Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Parijs | Dag 4

Ik sta op in een wolk. Als ik uit de tent kruip hangt de mist over het in duisternis gehulde veld. De wereld slaapt, ik was wakker voordat m’n wekker ging. Het vocht is overal, ik drink m’n koffie op de betonnen bank en kan nauwelijks stil blijven zitten. Vandaag zal elk van de 117 kilometers nieuw voor me zijn.

Église Saint-Nicolas, Bancigny, fietsen naar Parijs

Église Saint-Nicolas, Bancigny.

Ik heb geen grote verwachtingen van het noorden van Frankrijk. Toen we nog geen kinderen hadden gingen we meestal via de routes nationales, binnendoor, naar het zuiden. Bij Bouillon de grens over en dan via Sedan en het Maasdal richting Dijon, Lyon en verder. Met de auto en, op een lange reis, ook in omgekeerde richting op de fiets. Noord-Frankrijk was steeds een gebied waar we niet voor kwamen, maar waar we nou eenmaal doorheen moesten op weg naar het zuiden of terug naar huis. Ik had er geen aandacht voor. Nu is het m’n bestemming, nu buig ik vanaf de Belgische grens af naar het zuidwesten.

Elke vezel

Ik pak snel m’n spullen en de natte niet-meer-zo-lichtgewicht tent in, om even voor half acht verlaat ik het erf en ga ik de weg op. Alles is nog steeds stil en donker, het is zaterdag. Boven me is er een eerste hint van de naderende dag, zwart wordt iets minder zwart en de grond komt uit de mist tevoorschijn. De handschoenen gaan aan, als ik een muts bij me had gehad ging die ook op. Terug naar de route, over de D29 waar me totdat ik rechtsaf sla richting Jeantes precies twee auto’s passeren. Het is takke-koud, maar wat is dit gaaf, alweer, zo’n vroege en donkere start. Elke vezel van m’n lijf heeft ‘t naar z’n zin, maar van zingen komt het niet, daar is de onderkaak nog te onbeweeglijk voor in de koude klamme rijwind. Ik ben vast de enige fietser in dit deel van het noordelijk halfrond, het vrijheidsgevoel is totaal.

Kerk in Jeantes, fietsen naar Parijs

De versterkte kerk in Jeantes, Place Charles Eyck.

Helemaal gemist

In Jeantes, het eerste dorp dat ik tegenkom, stap ik heel even af om een boerenhoeve met een leistenen dak (kenmerkend voor deze streek) op de foto te zetten en meteen de werking van alle gewrichten te testen. Op een bordje op de hoek van een dikke muur naast me staat ‘Place Charles Eyck’. Ping, zegt iets in m’n hoofd, de routegids van Paul Benjaminse had het over ene Charles Eyck die in een van de kerken in deze streek grote muurschilderingen had gemaakt. De kerken waar ik zo benieuwd naar ben na de beschrijving in de gids. Ik zet een paar stappen naar achteren en kijk omhoog. Ik sta voor een kerk. Helemaal gemist in de mist.

Dit is een van de versterkte kerken, vestingkerken of weerkerken, die eigen zijn aan de Thiérache, dit deel van het departement Aisne. De mensheid is gek op oorlogvoeren, maar in de Tachtigjarige oorlog (een aantal decennia vóór en na 1600) waren de inwoners van deze dorpen het zat om iedere keer hun spullen in te moeten leveren bij de ene of de andere slechtbetaalde plunderende troep soldaten. Ze bouwden hun kerken uit met bakstenen hoektorens met dikke muren en schietgaten, waardoor je binnen niet alleen de Heer kon loven, maar ook pijlen en musketkogels op de zoveelste vijand af kon schieten. Ze moesten wel, want het dorp had geen stadsmuren, de herenburcht was ver weg en de kerk bevatte waarschijnlijk de meeste schatten, zoals collectegeld, monstrans en zilveren kandelaars.

Kerk van Plomion, fietsen naar Parijs

De église fortifiée van Plomion.

