Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Parijs | Dag 2

De wekker op m’n telefoon gaat om 5 uur, ik ben direct wakker. Thuis kan ik met minder toe, maar op tochten als deze zorg ik ervoor dat ik acht uur kan slapen. Die uren hebben hun werk gedaan, ik voel me uitgerust. En gefocust. Vandaag wordt de langste dag, die ik in m’n hoofd grondig heb voorbereid. Het was niet eenvoudig om campings te vinden die half oktober nog open waren, niet al te ver van de route lagen en die de 635 km naar Parijs in vijf min of meer gelijke etappes zouden verdelen. Tussen Tienen en Namur zijn die campings er niet, dus voor vandaag is het Malonne geworden, een dorp aan de zuidelijke rand van Namur. Vanaf hier 145 kilometer. Het is een tijd geleden dat ik zo’n afstand met bagage heb gefietst, maar toch is dat vandaag de kers op de taart, de uitdaging (leeggelopen woord geworden, maar vooruit) doet het bloed stromen. Een takke-end in gewoon Nederlands, maar ik ga het doen. Zin in.

Vertrouwen

In het schijnsel van m’n hoofdlamp pak ik tent en slaapspullen in, aan de rand van het onzichtbare weiland maak ik koffie. Muisstil (om de beide honden niet wakker te maken, en daardoor iedereen) nog even naar het sanitairgebouw om m’n bidons te vullen. Aan de kraan naast de doos met wipes, een luieremmer en een stapel rompertjes. Een schommel hangt aan het plafond tussen de douchecabines en de toiletten. Ik loop hier zomaar rond in iemands ruimtes, met alle vertrouwen dat me daarbij is gegeven. Dat maakt indruk, ‘t Zwaluwnest sluit aan in de rij van mooie overnachtingsplekken. Ik pak de gisteren uitgewassen en bijna droge fietsbroek van het wasrek, start de gps-track van vandaag en rijd weg, in het schijnsel van een straatlamp.

Tonnage

De paar auto’s die ik in Borkel tegenkom jakkeren over de klinkers. ‘Er is zo vroeg toch niemand op de weg’ is waarschijnlijk de gedachte. Als fietser ‘niemand’ te zijn temidden van het autogeweld is, zonder cynisme, een bekend gevoel. Ik schrik er niet meer van. Ik leer m’n zoons dat in het verkeer de ander altijd gelijk heeft. Omdat ik wil dat ze blijven leven. Een groot ego is nergens nuttig, maar in het verkeer ook nog levensgevaarlijk. Ik ga het dorp uit, rijd een stukje door de weilanden en sla dan rechtsaf, ferm richting het zuiden. De wereld is weer zonder herrie. Alleen een streep asfalt, de rijwind en het donker. Waaruit een bord opdoemt waarop iets staat over betalen voor vrachtverkeer boven de 3500 kilo. Ik check mijn tonnage en kom inclusief fiets niet verder dan zo’n 35 kilo, misschien een paar kilo meer. Geen idee eigenlijk. Gerustgesteld rijd ik door, België in.

Ochtendlicht

Na nog een keer links-rechts gaat de route over de nu geasfalteerde bedding van de voormalige spoorlijn 18, die ooit van Genk naar Eindhoven liep en waarover in 1996 de laatste trein reed. Via de brug over het Kanaal Bocholt-Herentals, met de spiegel die ik al twee keer eerder voor een fiets-zelfportret gebruikte, nu afstekend tegen het oranje licht. Bij het station van Neerpelt is op een bouwplaats een kraan al hard aan het werk en wachten studenten op de trein. Het stuk door de bebouwing is maar kort, het fietspad duikt snel het bos weer in. Een enkele fietser met fel licht komt me tegemoet, op weg naar werk of school, onder mijn banden knisperen de eikels op het pad. Plotseling zie ik links op het fietspad een kleine donkere schim. Ik passeer ‘m, turend naar beneden waar iets klaar zit om me aan te vallen. Het is een kip, het geluk lacht me toe. De hemel begint heel licht te verkleuren, achter de fietsverlichting verschijnen gestalten, de randen van het fietspad worden zichtbaar, de wereld om me heen komt langzaam uit het donker tevoorschijn.

