Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Parijs | Dag 1

Herinrichting van de toerit naar de A28, Arnhemseweg.

Elsbeth loopt om 7 uur ’s morgens met me mee naar buiten en zwaait nog eens als ik opstap. Op haar vrije dag, lief van haar. De mannen slapen nog, die heb ik gisteravond een kus gegeven. De wijk is stil en donker, net als de straten van de binnenstad. Dorre bladeren bewegen aan de bomen en knisperen in de goot van de klinkerweg. Een hardloopster met oortjes in doemt op uit het donker van een park en steekt, strak voor zich uitkijkend, net vóór een fietser de straat over. Als de keuze gaat tussen aandacht voor je eigen muziekwereld of die voor de echte wereld waarin echte weggebruikers je aan kunnen rijden, zou ik voor de laatste kiezen. Die sterke voorkeur heeft ook het ambulancepersoneel, de politie die er meestal als eerste is, de geschrokken getuige die helpt (en het beeld nooit meer vergeet) en de brandweer die het wegdek komt reinigen. Ik heb dat een paar keer moeten doen, het hamerde er bij me in hoe flinterdun de grens is tussen een onbezorgde dag en een drama. Zo dun als even wel of niet opletten, zo dun als de ander die wel of niet stopt voor rood licht. Ik zou willen dat niemand zo’n drama meemaakt. De hardloopster krijgt het allemaal niet mee. We vervolgen beiden onze weg. Onbezorgd.

Bouwplaats

Een enkele gejaagde woon-werkfietser komt me tegemoet, een auto trekt brullend op op een lege kruising. Ik passeer het Elisabeth-ziekenhuis waar Dirk geboren is en dat al jarenlang, tergend traag, gesloopt wordt. Waar eerst volop leven was, lijkt het donkere terrein met het gestripte gebouw nu op een overwoekerd Assepoester-kasteel waar nog een enkele lamp brandt. Ik verlaat Amersfoort bij de oprit naar de A28 vanaf de Arnhemseweg, met een kruising die helemaal open ligt. Wegwerkers en graafmachines krioelen over de helverlichte bouwplaats. Daardoor staat er een lange file uit de richting van Leusden en Woudenberg. Maar de andere kant op, richting Parijs, is de doorstroming gelukkig goed.

Ooievaarsnest bij Amerongen, in de uiterwaarden van de Nederrijn.

Braver

Vandaag wil ik tot bijna aan de Belgische grens komen, m’n route heeft geen tijd om het bos in te gaan maar volgt de doorgaande weg. Groepjes scholieren komen me uit het donker tegemoet, de meesten met licht, sommigen zonder. Toen ik student was had niemand licht op z’n fiets en reed iedereen door rood. Nu is het bijna andersom. Het lijkt wel of juist fietsers van mijn generatie en ouder lak aan de regels hebben. Eerst schichtig naar links en naar rechts kijken en dan door rood rijden. Dat ziet er sneu uit. Jonge mensen van nu zijn braver, op alle vlakken. Of je daar als samenleving wat aan hebt betwijfel ik, de geschiedenis leert dat verbeteringen meestal begonnen met opstandigheid, maar in het verkeer redt het levens. Wat de veiligheid van tieners nu in de weg zit is het telefoongebruik. Altijd, overal, obsessief. Combineer dat met een fiets die instabiel is door de krat met inhoud die meestal op de voordrager staat en de kans om tegen het asfalt te gaan is groter geworden. Als vader van twee scholieren, de mooiste mannen van het noordelijk halfrond en omliggende dorpen, sta ik daar middenin.

Helder

Aan de oostelijke hemel verschijnen de eerste vegen licht. Over de weilanden ligt een deken van nevel, horend bij het najaar waarin het ’s nachts een stuk kouder is dan overdag en het vocht uit de warmere daglucht aan het eind van de nacht condenseert. Grazers steken er bovenuit, ook voor hen was het vroeg dag. M’n handschoenen hoeven net niet aan, maar ik ben nu al blij dat ik ze heb meegenomen, voor de laatste dagen worden koude morgens voorspeld. Ik merk dat ik helder ben, vannacht lang genoeg geslapen. Meestal moet er nog van alles de avond tevoren, maar dit keer was mijn planning messcherp. Uitgerust zijn is geen luxe in een drukke fietsspits in het schemerdonker, wow, ik begin het te leren.