Niet gedacht dat ik de eerste vestingkerk al zo snel tegen zou komen. In het sterker wordende dimlicht is hij ferm en hoekig. Ik ben tijdens een fietstocht in de provincie Utrecht eens de Sint-Barbarakerk van Bunnik tegengekomen. Een kruising tussen een godshuis en een kasteel. Prachtig en krachtig. Daarom sta ik op de uitkijk tijdens het eerste deel van de route van vandaag. Ik fiets verder. Een rolluik gaat omhoog, ergens zit een man alleen aan een tafel. Het is kilometerslang de enige menselijke activiteit.

Filmset

Wat ik tegenkom is boven mijn verwachting. Elk dorp heeft z’n eigen kerk-vermomd-als-burcht. In Bancigny is het een klein, gedrongen kasteeltje, vast niet per ongeluk op de rand van een verhoging. Plomion, nog geen twee kilometer verder, heeft twee testosteron-torens met een bescheiden kerktorentje in het midden. Ik blijf afstappen en foto’s maken, dit is zo bijzonder. Net zo bijzonder is de doodse stilte die er in de dorpen heerst. Al is de morgen inmiddels gevorderd, het lijkt alsof ik rondloop op de set van een dystopische film, met lege straten en huizen omdat de mensheid massaal op de vlucht is geslagen of is getroffen door een verschrikkelijk virus. I am legend, maar dan in Plomion. Het is bijna spooky, maar de sfeer is niettemin geweldig.

Het beste soort

Net als dit hele routedeel door de Thiérache. Elke paar kilometer is er een nieuw dorp, met nooit meer dan 200 inwoners, maar met z’n eigen sterke kerk. Soms lomp en vormeloos, uit de categorie ‘hoe krijgen ze het bij elkaar verzonnen’, soms indrukwekkend als een sumoworstelaar die, breeduit staand en met een kalme blik, elk gevecht aan lijkt te kunnen. Ondertussen is de weg nooit geniepig, maar vriendelijk met een enkel kort stukje omhoog. Het zonlicht wordt bij elk dorp sterker achter de mist, er is zoveel te zien en zo weinig verkeer, dit is pretfietsen van het beste soort. De routegids biedt voor dit deel een alternatieve, kortere, route. Ik ken ‘m niet, maar (even los van de overweging om minder kilometers te fietsen) die mag wel iets bijzonders meenemen om het te winnen van de kerkenroute van vanmorgen.

Vestingkerk van Rogny, fietsen naar Parijs

Vestingkerk van Rogny.

Een is genoeg

Met de niet zo subtiele vierkante toren van de kerk in Rogny laat ik de vestingkerken achter me. Dat doe ik ook met de mist, alsof een regisseur het zo bedacht heeft. De zon breekt door de mist heen, de wereld verandert met licht en schaduwen. Ik laat de milde oktober-zonnestralen m’n wangen verwarmen, maar de handschoenen blijven aan, de kou is nog niet uit de lucht.

In Marle kom ik precies op het goede moment een artisan boulanger, tevens artisan patissier tegen. Achter de kunstig bewerkte gevel wacht me een overdaad aan alles wat de bakker heeft bedacht en de oven heeft voortgebracht. Als ik buiten de zak half leeggegeten heb schiet me de waarschuwing van de routegids te binnen: weinig winkels op dit deel van de route. Ik ga nog een keer naar binnen, vervelend maar ik moet wel. Met een voorraadje van alles waar ik me nu al op verheug trek ik voor vandaag meteen de angel uit het weinig-winkels-ding. Per dag heb ik maar één zo’n bakker nodig.

Toeschouwer langs de weg omhoog in Marle. “Gast, echt, je maakt je veel te druk.”

