Laat voor het eten

Fietstochten en fietsreizen

Naar de Noordkaap | Deel 3: Lycksele-Noordkaap

Rustdag, camping in Lycksele, fietsen naar de Noordkaap

Rustdag, camping in Lycksele.

Lycksele is een omslagpunt. Het lijkt erop dat m’n lijf definitief kans ziet om helemaal te herstellen. Als een medefietser die, na een tijdje buffelen om de achterstand in te halen, nu naast me fietst en het tempo bijhoudt. Ik slaap, eet als een wolf, was m’n kleren en tank benzine voor de brander. Ik haal een kleine slag uit het achterwiel dat zich, na alle kuilen en ribbels, heeft ‘gezet’ en stel het zadel bij. Ketting smeren, remblokken en velgen moddervrij maken om ze niet onnodig te laten slijten, banden bijpompen en remkabels checken. Dan ben ik klaar voor het laatste stuk tot de Kaap. Het stuk waar ik eigenlijk voor kom. Ik voel me sterk, ik kan niet wachten.

Sterk
Het asfalt zoeft opnieuw onder m’n banden. Het weer is milder en het is droog. De wolken zijn hier nooit weg, maar ze hebben nu een pact gesloten met de zon die ook mee mag doen, en laten hun regen ergens anders vallen. Het alleen zijn deert me niet meer. Ik zit hardop zingend op m’n fiets en praat – dat blijft tussen ons – tegen de bomen langs de weg. Lapland is prachtig en zo mooi als in m’n verwachtingen, terwijl het echte noorden nog moet beginnen. De weg vlakt uit en loopt door lage bossen, in een landschap dat me niet meer gevangen houdt tussen de boomstammen, maar waar ruimte in zit. Aan de westelijke en noordwestelijke horizon de fjällen, de bergen tussen Zweden en Noorwegen. Naast de weg staat hier en daar een rood houten kruis op een paal, met een blauw bordje met een sneeuwscooter. Markeringen van de winterpaden die gedurende de helft van het jaar, als er hier een dikke laag sneeuw ligt, dwars door de bossen en over de moerassen lopen en met een sneeuwscooter veel snellere verbindingen vormen tussen de dorpen. Ik kom door kleine steden die thuis, gebogen over de kaart, tot de verbeelding spraken. Glommersträsk. Arvidsjaur. Moskosel. In de ICA lopen grove mannen met zaag- en timmerbroeken en groen-met-oranje jassen. Iemand zwalkt met een halfliter-blik bier over de parkeerplaats. Het landschap wordt milder, het land wordt rauwer.

Mijlpaal.

Poolcirkel
Zuid van Jokkmokk passeer ik de poolcirkel, opnieuw een mijlpaal. Geografisch gezien fiets ik vanaf hier in het noordpoolgebied, waar rond de winterzonnewende de zon een of meerdere nachten onder de horizon blijft, en rond de zomerzonnewende een of meerdere nachten niet onder gaat. Hoe noordelijker je vanaf hier komt, hoe meer zonloze dagen in de winter en zonrijke nachten in de zomer. De middernachtzon is voor velen de reden om naar de Noordkaap te gaan – de zon die je op 21 juni al op de noordpoolcirkel kunt zien. Het is nu 20 juli, ik heb geen idee of ik ‘m nog ga zien, ik merk het vanzelf. Voor mij gaat het om de beleving van het noorden. De leegheid en de afgelegen woestheid van het land, waar het klimaat en de natuur de regie hebben. Zo heel vanzelfsprekend is het niet dat je op deze breedtegraad over een asfaltweg naar de volgende stad fietst. In Alaska en Canada zijn de doorgaande wegen op deze hoogte al opgehouden en kun je alleen per vliegtuig naar de weinige dorpen boven de poolcirkel. Een vos met een dikke pluimstaart steekt vlak vóór me de weg over, de natuur is overal. Dit is het, hier wil ik zijn. Alleen de weg, de wolken, m’n fiets en ik. Ik houd van mensen, maar begrijp niet waarom ze zich zo met elkaar bemoeien. Zet tien wandelaars die elkaar kennen en dezelfde lange tocht lopen bij elkaar. Dan gaan ze regels bedenken, en voordat je het weet krijg je de vraag waar je ‘s ochtends bij het ontbijt was. Ik ben daar niet geschikt voor.

