh, ben ik er dan al? Een paar kilometer na Viremont maakt de weg een paar grote lussen, ik nam aan dat die bij de klim hoorden. Door het steile stuk in het bos heb ik de resterende hoogtemeters onverwacht snel gemaakt. Ik kijk op m’n gps: 732 meter, volgens de kaart 737. Inderdaad, dit is ‘m. De lussen zijn van de afdaling. Wat vind ik dat helemaal niet erg.

Het is vijf over half acht en bijna donker. Terwijl ik de hoogstepunt-foto maak zie ik dat m’n achterlicht (dat stroom krijgt van de naafdynamo) het niet doet. Nog nooit gebeurd. Ik frot wat met de draadjes, geen effect. Omdat goed licht over veiligheid gaat heb ik een los oplaadbaar voor- en achterlicht bij me, als backup voor een moment als dit. Actie, ik wil verder. Ik hang het achterlicht aan een tas en begin aan de afdaling.

Beloning

Het ligt achter me, heerlijk, ik ga nu echt naar de Ain om aan een nieuw deel van de route te beginnen. Ik doe de rits van m’n jas dicht, schakel op en laat me gaan. De weg maakt nog een kleine golf, verder is het dalen en dalen, virage na virage. Het is donker en flink afgekoeld, de koude lucht suist langs m’n oren, maar ik daal, ik daal, wat een beloning – al zie ik nauwelijks wat er om me heen gebeurt. De hoogte loopt terug, de lucht wordt warmer, bij een T-splitsing ga ik naar rechts en kom op de D60, de weg waarover de lagere routevariant loopt. Links, beneden me, stroomt de Ain met in de rondingen – zo lijkt het – kleine zandstrandjes. Ik had dit graag bij licht gezien. In Cernon ga ik een moment onder een lantaarnpaal zitten, rol m’n broekspijpen omlaag en eet een stuk Bonbonbloc. Er moet energie in, voor een afdaling in het donker moet ik scherp zijn.

Bij het water aangekomen, op 452 meter, zie ik een grote halve bocht met lichtjes. Dat moet een stuwdam zijn, verderop staat een bord, Barrage de Vouglans. De Ain die ik in de afdaling meende te zien is in werkelijkheid het Lac de Vouglans, een stuwmeer. Bij daglicht had ik dat kunnen zien aan de oevers, die steil uit het water oprijzen, zonder de strandjes die ik leek te zien.

Barrage de Vouglans in de Ain.

Voldaan

Door de stuwdam heeft de Ain een verval van honderd meter, ik daal af naar 347 meter. Op de kaart zie ik dat een paar kilometer verderop een dorp is, Condes, met – jawel – maar liefst twee campings, waarvan een in het dorp. Ik durf niet te geloven dat die open is, waarom zou het hier anders zijn dan in Marnay? In Condes volg ik het bordje tot een gebouw en een slagboom. Die is gesloten, allicht, het is negen uur ’s avonds. Kijken wat er gebeurt. Ik til m’n fiets over een soort vluchtheuvel en loop de camping op. Ik zie tenten en ik zie een camper. Het zal toch niet?

Ik zet m’n fiets neer en sla de rit op: 143,47 kilometer en 1753 hoogtemeters. Deze Groenewegfietser is heel voldaan. Maar ook heel moe, actie dus, plek zoeken. Ik loop een rondje. Het veldje bij binnenkomst is een kanshebber, maar verder naar rechts is handiger, daar staat het sanitairgebouw. Ik doe de ultieme camping-open/dicht-test: komt er water uit de kraan? (ja) Werken de toiletten? (ook ja) Komt er ook nog water uit de douche? (ja! Zonder kastje waar iets in moet). Niet te geloven, hier ga ik slapen. Buiten het gebouw zie ik een geschikte plek. Ik loop er naartoe. Het ruikt er naar een dood schaap dat er al een half jaar ligt: rotting. M’n neus zegt dat het uit een kliko vlakbij komt, die misschien sinds het zomerseizoen niet meer geleegd is. Hier ga ik niet staan, terug. Bij het eerste grasje staat een picknicktafel naast het helverlichte kantinegebouw. Dat wordt opnieuw geschilderd, er hangt een sterke verflucht. Dood schaap of terpentine, dat is de keuze. Ik moet zo snel mogelijk koken, de tafel-met-bank is daar perfect voor, ik haal m’n spullen en ga zitten. Als ik eerst eet kan het eten zakken terwijl ik m’n tent opzet en douche. Voor een goede nachtrust moet tussen eten en slaapzak minimaal een uur zitten, dan lig ik toch nog op een oké-tijd in bed.