Gebrul

Ik stop even en hoor gebrul. Een soort kortaf geloei. Een leeuw is niet erg waarschijnlijk, een koe klinkt anders en reeën maken een blaffend geluid. Het zijn herten in een omheind weiland verderop, die waarschijnlijk als wild op een kersttafel zullen eindigen. Ze kijken me aan, oren wijd naar voren, alsof ze iets verwachten. Voor mij mogen ze de wei uit, op onze tafel staat nooit vlees. Omdat die noodzaak ons ontgaat, en omdat vlees figuurlijk gezien meestal een vervelende bijsmaak heeft. Ik passeer een complex dat ik herken als militair terrein met een luchtmacht-signatuur. Grasvelden met groepjes bomen, een enkele betonweg en hier en daar een gebouwtje. Een voormalig brandstofdepot, dat misschien ooit te maken had met Kleine-Brogel, een luchtmachtbasis hier vlakbij. Bij De Statie, verderop naast het kruispunt met de Stationsstraat, is de blauwe fiets verdwenen die tegen een paal stond, met de fietstas waaruit gras groeide. Gewoon weggehaald, niet even gevraagd, waar moet het naar toe met de wereld. Voor de foto zet ik dan maar m’n eigen fiets op dezelfde plaats. De statie is, realiseer ik me, Limburgs voor ‘het station’. Ook in het Nederlands-Limburgs, ik hoor het m’n ouders zeggen.Naast het pad komt achter de bomen de zon op, die van de wolken gekleurde vegen maakt. De grasvelden met de nevel van de vroege najaarsochtend doen Zweeds aan. Ik hoor veel meer vogels dan ik in oktober had verwacht, in de verte kraaien hanen. La Belgique s’éveille. Fietsen in het donker doe ik alleen wanneer het moet, bijvoorbeeld omdat ik anders – zoals vandaag – de dagafstand niet red, maar deze morgen voegt het ook iets toe. De dag te zien aanbreken, het licht te zien terugkomen, het is wonderbaarlijk mooi.

De Spookboom. Over de naam hoefde ik niet lang na te denken.

Pastanesi

De route gaat rechtsaf en verlaat de spoorbedding. Verderop wacht de heide, een groot militair oefenterrein bij Hechtel-Eksel. Geen afzetting dit keer – hier wordt niet alleen geoefend maar soms ook gejaagd. Ik steek een tankbaan over, een betonweg voor rupsvoertuigen, en stop even bij de Spookboom. Die is gelukkig niet weggehaald. De hei is stil, de ochtendkilte lost op met de nevel, ik heb het ontzettend naar m’n zin.

De hei stopt en gaat over in restaurants-in-het-bos en villawijken met hier en daar tragische halfverlaten bouwsels. Na een paar kilometer fiets ik weer het bos in, waar de kleur oranje regeert. Langs het fietspad loopt een oudere Turkse vrouw te bellen, ik nader Beringen-Mijn. De bosgrond gaat links van het pad steil omhoog waar een enorme hoop stenen – in de kolenwasserij ooit van de steenkool gescheiden – nu een flinke heuvel van 125 meter hoogte vormt, terril nr. 2, waarover je kunt wandelen en fietsen. Op een brug over de spoorlijn kom ik een stel Turkse meiden tegen. Ik wil iyi günler (goedendag) zeggen, maar slik m’n woorden in. Ik heb heimwee naar Anatolië, hier in Beringen-Mijn waar ik door een Turkse enclave fiets, ooit bewoond door de mijnwerkers die hier tot 1989 de kolen naar boven haalden. Van de mijn staat alles er nog, nu als Vlaams Mijnmuseum.

Kastanjebladeren

De maag raakt leeg, ik zie een bakkerij. Sommige dingen in het leven zijn niet ingewikkeld. In de pastanesi haal ik twee doosjes baklava en een belegd Turks broodje. Ik vertel de vriendelijke dame dat ik ooit drie maanden door Turkije heb gefietst. Aan haar kan ik dat vast vertellen. “En, viel ‘t goe mee?” vraagt ze. “Het was fantastisch!” zeg ik, geheel naar waarheid. Haar smile zie ik nog steeds als ik op een bankje tussen de kastanjebladeren het eerste doosje bijna leegeet. In mijn ooghoek verzamelt zich een traan. Het zal de rijwind zijn.

