Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar de Zuidpunt | Dag 1

Foto hierboven: fietspad langs de Arnhemseweg, de stad uit richting Leusden. In de berm is het voorjaar, het felle zonlicht slaat de foto bijna plat.

Amersfoort uit.

Het is maandagmiddag. Vanmorgen fietste ik naar huis vanaf de camping in Baarn waar jongste zoon Sietse en twee van z’n vrienden kamperen. Ik was er op afstand, als hulp bij nood en op afroep. 13 Jaar. Kookt, regelt het, zorgt dat alles ’s avonds is opgeruimd. Hij doet het geweldig.

Thuis spullen gedumpt, andere spullen opgeladen, vertrokken.

Ik neem de uitvalsweg langs de Ponlijn, het stuk spoor van Amersfoort Centraal naar autoimporteur Pon in Leusden. Vanuit m’n werkkamer zie ik ze soms langskomen, de lange wagons met auto’s die zijn ingepakt in wit plastic. Langs de Arnhemseweg zingen bloemen de lente in fel zonlicht. Het is een fijn fietspad, breed en zelden druk. Ik ben vlug de stad uit, m’n gedachten krijgen al snel de kans om me te zeggen hoe het voelt om op weg te zijn.

Een trainingsrit

Die gedachten zeggen niets. M’n handen voelen het stuur dat stabieler is, m’n benen de iets grotere weerstand door de bagage achter me. Ze horen bij het gevoel onderweg te zijn, het gevoel dat gaat tot in de wortel en alles wat zwaar en stoffig is wegveegt en vervangt door balans en zoete onrust. Maar het is er niet. Dit is een trainingsrit, een rondje door de omgeving van Amersfoort dat ik – zoals vaker in de afgelopen tijd – op onderweg-zijn laat lijken door m’n brander mee te nemen om tijdens een stop koffie te maken. Waarop ik twee tassen meeneem met wat extra zooi, een route uitzet die nieuwe stukken zoekt. De spirit hooghouden, niet kijken naar hoe kaal de riemen zijn waarmee ik moet roeien. Zo voelt het nu. Ik zal straks het verste punt bereiken en teruggaan naar Amersfoort. Vanavond slaap ik beslist thuis, in m’n bed. Een trainingsrit, meer niet.

Kasteel Renswoude.

Winterslaap

Ik heb gezocht naar wegen en paden waar in BaseCamp geen blauwe stippellijn langs loopt en die dus geen deel uitmaken van een route. Blauwe stippellijnen lopen niet altijd langs de mooiste wegen, ontdekte ik. Vandaag neem ik ook onverharde wegen zonder stippellijn. Bij Den Treek ga ik niet rechtdoor maar links, over een weg die lijkt op een natuurbegraafplaats voor keien en versleten bakstenen. Langs de Heiligenbergerbeek richting Woudenberg. Op alle bankjes zit iemand, fietsers die bij het eerste voorjaarsweer uit hun winterslaap komen.

Bij een andere onverharde weg staat een bord dat ik niet harder mag dan 5 km/uur. Wat de (particuliere) bordenzetter bedoelt is dat je er niet mag fietsen, alleen wandelen. Het is een klompenpad. Maar het is ook echt de weg naar de Zuidpunt, ik vervolg heimelijk en gelukkig ongezien m’n route. Bij een bouwhek na een kruising lopen weg en plan dood en moet ik alsnog afbuigen en verhard verder. Het avontuur stopt hier.