De koeien van het noorden
Het landschap blijft veranderen en wordt nog weidser, met grote lichtgroene moerassen waarin mensen met laarzen en emmers hjortron (kruipbramen, cloudberries) plukken. Vanuit de bermen sjokken rendieren de weg op. Het zijn de koeien van het noorden, elk dier is van iemand. In de zomer zwerven ze, gemerkt maar vrij, door de enorme stukken land van Noord-Scandinavië. Ze blijven traag voor de slierten met campers en auto’s-met-caravan uitlopen en versperren iedereen de weg.

Rendieren zoeken elkaar op en zijn wat voorspelbaarder dan elanden (älg in het Zweeds), die uit het niets de weg oplopen en jaarlijks voor ongeveer vijfduizend aanrijdingen en een aantal verkeersdoden zorgen. Een eland, een wild dier, is zo groot en zo zwaar als een paard. Bij een aanrijding raakt de auto de poten en komt de romp van het dier over de motorkap naar binnen. Een rendier (ren) is weliswaar kleiner en lichter, maar een dier aanrijden wil niemand. Ik realiseer me dat de stroom vakantieverkeer die me tegemoet komt groter is dan de stroom die mijn kant opgaat. Het zijn vooral Zweden, die in het hoge noorden zijn geweest en nu op de terugweg zijn. De meeste niet-Zweden die naar het noorden gaan doen dat via Noorwegen.

Wildernis
Ik kom door Jokkmokk en langs de grote waterkrachtcentrale van Porjus. Als je vanaf Jokkmokk naar de fjällen in het westen gaat, houdt de weg na verloop van tijd op en beginnen de grote nationale parken van Noordwest-Zweden. Padjelanta, Sarek, Stora Sjöfallet. Daar zijn alleen nog maar wandelpaden (waaronder de Kungsleden), sommige delen zijn alleen in de winter te doorkruisen omdat in de zomer de rivieren – die je moet doorwaden om ze over te steken – breed en wild zijn van alle smeltwater. Het is het domein van beren, lynxen, poolvossen en veelvraten. In vakantiefolders is een groepje bomen waar geen weg naartoe loopt al snel een wildernis, maar dit is echt. Arctisch in de winter. Woest, ver en maar deels begaanbaar in de zomer.

Een trein met ijzererts rijdt weg, terwijl de avond valt.

IJs en ijzer
Na vier beschaafde fietsdagen van samen 425 kilometer stop ik een dag in Gällivare. Ik passeer de belangrijke spoorlijn die langs Gällivare en Kiruna naar Narvik, aan de Noorse kust, loopt. Langs het spoor ligt wat eruit ziet als zwart grind. IJzererts dat van de treinen is gevallen. Gällivare en vooral Kiruna, 120 kilometer naar het noorden, hebben grote ijzermijnen. Omdat de Botnische Golf in de winter dichtvriest, wordt het erts naar het noordwesten afgevoerd, naar Narvik waarvan de haven ‘s winters in gebruik blijft. De Warme Golfstroom die langs de Noorse kust stroomt, de Noordkaap rondt en richting Rusland stroomt, zorgt ervoor dat de kustgebieden van Noord-Scandinavië een voor deze breedtegraad mild klimaat hebben en de havens niet dichtvriezen. Ik loop door de stad, langs het meer waarop anderhalf jaar geleden m’n tent stond toen ik samen met een vriend bij -30 graden een langlauftocht maakte. Met een bagageslee en een heel dikke slaapzak.