De vaart erin

Ik steek het Albertkanaal over, een aan- en afvoerader voor de industrie – waaronder de kolenmijn in Beringen – die als een kralenketting aan het kanaal ligt. De benen malen door, langs een industrieterrein, om Paal heen en op weg naar Diest. Benjaminse heeft de route hier omgelegd, die nu rechtdoor gaat door Vleugt in plaats van over een fietspad-omweg die de doorgaande weg vermijdt. Dat laatste is ook niet nodig, de weg blijft rustig en gaat over een kleine bobbel in het landschap heen. Schaffen, een spoorbrug, waterlopen met een sluis. Diest. Waar ik opnieuw het Begijnhof voorbijfiets en me opnieuw voorneem daar een volgende keer langer te blijven dan het maken van een paar foto’s. Het bouwterrein dat een tijdlang de route versperde is nu veranderd in nieuw opgeleverde woningen die nog maar net uit het cellofaan gehaald zijn. Op een bank aan het water eet ik de rest van het aangebroken doosje baklava, was m’n handen in de vijver en stap weer op. Ik houd de vaart erin, ik moet nog twee lange rechte stukken naar Namur en de Maas, beide over voormalige spoorlijnen. Links van het pad staat een stuk spookbos waar dode stammen afsteken tegen de frisgroene struiken. Ik ga nogmaals de provincie Limburg in, onder een verkeersknooppunt door en langs Halen. Daar begint het eerste rechte stuk.

Hunnen

De naam van dit fietspad, IJzerenweg, verwijst naar de spoorweg die hier tot 1993 lag. Die was er niet alleen voor reislustige Tienenaren, maar ook om de suikerbieten naar de (nog steeds) goed lopende suikerfabriek in Grimde, aan de rand van Tienen, te vervoeren. De vruchtbare grond zorgt hier voor meer dan alleen suiker, ik fiets langs appelbomen en maisvelden terwijl de grijzer wordende wolken een enkele spetter laten vallen. In de zomer zoeven hier de racefietsen voorbij, maar nu heb ik op het rimpelloze betonnen pad alle ruimte. De Grote Gete (zo’n naam die bij het uitspreken direct je afkomst verraadt) stroomt onder het pad door, minder groot dan de naam doet vermoeden maar na samenvloeiing met de Kleine Gete breed genoeg om in de Eerste Wereldoorlog een obstakel te vormen. Een bord waarschuwt voor de ‘laatste kampeerplaats vóór de taalgrens’, alsof de fietsreiziger na het passeren ervan is overgeleverd aan de Hunnen, onwelriekende modderstromen en ander ongerief. Een soort Franstalig Mordor. Dit soort dingen kom je in Wallonië niet tegen, sowieso leven taalsentimenten meer in de Belgische politiek dan in de Belgen zelf.

En zo vliegen de kilometers onder m’n wielen door. Haspengouw en de Getevallei, het is aangenaam fietsen hier. Aardverschuivend spannend wordt het nergens, maar dat hoeft ook niet. Het landschap is, zoals op zoveel plaatsen in België, sympathiek en de Belgen weten hoe ze van roestige spoorstaven een perfect fietspad moeten maken. In de verte zie ik de contouren van de suikerfabriek aan de rand van Tienen, nog even en ik ga Vlaanderen verlaten.

Goede herinneringen

Zelfs al had ik de gebouwen in de verte en de informatieborden langs het fietspad niet gezien, dan nog was het niet te missen geweest. De bietencampagne is begonnen. Ik herken de geur van de tijd dat ik op het KMA-terrein in Breda woonde, van waaruit je de CSM suikerfabriek kon zien staan, de fabriek die van september tot december de suikerbieten verwerkte en daarbij een zoet-scherpe kooklucht verspreidde. Achter een dikke laurierhaag hoor ik machines draaien en ratelen. Daar wordt suiker gemaakt. Tienen ga ik dit keer niet in, geen rust, ik moet nog ‘n eind.

Fietspad tussen Jodoigne en Éghezée

Fietspad tussen Jodoigne en Éghezée, vlakbij de Romeinse weg en de tumulus van Hottomont