Opschiet-fietsen

Een stukje verder ga ik rechtsaf, de heuvel op naar de kerk en het centrale plein van Marle. Tegen de rijrichting in, de gps-track moet hier omgelegd worden, ik doe alsof ik de enkele fronsende automobilist niet zie. Op naar Laon, waar ik voorbij de helft van m’n etappe van vandaag zal zijn. De route doet wat ik nu het liefste doe: kilometers maken. Voor mij bestaat de ideale fietsdag uit een mix van dingen zien, afgewisseld met stukken opschiet-fietsen. Ontdekken is mooi, maar ik wil ook onderweg zijn, ergens komen, het landschap zien veranderen.

Daarom komen de lange stukken licht glooiende akkers na Marle op het goede moment. De zon wordt lekker warm, de handschoenen mogen in de fietstas, de weg is goed. De route gaat door rustige dorpen en over even rustige wegen. Voyenne, Erlon, Dercy, Mortiers. Een stukje bos, opnieuw akkers, opnieuw dorpen. Het schiet op, de benen hoeven weinig hoogtemeters te maken, de wind komt uit de goede hoek. Voor ik het weet doemt aan de horizon vóór me een heuvel op waarop ik aan de oostkant de torens van de kathedraal zie. Laon.

Hart

Wat inwonertal betreft kleiner dan Leusden (onze buur in Amersfoort), maar in de middeleeuwen een stad met gewicht en nu de préfecture (hoofdstad) van het departement Aisne. Een stad waar volgens Victor Hugo alles mooi aan was: “kerken, huizen, de omgeving, alles”. Het letterlijke en toeristische hart van Laon is de vesting, gelegen op een heuvel, met middeleeuwse gebouwen en een kathedraal uit het midden van de twaalfde eeuw.

Akkerland naar Laon, fietsen naar Parijs

Akkerland, met heel in de verte Laon.

Ferme de Thierret.

Ga ik Laon in of niet? Als ik alle reisverslagen van deze Parijs-route lees lijkt het geen vloeken, maar een tirade in de kerk als ik het niet zou doen. En toch doe ik het niet. De route schampt Laon op een rustige uithoek van de stad, om de kathedraal en het middeleeuwse centrum te bekijken – feest voor mij als geschiedenisliefhebber – moet ik de stad in en omhoog, en weer terug. Ik ga me verliezen in de pracht van de kerk, de sfeer van de straten, in beelden en gewelven. Dan ben ik uren verder. Maar er staan nog 55 ongefietste kilometers te wachten, met vele beloftes uit de routegids. Ik wil niet te laat in Attichy aankomen, want ik wil morgen een écht vroege start maken voor de finale naar de Notre Dame. Ik weet het antwoord en blijf trouw aan mijn keuze – een balans tussen dingen zien en ver komen. Ik sla rechtsaf en fiets de velden in.

Plaatje

Niet ver buiten Laon kom ik de ferme de Thierret tegen. Een onverwachte halfedelsteen tussen alle kiezels op het pad. Een carréboerderij, met een poort en een binnenplaats. Een woonhuis waar niet de allerarmsten wonen, een torentje en een grote tuin. Het zonlicht maakt er een plaatje van, ik volg het voorbeeld.

Golvend land tussen Thierret en Prémontré, fietsen naar Parijs

Bos en akkers, golvend land tussen Thierret en Prémontré.

De abdij van Prémontré, fietsen naar Parijs

De abdij van Prémontré (let op de kogelgaten in het gebouw rechts).

Norbertus

De grote vergezichten over akkers maken plaats voor korte stukken boerenland, afgewisseld met dorpen en percelen bos op en naast de route. De klimbenen mogen uit de bijna-ruststand. Het gaat golven. In de aanloop naar Cessières gaat het omhoog, tussen Cessières en Suzy gaat de route een kleine heuvel over, na Suzy begint een echte klim naar de bosrand en er voorbij. Van 91 meter in Suzy naar 185 meter in het bos. De grootste kransjes achter komen aan de beurt, de spieren mogen het laten zien. Helemaal niet erg, het lijf even laten werken. Het is heerlijk om in het bos te zijn. De koele lucht, de geuren van bomen en grond. Een afdaling, nog een hobbel en dan opent het landschap zich met het binnenrijden van Prémontré.