Sami
Na een dag nietsdoen is het tijd om verder te gaan. Het inpakken gaat snel, alles heeft een vaste plaats, het is routine geworden. Ik voel een aangename onrust, het avontuur wacht. Ik vouw de kaart onder het venster van m’n stuurtas en kijk vooruit naar de laatste dagen fietsen. Vanaf hier kun je alleen west-om via Kiruna en Narvik of oost-om via Finland. Recht naar het noorden is er na Kiruna geen weg meer, alleen nog maar toendra. Mijn route gaat via Finland, ik draai de weg op naar het noordoosten. Het verkeer dunt nog verder uit. De bomen worden nog kleiner, het landschap nog leger en vlakker. De meren heten hier geen sjö meer, maar järvi, als in Finland. Dit is het land van de Sami, de indianen van de noordelijke delen van Noorwegen, Zweden, Finland en het Russische Kola-schiereiland. De rendieren zijn van hen, ze leven ervan en van de visvangst. Hun verhaal is hetzelfde als van veel volkeren van oorspronkelijke bewoners, vol treurige hoofdstukken. Lange tijd als minderwaardig beschouwd, met een traditionele levensstijl die onder druk staat. Nog maar weinig Sami leven echt als nomaden. Hun cultuur, hun muziek (zoals van Mari Boine, maar ook deze joik) en hun vervlochtenheid met het land en de natuur maakt grote indruk op me. Ze staan in souvenirkraampjes langs de weg, met rendiervellen en in Taiwan gemaakte rendiersloffen. Ik koop een gerookte vis en betaal de helft van wat een dikke man betaalt die net uit een grote witte camper komt rollen. Even voel ik me verbonden. Ik zou als Lt. John Dunbar willen zijn, die vriendschap sluit met een wolf en als vreemdeling wordt opgenomen in een cultuur die niet de zijne is, ver weg van thuis, in een land van natuur en stilte. Walks with two wheels, dat werk. De Same die me de vis aangeeft haalt me uit m’n droom. Hij vraagt me waar ik naartoe ga. Noordkaap. “Åh” En waar ik begonnen ben. Helsingborg. “Jåhå!“.

Niet meer donker
Als ik verderop de zoveelste dia maak van een groep rendieren voor wie het verkeer niet bestaat kom ik een andere fietser tegen. Lars, een Duitser die in Boden is begonnen en ook op weg is naar de Kaap. We moeten toch dezelfde kant op, dus we rijden een stukje samen. Dat stukje wordt de rest van de tocht, en een vriendschap zoals je die in een week kunt opbouwen. Na Vittangi vinden we een lege hut langs een meer, waar we samen eten en elkaar tot laat verhalen vertellen. Fietsen naar binnen, mat uitrollen en slapen. Het wordt niet meer donker, aan het begin van de nacht maak ik een dia van de hut die ik ook overdag gemaakt zou kunnen hebben. Daags daarna gaan we verder via Övre Soppero naar Karesuando. Ik maak m’n tweeduizendste kilometer vanaf Helsingborg. Aan de Finse grens koop ik een houten laplandmok, net als bij een klomp uitgestoken in een prachtig stuk hout dat met olie is ingewreven. De enige weg vanaf hier naar de Kaap gaat eerst een stukje naar het zuidoosten, maar daarna weer ferm naar het noorden, richting Noorwegen. Het verkeer stopt vrijwel helemaal, niemand neemt deze route. We zijn alleen met de rendieren, de bomen die meer op hoge struiken beginnen te lijken en met ziljoen muggen die ‘s nachts gelukkig aan de goede kant van het muskietengaas blijven. We rijden Finland uit en Noorwegen in. De toendra op. We zijn in Finnmark.Finnmark
Finnmark is adembenemend. Dit is waar Willem Frederik Hermans Nooit meer slapen schreef. We fietsen over grote vlaktes met vreemd gekronkelde dwergberken, knoestige boompjes die maar een paar maanden per jaar kunnen groeien. In het noorden van Scandinavië markeren ze de boomgrens, die op deze breedtegraad over het plateau van Finnmark loopt. Helder en ijskoud water ruist onder de weg door, rendiermos en zware luchten beheersen de verre horizon. Eenzame groepjes onbeschutte huizen, moerassen en werkelijk duizenden muggen. De verhalen kloppen. Als ik even stop om een dia te nemen zitten er honderd zoemers op me, in oren, haren en op elk stukje onbedekte huid. Ze steken dwars door sokken en fietsbroeken heen. Blijven fietsen is het devies. Dit is het echte noorden. Leeg, woest, puur. Ik waan me een ontdekkingsreiziger, op weg naar plekken waar nog nooit iemand geweest is. Die witte vlakken op de kaart inkleurt.