De toekomst

Ik fiets door Scherpenzeel, liefst niet langer dan nodig. Op m’n rondjes ervaar ik het als een dorp waar de auto de baas is en dat laat blijken. Ik zie er weinig mensen fietsen, automobilisten geven me geen ruimte en jakkeren ongeduldig langs me heen. Die ervaring heb ik ook met bepaalde dorpen in de Betuwe, waar alles met de auto gebeurt en automobilisten fietsers maar lastig lijken te vinden. Ik zou bijna denken dat de gemeenschappelijke factor, de conservatieve christelijke moraal, er iets mee te maken heeft. Alsof de auto daar een onwankelbare waarde gebleven is. Terwijl de auto nemen om een kilometer verderop iets bij de bakker te halen eerder getuigt van een missende aansluiting bij een wereld die zich ondertussen heeft ontwikkeld. In die wereld heeft de auto niet langer het primaat in stadsharten. Daar is de fiets de sleutel tot meer veiligheid, leefbaarheid en mobiliteit. Het woonplezier en de veiligheid van alle bewoners en weggebruikers is in die wereld belangrijker dan de luiheid van een klein deel ervan. Steden, waaronder gelukkig ook Amersfoort, zien dat. Ze richten hun centra niet meer in rond de auto en geven de fiets de ruimte. Maar hier…

‘Ophouden!’ zeg ik tegen mezelf. Als ik dit soort betogen in m’n hoofd ga houden is dat een teken. Geestelijke verzuring, zoiets als schelden op een slechte weg. Soms begrijp ik dat van mezelf, bijvoorbeeld wanneer ik heel moe ben, maar ik moet het ook weer los kunnen laten en het vooral niet serieus nemen. Probleem is niet de weg, probleem is m’n moeheid. Net als nu. ‘Stop met je geklaag, neem vandaag zoals die is en hoop op een andere morgen’ denk ik. In Renswoude stop ik bij het gelijknamige kasteel en stap af. Ik voel m’n knie.

Noord van Ede begint het bos.

Last van

Vier weken geleden hadden we met de wielervereniging een trainingsweekend in Vierhouten, op de Veluwe. Een fietsfeest en nu een mooie herinnering. Ik ben een van de begeleiders van de jongste renners (7-9 jaar), die op de laatste middag tikkertje gingen spelen. “Ah Piet, doe je ook mee?” Piet deed mee en was ‘m prompt een kwartier, maar beschadigde bij een abrupte manoeuvre z’n meniscus (de opvulstukken van je kniegewricht, zodat dat de goede kant op scharniert). Vertelde de fysiotherapeut me toen ik toch maar besloot om uit te zoeken waarom ik zo ongelukkig liep. “Het komt waarschijnlijk weer helemaal goed, in de tussentijd oefeningen doen en veel fietsen!” was zijn advies. Als ik fiets voel ik ‘m niet, maar als ik afstap en loop heb ik er last van. Ik ga zitten. Ik ben moe van een aantal korte nachten. Onrust in m’n hoofd. Opdrachten die af moeten, verhalen die zich ontwikkelen, plannen die onzeker zijn. Ik ben ongelukkig. Vandaag is het Nederland, Nederland, Nederland. Bekend terrein, geen avontuur. Dit is het niet.

Alles komt samen in verdriet dat zich heeft opgestapeld en er nu uit komt. Onverwacht heftig. Ik voel me roestig, alsof ik te oud geworden ben voor dit soort tochten. ‘Het is voorbij, het is stuk, het komt niet meer terug’, denk ik. Ik ben de Piet kwijt die door Wallonië fietste, naar Berlijn, naar de Noordkaap en naar heel ver weg. De reiziger, de onwankelbare optimist die ook in een regenbui ’s avonds laat z’n geluk vindt. Ik kan me niet meer voorstellen dat ik een tocht maak die als avontuur voelt. Ik heb die verwachting afgeleerd. De plannen die ik maakte moest ik laten varen, keer op keer. Niet de grens over, improviseren, volhouden. Maar ondertussen doofde toch de spirit. Rome is ongewis, ik geloof er niet meer in. Hier stopt het.