Ik kijk op m’n horloge en krijg goede hoop dat ik het vandaag ga redden. Na Hoegaarden, langs grote akkers met suikerbieten, ga ik het laatste spoor-fietspad van vandaag op. Verbaasd ontdek ik dat mijn herinnering over waar dat pad begint niet klopt, terwijl het nog maar een dik jaar geleden is dat ik hier reed. Herinneringen vormen al snel een eigen volgorde van plaatsen en gebeurtenissen. Een paar kilometer verderop passeer ik een bord, ik ben in de gemeente Jodoigne, provincie Brabant wallon. In het dorp bestel ik in een soort snackbar een omelet. Fietsen op Sultana’s, dadels en pinda’s gaat een tijdje goed, maar op lange stukken schiet het tekort. Het beste fiets ik op een vracht langzame koolhydraten. Een lading friet, een half stokbrood met van alles, die dingen. Daar doet mijn motor het lang op, mijn benen kunnen dan alles. Een Mars is het andere uiterste. Dat werkt als een droge krant of een spriets aanmaakvloeistof op een vuur: het brand hard en snel, maar is zó weer weg. Geleerd in mijn jaren als wedstrijdatleet, ondervonden op tochten als deze. Ondertussen blijkt een omelet bakken een stuk minder eenvoudig dan ik dacht, de tijd holt voorbij, een snelle eetstop zit er niet meer in. Een stel meiden komt binnen, tieners die als ze langs m’n tafel lopen een mix verspreiden van overdadig parfum en een zweempje zweet. Ze zeggen vriendelijk goedendag, beschaafd, dorps. Ik hou daarvan, en voel me zelf een dorpeling. Met een lichte trots zet de eigenaar een enorm bord voor me neer, met friet, een omelet en salade. Daar zou ik in één keer op naar Delhi kunnen fietsen.

Ferme de Frizet, vlak vóór Namur

Ferme de Frizet, vlak vóór Namur

Rasperij

Maar het wordt vandaag toch echt Malonne. Het fietspad is overduidelijk ooit voor treinen bedoeld geweest. Kaarsrecht, met soms een lange flauwe bocht en met vals plat naar boven. Ergens gaat het over 200 meter heen, ik zit in Jodoigne op 85 meter. Stoep af, een kruising met een doorgaande weg over, stoep op, en dan weer rechtdoor. Zo gaat het in alle dorpen waar het pad doorheen komt. En hoewel de haaientanden op het fietspad staan, stopt elke auto voor me. Niet ver van Éghezée kruist het pad een Romeinse weg, die verder naar het westen langs de tumulus (grafheuvel) van Hottomont komt. Na Éghezée, op 150 meter hoogte, verlaat het fietspad de rechte lijn, maakt een knik naar rechts en loopt over een smalle strook aan de linkerkant van een drukke weg – het hoort zo maar voelt niet goed, alsof je tegen het verkeer in rijdt. Het spoorbed moest ooit wijken voor de Râperie de Longchamps, een vestiging van de Tiense Suikerraffinaderij waar suikerbieten worden gewassen, geraspt en verwerkt tot ruwe suikerstroop. Deze wordt via een 27 kilometer lange pijpleiding naar de raffinaderij van Wanze (bij Huy) getransporteerd, waar er suiker in allerlei vormen van wordt gemaakt. Achter een dijk liggen grote vijvers waarin het (gezuiverde) water waarmee de bieten worden gewassen wordt bewaard voor hergebruik tijdens de volgende bietencampagne. Daarom is de bietenrasperij vele tientallen hectare groot en moest het fietspad eromheen. De geur is niet te missen.

Geen valse hoop

In Leuze-Longchamps is het station omgebouwd tot woonhuizen met een kinderspeeltuin waar vroeger de reizigers liepen. Een enkele wagon staat tussen de struiken naast het pad. Bij Cognelée bereik ik met 200 meter het hoogste punt van het spoor-fietspad naar Namur. Daarna is het alsof je met windkracht 6 in de rug verder fietst, onder de E42 en de E411 door en langs de ferme de Frizet, een grote herenboerderij uit 1600-nogwat, die indruk staat te maken in het oranjer wordende avondlicht. Even stoppen, het beeld is te mooi. Naast het pad kijkt een vrouwelijk wezen me aan. Ik ken die blik. Maar ik ben gelukkig getrouwd en ook de biologie staat in de weg. Ik zeg haar niet te veel zondige gedachten te koesteren en het bij haar eigen soort te houden. Ik geef liever geen valse hoop. De koe neemt het goed op. Ik ga verder, langs de eerste huizen van Namur.

