Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar de Noordkaap | Deel 2: Alfta-Lycksele

De rustdag bij Olle en Anna is geweldig. We eten Mexicaans, praten over de beren rond Alfta, luisteren Van Morrison en Grieg. Ik was al m’n kleren, eet, slaap, eet, eet nog eens en maak het definitieve reisplan tot de Kaap. Met Olle’s hele woonkamer vol uitgespreide kaarten stel ik vast dat het geen 1500 kilometer is tot de Noordkaap, maar meer dan 1700. Dat ik al even na Alfta onverharde wegen tegen ga komen. Dat het weer veel slechter gaat worden.

Bomen zover als je kunt kijken, regenwolken verzamelen zich.

Åses dood
Ik neem afscheid van Olle, Anna en Leif en rijd na 40 uur gastvrijheid en een warme roes van vriendschap weer alleen de weg op. Verderop in Bollnäs koop ik bij een bloemenwinkel een grote bos bloemen die ik in Alfta laat bezorgen. Wat ik af moet rekenen is bijna twee van m’n dagbudgetten, maar ik twijfel geen moment. Op deze manier kan ik iets van m’n dankbaarheid laten zien.

Ik ga linksaf, over de 83 naar het noorden en rijd het bos in. Bos dat zich vanaf hier tot aan de toendra’s van Finnmark zal uit­strekken en me zal opslokken tot de eerste moerasvlaktes in Lapland. De wegen versmallen, met eens per kwartier een auto en met meer en steilere klimmen. Bosbessen wáár je maar kijkt en bomen, bomen, niets dan bomen, afgewisseld door velden paarse lupinen. Ik houd van dit land. Soms hoor ik Strawinski in de kruinen ruisen of sterft Åse opnieuw boven een zilvergrijs meer, omgeven door lang gras en een klein wit huis met een roeibootje, midden in de wildernis. Reeën komen verschrikt uit de berm omhoog en springen het bos in. De weg gaat door piep­kleine dorpen met tien rode houten huizen, een vlaggenmast met een Zweeds vaantje en een batterij brievenbussen aan de weg. Zware wolken verzamelen zich boven me.

Het onverharde deel van de 305 begint, de zon is er nog.

Zand
De rust in Alfta heeft me goed gedaan, maar de moeheid zit dieper dan twee nachten en m’n herstel heeft de achterstand nog niet ingehaald. Ik voel me sterker en zekerder, maar er is nog genoeg onbekend terrein. Zoals het fietsen over onverharde wegen. Noord van Hassela houdt het asfalt op en gaat het regenen. Keien, gaten, opspattende modder en wasbord. Het zand remt me af. Ik moet sturen, remmen, laveren en ontwijken. Ondertussen gaat de weg omhoog, omlaag en weer omhoog. Op asfalt krijg je de energie die je in een klim stopt voor een deel weer terug, als je in de afdaling een paar zoevende bonuskilometers maakt zonder dat je benen hoeven te bewegen. Maar hier moet ik heuvelaf in de remmen, slalommend tussen gaten en kuilen, tot ik er kramp van in m’n handen krijg. De regen wordt stortregen. Ik sta doodsangsten uit, want ik heb geen idee wat mijn fiets en m’n dragers kunnen hebben. Ik houd m’n ogen strak op de weg, één gemiste kuil en ik rijd m’n fiets aan gort. Denk ik. Ik duw vloekend en stampend m’n fiets de helling op als ik vastloop in het losse moddergrind. Dit is niet leuk, NIET LEUK, bedenk ik me. Waarom doe ik dit in …naam? Tot Alfta had ik een doel, maar nu zit ik in een tussenstuk. Het deel waar ik me het meest op verheug, Lapland en de ongerepte verlatenheid van het noorden, heb ik nog niet bereikt. Ik moet door deze kilometers en dagen van bossen heen. Na 90 natte en golvende kilometers zandweg zijn m’n polsen lam, zit alles onder de modder, zijn m’n velgen kaal en is alles wat niet beweegt ijskoud. Ik bereik een nieuw dieptepunt. Zet ‘s avonds huilend m’n tent op en voel me ontzettend alleen en verloren. De moeheid brengt een diep verdriet naar boven dat er nog zat, verdriet van een gebeurtenis die me dit voorjaar erg heeft aangegrepen en die opnieuw mijn aandacht komt opeisen.

De 305 in aanleg.

Vuurdoop
Het rotgevoel duurt niet lang. Ik laat me niet meeslepen maar schud het van me af, kook en lig niet veel later voldaan in m’n tent te lezen. De volgende dag opnieuw een hele dag denderen over de 305 die nog steeds onverhard is. Maar ik heb me er op ingesteld en weet nu wat m’n fiets kan hebben. Die houdt zich ongehoord goed. Hij is vies en heeft z’n vuurdoop gehad, hij hoort erbij. Zelf heb ik het gevoel dat ik inmiddels elke weg aankan. Ik weet hoe ik moet klimmen, dalen, schakelen. Ook het kwispelen heb ik onder controle. M’n Orbit is, voor een toerfiets, rank en licht. Te rank. De Reynolds 531 ST buizen staan erom bekend dat ze niet heel stijf zijn, waardoor het frame schokken en klappen opvangt door heel licht mee te veren. Niet handig voor een mountainbike, maar wel voor een toerfiets waar fietstassen aan hangen en waarop een reiziger zit die weken, maanden of jaren de weg op gaat. Maar voor de liggende en staande achtervork heeft de framebouwer te dunne buizen genomen. Te dun voor een beladen achterdrager die, wanneer je afdaalt en op het grootste blad meetrapt, gaat ‘kwispelen’. In m’n fietstassen geef ik de zwaarste dingen een plek het dichtste bij het midden van de fiets, ik zet niet te veel kracht bij de afdalingen en leg m’n knie tegen de bovenbuis als ik een wiebel voel komen. Opgelost. Als ik eten koop is ‘f.. the budget’ het nieuwe devies. Wie veel fietst zal veel eten. Ik eet me ongans, en aan de goede dingen. En ik laat me niet meer gek maken. Eten, even uitrusten, ik geef het de tijd die het nodig heeft. Ik sta definitief zelf aan het roer.