Noordelijke IJszee
We naderen de Noorse kust. En dat betekent meer wind, en dus geen muggen meer. Op dertig kilometer van Alta, aan de Noordelijke IJszee, worden de glooiende heuvels hoger en steiler, totdat ze nog maar nauwelijks ruimte laten voor de weg. Een van de mooiste stukken van de hele reis. Een smalle rivier dendert wit en woest door een kloof van groene rots en stenen. Links en rechts van me worden de rotsen hoger en hoger, met water dat overal van de wanden sijpelt. Boven me kleine sneeuwveldjes, en helemaal boven me het krie-krie van rondcirkelende roofvogels. We suizen met 50 per uur door bochten van de steeds dalende asfaltweg, we verlaten het Finnmark-plateau. De weg en het landschap hervinden hun rust, er zijn weer bomen, de invloed van de Warme Golfstroom wordt hier merkbaar. In de verte doemen donkergrijze bergen op, ‘s avonds laat bereiken we de kust en zien de middernachtzon boven de met sneeuw en ijs bedekte rotsen die het fjord van Alta omgeven. Ik kan bijna niet geloven dat ik dit allemaal doe. Het verschil tussen dag en nacht verdwijnt. De tijd vervaagt, we weken los van elk ritme, ieder patroon. We rijden door tot 1 uur ‘s nachts, douchen op een camping, koken, drinken koffie en liggen om half 6 in de slaapzak. Zonder dat het ook maar even geschemerd heeft. En om 11 uur weer op de fiets naar Alta, winkelen. Een hele grote zware en vreselijk gave wollen Noorse trui kopen, die ik al heel lang wil. Een halve fietstas vol, het maakt me niet uit. Rustdag. We maken ons op voor de finale.De kustweg
Als we Alta uitrijden zitten we weer op de E6, de belangrijke noord-zuid verbinding die in Zuid-Zweden begint en via de Noorse kust helemaal naar Kirkenes loopt, niet ver van de Russische grens. De druppelstroom campers, caravans en grote toermotoren is weer terug. De weg loopt via een paar venijnige klimmen opnieuw het Finnmark-plateau op, naar woeste rotsland­schappen met hier en daar een dwergstruik. Langs de weg stroomt een ijskoude en kraakheldere rivier, waarin eenzame zalmvissers met lieslaarzen geduldig op een vangst staan te wachten. De vergezichten worden weidser, we kamperen bij een groepje huizen en maken de dag daarna bij Olderfjord de laatste zwenk naar het noorden. Opnieuw de kust, die we blijven volgen tot aan Kåfjord. De lucht betrekt, het natte grijs overheerst, het gaat hard waaien. De Kaap laat zich niet zomaar bereiken. Het wordt een verschrikkelijk stuk kustweg, meer dan 60 kilometer wind en striemende regen tegen, met maar een paar graden boven nul. Een auto stopt, een man haalt een aangereden, dood rendier van de weg en laadt het op zijn auto. We duiken twee lange, koude, en slecht verlichte tunnels in, waar nauwelijks ruimte voor de fiets is. In Kåfjord nemen we de pont naar Honningsvåg, op Magerøy, het eiland waarop Nordkapp ligt. Mistflarden, loodgrijze luchten, vochtige kou, lege maag, pap in de benen. Vandaag niet verder. We vinden een camping en vluchten naar binnen om ons op te warmen en koffie te drinken. Achter de toonbank een wondermooie Noorse dame, die weggelopen lijkt te zijn uit een sprookje en het koude, harde land uit m’n hoofd verdrijft. Ik krijg het er warm van, maar dat kan ook de koffie zijn.