Kasseien langs de Sambre, aan de overkant de citadel van Namur

Kasseien langs de Sambre, aan de overkant de citadel van Namur

De Maas

Aan de rand van de stad moet ik eerst onder een weg en een reeks sporen door, via hellingen, tunneltjes en een enkele keer met de fiets aan de hand, voordat ik een kasseienstrook strak langs de Sambre bereik. Verderop staat aan de overkant de citadel van Namur, hoog boven de stad. Die ik even in moet, vlak langs de Place D’armes met de friterie waar ik nu geen tijd voor heb. De kade-punt waar de Sambre in de Maas stroomt ligt nog steeds (al jaren) open, waardoor ik met m’n fiets een trap af moet om alsnog de Maas te bereiken. Daar is ze weer, de rivier die ik op de grens van Brabant achterliet. Ik volg haar tot ik een paar kilometer zuid van de stad de route verlaat en rechtsaf sla, naar een paar haarspelden die de helling op gaan. In een bocht kijk ik om, terwijl de schemer op komt zetten. Hier kom ik morgenvroeg weer langs om de route op te pikken, dat gaat mooi worden.

Een ander België

Als je 140 km heb gefietst en er gewoon wilt zijn, terwijl de weg al die tijd niets geks heeft gedaan, gaat die weg dus op de laatste 5 kilometer wel gek doen. Je doet er niets aan. Omhoog, logisch want ik moet uit het Maasdal klimmen om de camping te bereiken. Maar het blijft maar omhoog gaan, van de Maas op 75 meter naar ruim 200 meter. Dat gaat nergens over en ik weet dat het puur met het einde van een lange dag te maken heeft, maar [@#§, niet publiceerbaar] waarom nu? De omgeving draagt niet bij aan het herstel van het geluksgevoel. Op de smalle weg zijn afrem-sluizen gemaakt, waar maar één auto tegelijk door kan en waar dus maar één kant voorrang heeft. Ik weet niet wat er aan de hand is, maar dat levert bizarre taferelen op. Auto’s die, als zat heer Satan hen in eigen persoon op de hielen, nog net vóór de ander door de sluis slalommen. Niet een enkele malloot, maar bij elke sluis. Ze rijden keihard door het dorp, werk-woonverkeer dat er net als ik wil zijn. Kennelijk tegen elke prijs. Bij een woonhuis rukt een man scheldend aan de voordeur-kruk, terwijl een vrouw met een been tussen de deur die uit alle macht probeert open te houden. Taferelen die ik alleen ken van Engelse films over achterstandsbuurten. Dit lijkt een ander soort België. Een korte afdaling, nog een kleine bult over en dan daalt de weg flink (daar gáán de bloedig gemaakte hoogtemeters) totdat rechts het bord van camping Les Trieux in zicht komt. Het is 7 uur, ik ben er. Blij. Held.

Boogbrug over de Maas bij Jambes

Pont de Jambes, een boogbrug over de Maas uit de 16e eeuw, Jambes – even zuid van Namur

Belgisch

In het halfdonker zet ik m’n fiets op een vlak stukje grind en check in. In een kleine ruimte die zowel receptie als kampwinkel is schrijft de beheerder een bonnetje uit voor een enkele overnachting. Het is 10 euro. Een blikje cola is een euro, de receptie is tot 10 uur vanavond open. Informeel, gemakkelijk, heel Belgisch. Hier wil ik zijn. Weer buiten staat bij de slagboom een gloednieuwe camper met Nederlands kenteken. De bestuurder stapt uit, met bruine schoenen en strak in een zorgvuldig vrijetijd-uitstralend net shirt en spijkerbroek. Die heeft z’n werk niet losgelaten. De motor blijft draaien terwijl hij incheckt, in de stille avond op de nog stillere camping waar de dag voorbij is en kampeerders zich terugtrekken. Ik kies een vlak grasje tussen coniferenhagen, de camper parkeert een haag verder. Het gezin heeft lol, wij zouden het kunnen zijn, al is onze VW-bus 15 jaar oud en heb ik geen lichtbruine schoenen.

De WC is ieniemienie, ik stoot m’n hoofd tegen de deur, m’n lijf is moe. Maar het is heel goed gegaan vandaag. Vanmorgen naast een boerenschuur in Borkel, nu op een helling van het Maasdal bij Namur. Ik kook m’n noedels en nip m’n wijn. Het wordt kouder en helemaal donker. Ik voel me weer die prins en kan m’n geluk niet op. Als hier vannacht een wedstrijd in goed slapen wordt gehouden ga ik ‘m winnen.

Dag 3: Malonne – Landouzy la Ville

Overzicht en aanloop

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.