De Camping municipal de Condes is de lichtgroene rand rechts van het midden (klik = groter).

Zakjes

Ik maak een zakje met spicy noodles open, in de buurtsuper hadden ze alleen deze, ik kan wel wat hebben. De lettertje op de verpakking zijn zo klein dat ik zelfs met een leesbril op en een uitvergrote foto geen idee heb wat er staat. Ik besluit dat er helemaal niemand op de hele wereld is die dit kan lezen, en dat het niet aan mij ligt en zeker niet aan mijn moeheid en ongeduld. Pfff, hoe moeilijk kan dat zijn. Water heet, noedels erin, noedels wellen, noedels eten. Ik zet water op.

De volgende uitdaging dient zich aan: de zakjes-puzzel. Er zitten twee zakjes bij, een dunne met poeder en een dikke met saus. Die saus zal er sowieso bij moeten, met het poeder kun je zelf de spicy-achtigheid regelen. Ik heb dit volledig onder controle. Een paar minuten later is alles klaar. Ik neem een kleine hap om te proeven hoeveel poeder er bij moet. En schaal in één keer op naar ‘zeer grote brand’ (scenario ‘stuur alles dat je hebt’). In ben door meerdere landen in Azië gefietst, heb overal van alles gegeten, maar dit slaat alles.

Oplossing

Wat is dat poeder dan? Het is gelig, ik zie nu pas dat op de verpakking with cheese flavour staat. Het is precies andersom: het poeder moet erbij, met de saus regel je het spicy. Ik neem nog een hap, niet eetbaar. Maar ik moet eten, anders wordt het morgen niets. De oplossing heb ik meteen, ik loop naar een wasbak in het sanitairgebouw en spoel de noedels uit. Het werkt, goed bezig Peeters. Totdat ik de wasbak zie. De witte bak ziet er door de olieachtige saus uit alsof dat schaap dat buiten ligt hier geslacht is. Het is een bak voor de was, de rvs-bakken voor de afwas staan twee meter verder. Peeters. Ongelooflijk konijn.

Ik heb een hekel aan campingbewoners die na de afwas een slagveld achterlaten, dit moet schoon voordat iemand het ontdekt en ik hier nooit meer mag fietsen. Ik haal m’n piepkleine flesje met afwasmiddel, zo’n flesje waar na heel hard knijpen één groen druppeltje uitkomt. Ik knijp de kramp in m’n handen en probeer de oranje olie weg te boenen. Er is nog een sessie nodig, en nog een, en nog een. De bak is ongeveer weer wit.

De plek aan het water (de volgende morgen, dit liet zich in het donker niet fotograferen).

Geduld

Ik eet de kale, afgekoelde slierten. De crisis is bezworen, het eten beurt me op. Ik rol de tent uit, op het grondzeil zit een donkere vlek. Een geplette slak die al een beetje stinkt. Ik veeg het schoon en prik de eerste haring in de grond. Die gaat precies 5 millimeter diep en stopt dan. Overal. Onder het gras ligt grind, waarop eerst een club mammoeten een zakloopwedstrijd heeft gehouden en dat daarna voor de zekerheid is aangewalst. Ik ben heel moe en wil gewoon slapen. Uit het aller-verste hoekje haal ik m’n allerlaatste beetje geduld, word (verrassend) niet boos op de gemene, tegen mij samenspannende grond en krijg de tent na veel pogingen opgezet.

De energie is op maar, denk ik bij mezelf, ik ben gek als ik de kans niet grijp om hier te douchen. Na alle gebeurtenissen van vanavond verwacht ik, helemaal uitgekleed en in blijde verwachting, ijskoud water of ketjap manis uit de douchekop. Het is gelukkig goddelijk warm water. Ik was m’n haar, de shampoo slaat direct dood, het moet nog een keer. Doe chamois crème op het zitvlak en een schone fietsonderbroek en schone sokken aan (droog na de wasbeurt in Contréglise), poets m’n tanden en kruip de slaapzak in. Het is kwart voor twaalf. Ik zet de wekker om tien voor zeven, laat, maar ik moet minstens zeven uur slapen. Dat doe ik, vallend in een bodemloos diep gat van warmte en beschutting, in m’n kleine onderweg-huis.

Dag 8 | Condes – Châtonnay

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.