Het dorp biedt niets bijzonders, maar dat wordt anders als verderop de muur links naast de weg een spijlenhek met statige kolommen wordt. Erachter ligt de abdij van Prémontré (de Nederlandstalige wiki-pagina is erg summier). Zo heten de gebouwen nog, maar die functie hebben ze niet meer. Ooit, in 1120, stichtte de heilige Norbertus hier een abdij en een nieuwe kloosterorde, die later de orde der norbertijnen zou gaan heten. Norbertus werd geboren in het Genneperhuis, Gennep, waar de Niers (waaraan mijn vrouw haar achternaam te danken heeft) in de Maas stroomt. Van die burcht staan nu alleen nog de fundamenten, ik kwam er bij toeval langs op een tocht naar Maastricht (en fotografeerde er m’n eerste Nederlandse ijsvogel). Ook van de oorspronkelijke norbertijner abdij van Prémontré is vrijwel niets meer over, zoals meteen te zien is aan de chateau-achtige witte gebouwen achter het hek, die er in de 17e en 18e eeuw neergezet werden. Behalve de nog steeds aan Norbertus gewijde kerk zijn ze al anderhalve eeuw in gebruik als psychiatrisch ziekenhuis. Ik heb geluk. Op de parkeerplaats die in de routegids vol auto’s staat, staat nu één auto. De conciërge die in het weekend de goudvissen nog even komt voeren. Of een geneesheer die met zijn maîtresse ‘s weekends ongestoord de biologie kan verkennen. Je weet het niet. De gebouwen zitten vol kogelgaten, maar zijn in de laatste oorlogen kennelijk gespaard gebleven.

Het kasteel van Coucy, fietsen naar Parijs

De zuidelijke vestingmuur van het kasteel van Coucy, met in de verte wat over is van het eigenlijke kasteel.

Coucy-le-Château

Voorbij de abdij gaat het weer omhoog, van 107 meter in het dorp Prémontré tot 193 meter waar de route bij een antieke wegwijzerpaal linksaf gaat. Inmiddels weer tussen de bomen. Vandaar gaat het na een flauwe bocht kilometerslang kaarsrecht door het bos, de helling af. Suizen tussen de bomen en, iets na de samenvoeging met de D13, door de velden.

Eenmaal op de D5 komt de route een nieuw hoogtepunt tegen. De gehavende vestingruïne van Coucy-le-Château-Auffrique. Vanaf 1220 bouwde Engelram de Derde (de naam is al geweldig) hier een kasteel (scroll naar beneden en download het guide booklet) waarvan de muren, afgewisseld met torens, de hele heuvel waarop het dorp lag omspanden. In de noordwesthoek stond het eigenlijke kasteel, met vier enorme torens en in het midden de donjon (het laatste bastion van een kasteel, een soort panic room waarin de kasteelheer met familie zich terugtrok als het kasteel belegerd werd) die met z’n 54 meter de hoogste van Europa was. Ik fiets de vestingstad binnen via de Porte de Laon, indrukwekkend, gehavend en in de restauratie-steigers. Dat hij deels in puin ligt wijt ik aan een beschieting tijdens een historische belegering. Niet vreemd bij dit soort oude vestingen, waarvan de meeste nou eenmaal stuk gingen in de tijd waarin ze dienst deden.

Porte de Laon. Het gerestaureerde stuk in de linker toren is zo nieuw, dat het erin gephotoshopped lijkt.