God’s country
We staan op met fantastisch weer, met nog 27 kilometer gravel en klimmen voor de boeg. Het worden kilometers van wegspringende keien, denderen, hotsen en botsen. Ik check m’n fiets: een inbusbout van de achterdrager is er voor de helft uitgetrild. Ik draai ‘m vast. Door. Verder. Nog even. Twee heftige klimmen en dan… de Noordkaap. We zijn er, echt. Maar er zijn geen aanzwellende violen, ik hoor geen tromgeroffel, ik voel zelfs geen ont­roering. In plaats daarvan hordes campers, een groot toeristencentrum en bussen die af en aan rijden om steeds nieuwe ladingen bezoekers af te leveren. Het is geen hoogtepunt, maar een cultuurschok. Een gevoel alsof we van de verre natuur plotseling in een kluwen mensengefriemel in een winkelcentrum terechtgekomen zijn. Een slagboom, ik wil eromheen maar een vrouw roept me terug. Na 2563 kilometer fietsen, zweten, euforie, verdriet, stuk gaan, vloeken, modder, regen en me intens gelukkig voelen moet ik 90 Noorse Kronen betalen. Entreegeld. Ik wil de kassamevrouw met kassa en al de IJszee in kieperen. “This is God’s country!” zeg ik, met de rook uit m’n oren. Het is niet waar. De Noordkaap blijkt privéterrein te zijn. Ik wil omkeren, maar weet ook dat ik tegen een windmolen vecht en dat de arme mevrouw het ook niet kan helpen. Ze hoeft niet te zwemmen, ik betaal gelaten. Daarmee ligt de ergernis ineens achter me, het goede gevoel is weer terug. Want het maakt niet uit. Ik weet ook wel dat ik eigenlijk niet voor dit stukje rots kom, al is het toch een ervaring om er te staan en te bedenken dat er daarna nog maar zo’n 2100 kilometer resteren tot de Noordpool. Al ben ik vreselijk trots dat ik hier sta, op m’n allereerste fietstocht. Ook al zien we de middernachtzon ‘s nachts om 1 uur nèt niet de zee in het noorden raken, en drinken we in het bezoekerscentrum voor het laatst samen koffie. Lars en ik, we kwamen ieder voor de tocht er naartoe, voor de ervaring van totale vrijheid, de overweldigende natuur en het gevoel dit zelf volbracht te hebben. We schudden elkaar de hand en maken de heldendia die iedereen maakt, bij de sokkel waarop de aardbol afsteekt tegen de hemel waarin de zon weldra weer zal ondergaan.

3 reacties

  1. Hoi Piet,
    Misschien mijn doel voor komende zomer. Hoe ben je na afloop teruggereisd?
    Met vriendelijke groet
    Erik Wensink

    • Hoi Erik, leuk dat je m’n verhaal hebt gelezen! Mijn terugreis was nogal om: ik ben na het bereiken van de Kaap met de bus naar Noord-Finland gegaan (fiets mocht plat onderin). Daar deed ik mee aan een internationaal vrijwilligerskamp in het teken van het opruimen van de natuur in Fins Lapland. Daarna ben ik met de trein van Rovaniemi naar Helsinki gereisd, met de boot naar Stockholm en toen met de trein naar Kopenhagen (waar m’n auto stond). Een klassieker is om vanuit Honningsvåg met de Hurtigruten (http://www.hurtigruten.com) via de Noorse kustlijn naar het zuiden te varen (boot stopt bij meerdere kustplaatsen) en onderweg ergens op de trein te stappen, bijvoorbeeld in Narvik. In Narvik kun je de trein naar Stockholm nemen en dan verder door naar Nederland. Narvik-Amsterdam is nog geen twee dagen, volgens http://www.treinreiswinkel.nl. Hoop dat je er wat aan hebt, en veel plezier met je voorbereiding! Groet, Piet.

  2. Hoi Piet,
    Dank voor je reactie. Herkenbaar verhaal. Ik heb jaren in Zweden gewoond. Dat gevoel met het landschap heb ik ook. voorbereiding is altijd leuk. Maar het lekkerst is na een dag over 4 onderweg. Ik denk dat ik mijn auto ook wel in Kopenhagen kwijt zou kunnen.
    De terugreis die je beschrijfd ook… alleen vrees ik dat dan mijn tijd beperkt is. Die optie met de boot is wel een leuke. Vliegen is eigenlijk niet meer van deze tijd 😉 mogen die fietsen wel in de trein? In zweden mocht dat niet.
    Groeten
    Erik

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.