Twee elanden.

Streepje voor
De onverharde wegen zijn voorbij, ik nader het noorden waar mijn route samenvalt met de hoofdwegen die allemaal verhard en rustig zijn. De regen blijft en houdt dagenlang niet meer op, net als het klimmen en dalen. De route volgt eerst het rivierdal van de Ångermanälven, vals plat omhoog. Ik zie bonte spechten, doe me tegoed aan de bosbessen en kom ‘s avonds aan in Bispgården. Helemaal stuk van het klimmen, koud, met soppende sokken in zeiknatte schoenen en alles onder de modder. Supermarkt dicht. Maar het knakt me niet. Een sterke stem in me zegt: niet stilvallen, onderdak zoeken, eten zoeken. Bij een benzinepomp koop ik eten en ik besluit even te schuilen in de kantine van een camping. Eerst het gevoel in m’n handen en voeten terugkrijgen, daarna tent opzetten. Het is er droog en warm, als in een huiskamer. Ik krijg koffie aangeboden en mag in de kök koken. Daar is het warm, dus neem ik alles mee het keukenhok in, hang alle natte zooi te drogen en kook een godenmaal. Ik spoel m’n modderkleren schoon en neem een douche. Het motto is ‘leven van het land’, ik trek m’n slaapzak uit het foedraal en voel niet eens meer hoe m’n hoofd het opgevouwen fleecevest raakt. De volgende ochtend blijkt dat ook helemaal de bedoeling, buiten slapen had van de campingbaas niet eens gemogen. Ik mag niets betalen, bedank hem en bestel koffie om me niet helemaal profiteur te voelen. Bart Aardema heeft gelijk met z’n ‘je hebt als fietser een streepje voor’. Maar ook de eigen vaardigheden daarin gaan met sprongen vooruit. Bij een dichte supermarkt, later op de tocht, geef ik niet meteen op. Krom van de fiets afstappen, uitvoerig aan de dichte deur voelen en daarna wanhopige gebaren maken in de buurt van het huis waar je de eigenaar vermoedt. De buurtsuper gaat speciaal voor mij even open. Theater is iets moois, en je kunt weer eten ‘s avonds.

Net vóór de grens met Västerbottens Län. Het wordt kouder, ik ben hier de enige.

Lappland
De bomen worden kleiner en staan steeds verder uit elkaar. Ik fiets langs uitgestrekte meren en lichtgroene moerassen, naar een golvende en spichtig gekartelde horizon. Twee elanden staan me van een afstandje aan te kijken. Het wordt kouder, 6 tot 8 graden, de golven op de meren krijgen kopjes en de wolken worden dichter en grijzer. Het gaat waaien. Ik krijg een lekke band, m’n eerste, ‘s nachts om half twaalf, midden in de wildernis in een schemerige motregen. Achterband, dat is meer gedoe, dikke shit. Niet in blijven hangen, probleem oplossen. Hoofdlamp op en plakken dat ding. Het is alsof de fietsgoden tegen elkaar zeggen ‘we hebben hem nu genoeg op de proef gesteld’ want ik hoef niet te zoeken en het wiel hoeft er niet eens uit. Een nietje steekt uit de band. Een plaats naast diezelfde goden als de geplakte band het even later houdt. Yes! M’n voeten zijn al twee dagen niet meer warm geweest, m’n schoenen krijgen de kans niet om te drogen. Na een monsteretappe en een nacht langs de weg, waarbij ik vies de slaapzak in schuif en een paar uur slaap, ga ik ‘s ochtends vroeg de grens met Västerbottens län over. Ik ben nu in het landskap Lappland. Een mijlpaal die ik vastleg, m’n moreel krijgt een boost. Dan is Åsele niet zo ver weg meer en ook Lycksele, het tweede tussendoel op deze tocht, is na nog eens 90 kilometer mogelijk. Dat is gelukkig ook zo, maar de pijp is helemaal leeg als ik ‘s avonds om 10 uur compleet verdwaasd de camping in Lycksele oprijd, m’n tent opzet en 20 minuten onder de hete douche ga staan. Fan-tas-tisch. Ik ben zelden zo stuk, zo ontzettend kapot maar ook zo voldaan en gelukkig geweest. Hier sta ik dan, ergens in Zweeds Lapland, na bijna 1400 km in weer en wind, en ik heb het helemaal zelf gedaan, en niet eens zo slecht ook. Het is al half één als ik ga slapen, na een uitgebreid maal en koffie met – heldendaad – daarvoor bewaarde chocolade. Er komt een smile op m’n gezicht. Ik kan dit.

Zonsondergang in Lycksele. Donkerder wordt het niet.

Deel 3: Lycksele-Noordkaap

Deel 1: Helsingborg-Alfta

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.