Barbaarsheid

Het werkelijke verhaal is onthutsend. Coucy werd in de Eerste Wereldoorlog bezet door de Duitsers, die iedereen uit het keizerrijk die wat voorstelde (inclusief keizer Wilhelm de Tweede himself) trots rondleidden op hun nieuw verworven legerpost. Maar WO I werd al snel een militair (en humanitair) drama en in 1917 trokken de Duitsers zich noodgedwongen terug. Of het pure nijd was dat hun superieur geachte leger op de vlucht moest, of met een militair doel zodat Franse en Britse artilleriewaarnemers er niets meer aan zouden hebben, hoe dan ook: op 27 maart 1917 blazen de Duitsers de donjon op met 28.000 kilo dynamiet, de vier hoektorens met elk ruim 10.000 kilo dynamiet. Ook de stadspoorten en veel andere gebouwen in de stad worden verwoest. Het veroorzaakt zo’n enorme volkswoede, dat de berg puin van de donjon tot op de dag van vandaag niet is opgeruimd, maar fungeert als monument van barbaarsheid.

Na een colastop op het terras van een door een oudere hippie gerund café (met voor het eerst deze tocht toeristenprijzen, direct genomineerd voor de middelvingertrofee) gaat de route haarspeldend de burcht uit, langs de fantastische zuidelijke muur van de vesting. Steeds verder naar beneden tot de Ailette op 46 meter, daarna weer omhoog naar uiteindelijk 152 meter. Achter me heb ik uitzicht op Coucy-le-Château-Auffrique, dat prachtig en indrukwekkend een groot deel van de horizon inneemt.

Het kasteel van Coucy, fietsen naar Parijs

Het kasteel van Coucy, met helemaal links de overblijfselen van het eigenlijke kasteel.

Het is mooi geweest vandaag. Op het hoogste punt aangekomen is het tijd voor de laatste 21 kilometer van vandaag. De route gaat, op een enkele glooiing na, naar beneden. De zon zakt, het licht begint over de laatste velden en plukjes bos van vandaag te scheren. Ik zet muziek aan op m’n telefoon, het Gloria van priester-componist Antonio Vivaldi. Het tweede deel is prachtig, Et in terra pax hominibus (bonae voluntatis), ‘en vrede op aarde aan de mensen die Hij liefheeft’. Het licht over het landschap, de muziek, het gevoel van vrijheid. De tranen stromen over m’n wangen. Dit, dit. Dit is waarom ik hier ben. Dit is alles wat er nu hoeft te zijn.

Blije bloemen langs de weg, fietsen naar Parijs

Blije bloemen langs de weg.

Kroon

Ruim vóór het donker rijd ik de camping van Attichy op. Aan de hulpvaardige eigenares, die het midden houdt tussen een Portugese boerendochter en een Libanese prinses, vraag ik of er in de buurt een restaurant is. Het is tijd voor iets meer dan een pan noedels. Ze haalt een foldertje van een pizzeria tevoorschijn. Die komen ook brengen, weet ze. Ze belt voor me: ze bezorgen zelfs bij de receptie. Veertig minuten wachten en het geld contant klaar hebben, dan komt het goed. Zo moet het zijn en zo gaat het ook. Ik zet m’n tent op, maak kamp en praat wat met medekampeerders.

Bij de beginnende schemer betaal ik de bezorger die in z’n bestelauto mijn pizza heeft gebracht. Aan een picknicktafel aan het meer bij de camping eet ik wat de kroon op deze geweldige dag vormt. Na een douche keer ik terug naar de tafel. In het donker rijdt een motorrijder de camping op. Een wereldreiziger. Hij komt uit Spanje, terug met een helse tegenwind. Terwijl hij naast me z’n tent opzet praten we over slaapmatten, reisverhalen en onze plannen.

Het is donker, de kou komt opzetten. Ik trek de ritsen van trui en jas dicht en maak een foto van deze plek. In het gelige licht is een enkele tent herkenbaar. Nog even het moment meemaken op de nu stille camping. Hier zit ik, vier dagen fietsen van Amersfoort, na dik 520 kilometer. Het was prachtig vandaag, dit deel van Noord-Frankrijk is mooi, onverwacht mooi. Ik sta op, poets m’n tanden en duik m’n Blue Kazoo in. Morgen vroeg op. Morgen naar Parijs.

Dag 5: Attichy-Parijs

Overzicht en aanloop

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.