Natuurlijke staat

Er is geen antwoord, er is geen oplossing. Er is alleen het weten dat fietsen me nooit in de steek heeft gelaten. Hoe ongelukkig, moe of in onbalans ik me ook voel, fietsen zet dat op nul. Fietsen is, iemand gebruikte die uitdrukking, mijn natuurlijke staat van zijn. Dat is geen jeukende new-age, dat is hoe het is. Ik ben een denker, in wiens hoofd indrukken, verhalen en gevoelens soms een kluwen vormen waarvan ik het beginnetje niet meer vind. Op een fietstocht wordt m’n wereld zo klein als twee achtertassen, een nylon huis van een paar vierkante meter en een routelijn op m’n gps. De ballast is weg, er zijn alleen nog onderwegrituelen en maar een paar dingen die belangrijk zijn. Tegelijkertijd wordt die wereld veel groter dan m’n beeldscherm en m’n leven thuis. Een echte wereld met wind, de loop van rivieren, hoogtes, wolken en zon. Ik fiets bewust verder dan m’n energie lijkt toe te staan. Daardoor gaat de fysieke moeheid het overnemen en begint het resetten. Ik ga diep slapen en dromen, hele scenario’s. En wordt wakker in het hier en nu, op een andere plek en met gedachten die met de dag stiller en duidelijker worden. Fietsen brengt me terug naar mezelf en zet me ferm in m’n schoenen. Ik word weer een gelukkig mens, een mens in balans.

Daar moet ik op vertrouwen, tegen alle gevoel in. Dat ook deze tocht dat gaat doen.

De Puthei, noordelijk van Wolfheze.

De Duitsekampweg in Wolfheze, genoemd naar een interneringskamp voor Duitse krijgsgevangenen uit de Eerste Wereldoorlog.

Mix

Ik vervolg m’n route. Boerderijen bij Ederveen hebben bloemen in de tuin en bloesem als voorjaarssneeuw in de bomen. Noord van Ede begint het bos, dat z’n armen om me heen slaat. Op de hei kom ik langs de verhoogde bosrand waar ik ooit bijna bevroren op wacht stond. Veluwse fietspaden, fietsers die zoemend voorbijrijden als ik wat eet op een lege bank. Ze roepen fietsknooppunt-nummers naar elkaar, kleppen van fietstassen flapperen. De meeste ervan groeten, het voelt nog steeds alsof ik straks naar huis rijd. Het weer is een vreemde mix van een zon die sterk genoeg is om te verbranden en een koude wind. Het is een graad of dertien, zoals al weken.

Mooi

Wolfheze en Doorwerth zijn nieuw en voelen nieuw, ik veer op. Op de gevel van een huis in Doorwerth hangt een groot doek met ‘Koninginnedag’ (morgen is het 27 april). Twee langsfietsende dames, oplettend en behept met een messcherp intellect, vinden daar duidelijk iets van, ik hoor het ze zeggen. De vrouw die het doek ophangt heeft vast niet gemist dat er inmiddels acht jaar een koning aan het staatkundige roer staat. Ze maakt er iets van met een doek dat ze nog heeft liggen. Dat is leuk, dat is wat ik zie. Het is bovendien een mooi doek, het hangt er perfect. Ik steun haar.

Richting Oosterbeek heuvelt de weg over de ribbels die hier en verderop naar het westen en oosten zijn opgeduwd door ijs dat duizenden jaren geleden naar het zuiden kroop. Ik overweeg een kleine omweg te maken naar voormalig hotel Hartenstein, tijdens Market Garden het hoofdkwartier van de Britse generaal Urquhart, nu het Airbornemuseum. Ik laat het plan varen, ik wil er zijn en m’n tent op kunnen zetten. Eten. Slapen.

Het Drielse Veer over de Nederrijn.

Machtig

Na klimmen en dalen maak ik een stevige afdaling en wordt het villabos een open rivierlandschap waar ik ver in kijk. Vóór me stroomt de Nederrijn, die hier gelukkig nog Rijn mag heten en niet Lek. ‘Rijn’ klinkt machtig en mythisch, de grote rivier die langs de Lorelei en Koblenz (en door dichte wouden) stroomt, waarvan ik stukken stroomopwaarts ga volgen richting Rome. De Lek (zoals de Nederrijn vanaf Wijk heet) klinkt als een functionele waterweg met kale, winderige oevers. Geef mij de Rijn maar.