De Nederrijn in magisch ochtendlicht

De Nederrijn in magisch ochtendlicht.

Prins Willem-Alexanderbrug, fietsen naar Parijs

Prins Willem-Alexanderbrug over de Waal bij Tiel.

Mooi

Een blaadje lijkt boven het fietspad te zweven, hangend aan een onzichtbare herfstdraad. Het bos stopt, de uiterwaarden beginnen. Een ooievaarsnest staat leeg en verlaten op het gras. Bij Amerongen zet een veerpont me over de Nederrijn, die glinstert in magisch vroeg zonlicht. Wat is Nederland mooi, wat is fietsen in dit jaargetijde mooi. De zon stijgt verder boven de horizon uit en begint aangenaam warmer te worden. De weilanden ruiken, vogels scheren over het gras of kwetteren in de bomen, de lucht is mild en vrijwel zonder wind. De weilanden met water, de vogels en het lage licht doen me denken aan m’n fietskilometers in Haryana en Punjab. Mijn gedachten zwerven, de banden zoeven, het lijkt vanzelf te gaan.

Doortocht

De Betuwe doet precies wat het deze morgen moet doen: mooi vlak zijn, met weinig verkeer en nauwelijks wind. Als je hier wind tegen hebt, heb je het slecht met de rechte eentonige wegen door het open land. Maar niet vandaag. Het opgeruimde landschap biedt me een aangename doortocht, met de najaarszon en de boomgaarden die er nog fier in het groen bij staan. De weg duikt onder de Betuweroute door, waarvoor ik ooit de inzetprocedures voor de hulpdiensten heb mee-ontwikkeld. Ik schamp Tiel en ga via een lange brug de Waal over. De sfeer is prachtig.

Een ander stukje

Het Land van Maas en Waal glijdt onder me door, het is niet ver tot aan de volgende grote rivier. Als ik het laatste stukje tot de waterkant fiets moet ik denken aan 30 maart 1999, toen Elsbeth en ik ’s avonds om 10 uur op precies dezelfde plaats stonden, onze fietsen volgeladen met alles wat we op onze overland-tocht naar Kathmandu dachten nodig te hebben. De pont bleek al gestopt te zijn met varen, we waren te laat en moesten een heel eind omrijden. Ik zat bijna slapend op m’n zadel, gesloopt door korte nachten en de laatste-dagen-voor-vertrek-stress. Zo begon het, toen. De eerste dag van bijna twee jaar weg. Nu ligt de pont wel op me te wachten, de rivier rimpelt, de zon verwarmt me. Op de pont staat de muziek aan, de schipper is vriendelijk en zegt luidkeels goedemorgen. Ik ben in Brabant. In een ander stukje Nederland, dat ik na het aanleggen van de pont binnenrijd. Ik zeg de Maas gedag, de rivier die ik morgen bij Namur pas weer tegen zal komen.

Hemelrijkse Waard

De Hemelrijkse Waard, met aan de horizon de Maas

Het water

Rechts van de weg over de Maasdijk komt een grote zwarte schil uit de grond omhoog, met een man en vrouw die hem verder lijken te duwen, als een enorme krul roomboter (op een zondagmorgen, met de geur van brood, het zonlicht door de ramen en de violen van Vivaldi). Het is een monument, de krul is een golf waar de mens tegen vecht, tegen het water dat hier vriend en vijand was. Ik zie een stuw, weilanden en een grote rivierbocht. Een informatiepaneel legt veel uit, ik sta middenin de geschiedenis. De bocht is een stuk Maas dat nu nergens meer naartoe gaat en dat in de jaren dertig werd afgesneden door een kanaal. Dat gebeurde op veel plaatsen, waardoor de Maas alleen al tussen Grave en Den Bosch 50 kilometer korter werd. Hier, bij Teeffelen, was dat goed nieuws. Het land is hier zo vlak dat bij hoog water meteen de hele uiterwaarden onderliepen. Ook de dijk brak meer dan eens door, maar na de Maasverbetering was dat allemaal verleden tijd. Het gebied tussen dijk, Maas en rivierbocht veranderde de afgelopen jaren in de Hemelrijkse Waard, een natuurgebied dat Rijkswaterstaat en Natuurmonumenten vorig jaar openden. Dat is waar ik nu naar kijk. Vogels, groen en water. Nieuwe natuur. Ik sta trots te zijn op m’n eigen land.

Verder. De bebouwing van Oss begint. Toen ik in Uden woonde was Oss the place not to be. Uitgaansgeweld, criminaliteit, die verhalen gingen meestal over Oss. En dan de kille zondagavonden in mijn KMA-tijd, als ik alleen en met m’n weekendtas in de hand op station Oss op de trein stond te wachten die me naar Breda bracht. De reputatie van een plaats heeft de neiging hardnekkig te blijven kleven, hoe oneerlijk ook. Ik passeer een spoorlijn. De bewuste spoorlijn, waar op de overgang verderop niet zo lang geleden vier kinderen stierven. Het is alsof het oneerlijke en het onmetelijke verdriet nog in de lucht hangen. Ik sta als vanzelf even stil. In mijn gedachten sla ik een arm om de mensen die niemand kon helpen.

Ork!

In winkelcentrum Heihoek schijnt nog steeds de zon. Ik schat in waar ik de beste vroege lunch kan vinden, en liefst ook het snelst want ik wil m’n pauze goed gebruiken. Op de stoep staat een bord met ‘Ork, ork, ork, een Bossche Bol eet je met een …’ Een ode aan de buitenaardse poëzie. Hier. Zoveel kunstzin kan ik niet weerstaan, het is bovendien een bakker met een kaaswinkel eraan vast. Dat ook. De verkoopsters nemen meteen het nieuws van de dag door, met mevrouw Kamp die haar bestelling doet. Echte mensen met echt contact, het kleine wordt groot als je er de tijd voor hebt. Ik heb die tijd niet. Groots en meeslepend niet. Mijn glimlach blijft als op m’n gezicht gebeiteld, maar in m’n hoofd ondergaan deze mensen de meest verschrikkelijke straffen, waarvan doorgekookte spruitjes eten op een vervallen vakantiepark in Hoenderloo nu even het ergste is wat ik me kan voorstellen. Verplicht meeklappen op een Duits Schlagerfestival is ook erg. Of vier uur luisteren naar Sky Radio. De dame achter de kazen is allerliefst, al raakt ze de storingsmonteur aan de telefoon moeilijk kwijt (de kassa heeft kuren). Ze snijdt meteen de randjes van de plakken kaas die ik bestel. Aardig, gewoon erg aardig. De donderwolken in m’n hoofd verdwijnen definitief als het me na vijf minuten lukt de aandacht te krijgen van een broodverkoopster om mijn broodje uit de oven te halen. Op een bankje, met een koud blik cola, had het lente kunnen zijn. Buiten en in m’n hoofd.

Uden

De route gaat het boerenland in, langs plaatsen die ik ken uit m’n jeugd. Op een afstand passeer ik Uden, waar ik in m’n middelbareschooltijd woonde. Ik zat in de vijfde klas (groep zeven) toen we van Zwolle naar Brabant verhuisden. Tussen Uden en mij is het nooit wat geworden. Daar was ik op m’n elfde al teveel Zwollenaar voor. De overgang van een flat naar een huis met een tuin was geweldig, maar ik miste het Zwartewater waar ik struinde, fik stookte van aangespoelde planken, me sneed aan het riet langs de oevers en waar m’n laarzen volliepen als we te ver het water ingingen. In augustus rook je de bramen langs de stille landwegen, ik was altijd op pad als ik me niet een dag met m’n Lego had opgesloten. Ik liet m’n vrienden achter die ik al als kleuter kende en waarmee ik de middelbare school al aan het uitkiezen was en plannen maakte voor de eindmusical. In Uden kende ik niemand, buiten Uden waren er weilanden en varkensbedrijven. Net als nu, als ik weer door dit stuk Brabant rijd. Koeien ruiken naar buiten, paarden naar een achterafsteeg in een uitgaansbuurt op zondagmorgen, varkens ruiken naar stront. Ver boven me komen F-16’s over, van vliegbasis Volkel waar m’n vader toen werkte en waar ik als jongen aan de kop van de baan in het gras lag en ik de letters op de F-104’s kon lezen als ze over me heen scheerden om even verderop te landen. Dat was het mooie aan Uden.