Bijzonder

Het Drielse Veer is nog bezig met z’n reis naar de overkant. Bij de halteplaats staat een Mini, het succesverhaal van een oud Brits concept verpakt in een slimme Duitse jas. Bij de duurste modellen heb ik altijd het gevoel dat ze met onduidelijk geld zijn gekocht, door mensen die nu en dan verliefd naar zichzelf in de spiegel kijken. Een paar meter ervoor staat een gerestaureerde Willy’s waarvan de motor minutenlang blijft draaien zonder dat er iemand in zit.

Het RijnWaalpad, het snelfietspad tussen Arnhem en Nijmegen.

De kleine veerboot met overkapping en reling legt aan, de schipper gooit trefzeker een lijn rondom een bolder. Een enkele fietser en voetganger gaan aan boord en we steken de Rijn over. De lucht is nog steeds blauw, de wind nog niet gaan liggen. Overtochten als deze zijn parels, die de Nederlandse rivieren extra bijzonder maken.

Voorbeeld

Ik fiets de dijk op, het is het einde van de fietsdag, moeheid en zware gedachten keren terug. Elst vind ik veel mooier dan verwacht, vooral de kerk maakt indruk. Ik blijf even staan, bij velden met voorjaarsbloemen die het kale stationsgebied opfleuren. Bij een tankstation koop ik een blik cola en een zak borrelnoten voor straks. Ik maak nog een foto van het RijnWaalpad, het snelfietspad dat een voorbeeld is bij de ambities die we als Fietsersbond in Amersfoort hebben, en fiets een kilometer verder het erf op van mini-camping De Grote Bredelaar. Het is twintig over zes.

In de bongerd

Op aanwijzing van een bord bel ik het nummer van de eigenaar. Zijn ‘welkom’ klinkt warm en oprecht. Ik vraag hem of ik meteen mag betalen, omdat ik morgen vroeg weg wil. Om z’n mond komt een glimlach, ik moet even denken en lach dan mee. Zij zijn morgen waarschijnlijk vroeger aan het werk dan ik opsta. Hij moet even rekenen, het is 9 euro. Ik geef een tientje en krijg twee euro terug, ik bied aan om… maar het is goed zo. In de grote stal achter hem staan geen koeien, maar geiten, ik mag even gaan kijken als ik dat wil.

Op het open rechthoekige veld met caravans en campers ga ik me verloren voelen, ik mag in de oude bongerd (boomgaard) gaan staan, vlakbij de douches en toiletten. Mooi gras en beschutte plekken, daar wil ik slapen. Ik vraag of ik een stoel kan lenen. “Ergens onder de kapschuur staat vast wel iets”. Ik bedank hem, hij wenst me een fijne avond. Ik ben er.

Ik zet m’n tent op tussen de fruitbomen, haal een stoel uit de schuur en ga buiten aan een dikke balken tafel zitten. Ik drink m’n cola, een hondje komt even kijken. Kampeerders komen met afwasteilen naar het sanitairgebouw. Dat is er een zonder pasje, munten of avondklok. Er is wc-papier, het is nieuw, opgeruimd, aangenaam. De zon daalt, ik kook m’n eten op de DragonFly die ook mee naar Rome gaat. Een gevoel van rust en geluk kruipt door kiertjes naar binnen. De sfeer is geweldig. Wat een mooi einde van een lastig te benoemen dag. Om half tien lig ik te slapen.

De boomgaard doet me denken aan het gedicht In de boomgaard van Gerrit Kouwenaar uit Totaal witte kamer, de bundel waarvoor ik meteen naar de boekwinkel fietste toen ik een documentaire over deze dichter zag. Het gedicht hier zonder toestemming opnemen vond ik niet kloppen. Kouwenaar leest het daarom zelf voor.

Dag 2: Elst – Reuver

Overzicht

In de boomgaard. (klik)

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.