Airborne-monument 'Parachutes voor vrijheid'

Airborne-monument ‘Parachutes voor vrijheid’ bij Sonniuswijk, Son

Kikker op de weg

Kikker op de weg. Kus gegeven, bleef een kikker. Jammer.

Para’s

De weilanden gaan over in stukjes bos. Voor sommige bomen is het nog zomer, andere zijn al bijna kaal. Onder populieren ligt het fietspad bezaaid met gele blaadjes, de grote bruine bladeren van de Amerikaanse eik liggen overal. De inlandse eiken wachten nog even. Bos wordt weer gras. Langs Schijndel, door Sint-Oedenrode en richting de bossen bij Son. Langs het fietspad staan twee parachutes, deel van het Airborne-monument Parachutes voor vrijheid, op de plaatsen waar op 17 september 1944 para’s van de Amerikaanse 101-ste luchtlandingsdivisie landden om de brug over het Wilhelminakanaal bij Son veilig te stellen. Dit deel van operatie Market Garden slaagde, voor Eindhoven en omstreken was de oorlog een dag later voorbij. Noord van de Rijn, voorbij de onneembaar gebleken brug in Arnhem, moest Nederland de Duitse bezetter nog een vreselijk half jaar doorstaan. Daar begon niet veel later de Hongerwinter.

Goed dat je fietst!

Ik steek de A50 over. Eindhoven begint met brede toegangswegen en met Woensel, dat honderd jaar geleden nog een eigen gemeente was – ruim twee keer zo groot als het dorpje Eindhoven dat in 1920 6500 burgers telde. Het centrum van Eindhoven is daarom jong. Hoewel ook Eindhoven in de Tweede Wereldoorlog werd gebombardeerd (doelen waren de Philips-fabrieken en vliegveld Welschap) waarbij historie verloren ging, heeft het – een dorp immers – nooit een groot oud stadscentrum gehad.

Voorpret

Op station Eindhoven begint de route van Paul Benjaminse naar Parijs. Bijna twee jaar geleden begon ik hier met het eerste stuk ervan, via Tienen naar Dinant en daarna via de alternatieve aanloop terug naar Liège en Maastricht. De eerste meerdaagse tocht in België nadat ik het fietsen had hervonden, met het verlangen om ooit de hele route te fietsen. Ik kan letterlijk niet om het station heen, maar moet er dwars doorheen. Eigenlijk veel mooier, echt bij het begin beginnen. De voorpret is af te lezen op m’n gezicht. Naar Parijs, ik kan niet wachten.

Dat doe ik dus maar niet. ‘Inchecken geannuleerd’ staat op de display als ik aan de andere zijde door de poortjes ga, het station uit, het winkelgebied in. Vorige keer was het kil en grijs en sliep m’n lijf nog. Nu is het klaarwakker. Ik check meteen of het paarse gps-lijntje klopt met de werkelijkheid – de grove gedownloade track heb ik de afgelopen dagen zitten corrigeren om hem exact te laten kloppen met Paul’s kaartjes en beschrijvingen. Met de stiekeme ambitie om een beetje aan de route bij te dragen, ik weet zelf wat het is als een track dwars door gebouwen en diagonaal over kruispunten loopt. Maar ik kijk vooral om me heen, waar het nog steeds als vroeg voorjaar voelt. Een groot bord vertelt me dat ik de goede dingen aan het doen ben. Ik wist het. Met dat gevoel verlaat ik m’n geboortestad en rijd ik het bos in.

Pech

De route is veranderd en loopt nu over de voormalige spoorbedding van de Oude Spoorbaan, recht naar het zuiden. Met een wijde boog om Valkenswaard heen en opnieuw door het Brabantse platteland. Bloemen bloeien uitbundig aan de rand van een weiland, de kleine wegen langs nieuwbouwwijken lopen overvol met auto’s met steeds maar één iemand erin. Dezelfde auto’s, naar dezelfde huizen. Ik kijk op m’n horloge en snap waarom. Woon-werkverkeer, met een gedeelde pech: fiets stuk of trein rijdt niet. Bij sommigen zijn fiets of trein waarschijnlijk ook niet verenigbaar met een succesvolle uitstraling. Dubbel pech. Ondertussen voel ik me zondagskind, bevoorrecht dat ik hier fiets. Niet omdat ik in andermans ogen geslaagder zal zijn, zelfs niet om de paar dagen vrij die ik als zelfstandige gemakkelijker kan plannen, maar omdat ik zoveel geluk en vrijheid kan voelen met simpelweg een fiets, een route en wat spullen achterop. En omdat ik dat nu besef, hier en nu.

Ven van natuurreservaat De Malpie

Een van de vennen van natuurreservaat De Malpie. De droogte heeft toegeslagen.

Droog

Ik ben er bijna voor vandaag. De akkers maken plaats voor de bomen, heides en vennen van De Malpie, die ik vrijwel voor me alleen heb. Aan de vennen is duidelijk te zien hoe droog het de afgelopen zomer is geweest, de waterlijn heeft zich vele meters teruggetrokken. In Borkel ga ik een paar keer links en rechts totdat iets na vijven het paarse gps-lijntje stopt, voor een boerderij waar een man op z’n knieën de bestrating aan het repareren is. Hij kijkt me vragend aan. “Ben ik hier bij ’t Zwaluwnest?” vraag ik. “Ja, da klopt, ik zal ekkes meelopen”. Het is een mini-camping zoals je die op veel plaatsen ziet bij ondernemende boeren die hun steeds lastiger te verdienen inkomen aanvullen met een eenvoudige camping. Ik zet m’n fiets neer tussen het woonhuis en de schuren en loop de man achterna, naar binnen. Ik herken dit van de keren dat ik met een klasgenoot mee naar huis ging, in mijn tijd in Uden. De overgang van erf, machines, klinkers en overalls naar een smetteloos betegelde gang met een hele rij schoenen en laarzen, daarna de keuken. Met een grote keukentafel, het middelpunt van het huis. Ik geef de vrouw des huizes een hand, die zich verontschuldigt voor het feit dat ik onder een boom naast de schuur moet kamperen, het gras van de kampeervelden is opnieuw ingezaaid. Verontschuldigen, terwijl ze al zo aardig waren om speciaal voor mij een uitzondering te maken, ’t Zwaluwnest sluit eigenlijk al na 30 september voor de winterstop. Ik kan douchen in perfect nieuw sanitair, in een gebouw waar ook de dochter en schoonzoon met hun kleine wonen. Het veldje voor m’n tent is prima, ik richt m’n plek in en ga naar het woonhuis om te betalen. Vijf euro is het, en ik krijg koffie en het aanbod van een bord soep. De familie eet hun avondeten, terwijl ik aan de grote keukentafel meekijk, m’n koffie opdrink en me bedenk hoe bijzonder dit is.

Geborgen

Terwijl ik buiten m’n eigen avondeten kook komt de vrouw me een stoel brengen. Ze vertelt over de camping en het bedrijf, hoe lastig het is om met alle gemeentelijke en Europese regels een boerenbedrijf te runnen en dat uit te breiden. Voor hen is de mini-camping een uitkomst, in de zomer staan de twee velden hier vol met kampeerders. Die het ongetwijfeld naar hun zin hebben, hier in het groen aan de rand van Nederland, met de zorgzaamheid en gastvrijheid van deze mensen. Ik bedank haar en geef haar een compliment. Ik zeg alvast gedag, want ik zal morgen vroeg weg zijn. Het hondje komt nog even snuffelen. Het licht verdwijnt en de schemer komt over de velden. Het is stil, ik neem een slok wijn, moederziel alleen en toch geborgen. M’n tent, m’n fiets, deze plek. En ik, die ooit twijfelde of dit wel als avontuur zou voelen. Ik ga slapen, morgen ga ik diep België in.

Dag 2: Borkel – Malonne

Aanloop en overzicht

Geef een antwoord

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.