Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Rome | Dag 10

Eenvoudig, maar niet vervelend.

Foto hierboven: blik op het noorden, achteromkijkend bij de eerste van de serie van tien haarspelden aan de voet van de Splügenpas.

Om kwart voor zeven sta ik op het gras, uitgeslapen. Dat had ik nodig, gisteravond heb ik buiten gezeten totdat de schemer overging in duisternis, de tocht overdenkend, het gevoel belevend dat ik er ben. De grond is nat, net als de tent. Vannacht werd ik wakker van de regen, nu zie ik boven me stukken blauw. Flarden wolk kleven aan de sparren op de helling waar ik op uitkijk, kampeerders worden wakker, de zon bereikt nog niet alle delen van het veld. De dag begint.

Ik ontbijt met koffie en een pompoenpit-broodje uit Nofels-Feldkirch. En neem de tijd. Smeer me in met zonnebrand, pak m’n tassen voor deze bijzondere dag extra goed in en loop om vijf voor half negen naar de uitgang van de camping. Laat voor mijn doen, maar vandaag deert niets me. Het is zondag 11 juli. Vandaag is het pasdag.

Wat een geluk

Over een fietspad door een industriegebied rijd ik langs de noordrand van Chur. Rechts passeer ik een kermis waarvan de gekleurde lichten gisteravond de lucht beschenen. Tussen de bergen links en rechts is het dal vol met zon, sneeuwwitte wolken en blauwe lucht. Het gaat mooi weer zijn vandaag. Wat een geluk.

In Domat/Ems. Die in Kaatsheuvel is spannender, deze mooier.

Hoogtemeters

Ik ben begonnen op 560 meter en moet naar 2113 meter, netto liggen er 1553 hoogtemeters vóór me, plus de meters die ik weer verlies. Die klim ga ik opeten als een taartje, ik ga ervan genieten. Op hoogte zijn vind ik geweldig. De natuur en het weer regeren er, de mens heeft zich ernaar te voegen. Het zal flink wat inspanning kosten, maar de beloning zal er zijn.

Golfbaan

De route loopt een stuk langs snelweg A13, gaat er onderdoor en volgt daarna het spoor. Ik schamp de zuidkant van Domat/Ems (Domat is de Reto-Romaanse, Ems de Duitse plaatsnaam, vandaar) en buig af naar het zuiden. Rechts van me komt de golfbaan in zicht waarvan ik me thuis, bij het maken van de tracks, afvroeg hoe die er in werkelijkheid uit zou zien. De aandacht voor deze plek had een reden, aan de westkant ervan begint de Polenweg, met de eerste hoogtemeters van vandaag.

De gravelweg loopt langs de smetteloos groene grasvelden en begint iets te stijgen. Golfers slepen hun karretjes voort, kerkklokken luiden in de verte. Links van me komt het bos tot aan de weg, de golfbaan houdt op, ik ga beginnen aan de klim. Ik ben heel erg benieuwd.

De Polenweg

Dat de Polenweg haar naam dankt aan, ehm, Polen is niet zo ingewikkeld, maar wat heeft Polen te maken met een bosweg in het Zwitserse Rijndal? Het verhaal erachter is – zoals vaak – bijzonder. In de Tweede Wereldoorlog vocht een Poolse legerdivisie mee met de Fransen nadat in 1940 het Duitse leger Frankrijk binnenviel. Toen de slag verloren was en de Poolse eenheden afgesneden raakten vluchtten ze naar het neutrale Zwitserland. Dat had een prijs. Volgens een verdrag van de Tweede Vredesconferentie van Den Haag moet een neutraal land militairen van de strijdende partijen interneren wanneer deze er hun toevlucht zoeken. ‘Interneren’ betekent in deze context gevangenzetten. Dat voorkomt dat de gevluchte militairen later alsnog deelnemen aan de strijd (na het neutrale land als een soort pitstop gebruikt te hebben). Het is alsof je een tank in een afgesloten garage bewaart totdat de oorlog voorbij is. De in Zwitserland geïnterneerde Polen maakten zich nuttig door onder andere wegen aan te leggen, zoals hier tussen Domat/Ems en Rothenbrunnen. Er zijn meer dan 25 Polenwegen en Polenstrassen in Zwitserland.

De golfbaan zuid van Domat/Ems, achteromkijkend aan het begin van de Polenweg.

Eraf

De Polen hebben er destijds geen onduidelijkheid over laten bestaan, op het laatste stukje gras vóór de bosrand gaat de weg meteen goed omhoog. Ik vind het prima, alles wat ik nu klim hoeft straks niet meer. Liever op een kort stuk veel hoogtemeters dan vals plat dat kilometerslang doorzeurt. Er zijn stukjes waar ik er zowaar even af moet, doorduwen geeft een te grote druk op m’n knieën. Niet zo nuttig, en ook niet erg verstandig gelet op wat er vandaag nog komt. M’n kop gebruiken bij wat ik van m’n lijf vraag, dat is de truc. Meer dan een tiental meters is het niet, maar als dit een voorbode is van wat nog gaat komen zie ik de folder-slogan al: ‘Ontdek onze avontuurlijke wandelvakanties met de fiets aan de hand!’

Het is geen voorbode. Voorbij de 650 meter komt de klim tot rust en stijgt langzaam door tot zo’n 695 meter. Op het grijze gravel is het goed fietsen, maar ik let heel goed op de metalen afwater-gootjes die schuin over de weg lopen. Ik steek ze recht over, als m’n wiel erin terecht komt is het – door de fiets die doorduwt – einde velg en kan ik terug naar Chur. Het zonlicht piept tussen de takken door, het bos is koel en aangenaam, de weg vlakt uit.

Het stuk waar de berg strak langs de bergwand loopt, uitzicht over de Hinterrhein, je kijkt hier richting het zuiden.

Uitzicht

Tussen de bomen door zie ik in het noorden de A13 uit een helling komen en een rivier oversteken. Op de kaart ontdek ik dat de snelweg daarna onder de berg doorgaat waarop ik nu fiets. Een paar honderd meter verder krijg de Polenweg een andere gedaante. Het bos houdt in, links zijn rotsen, rechts valt de berm met een wand steil naar beneden (een ‘afgrond’ in jongensboek-taal). Op de weg liggen stukken steen die naar beneden zijn gekomen, een metaal-met-houten balustrade voorkomt dat je in het donker in vrije val de weg af gaat (bijvoorbeeld na een hele fles whisky). Beneden stroomt de Hinterrhein, die achter me, iets verder dan waar ik de snelwegtunnel zag, samenstroomt met de Vorderrhein en daarna samen als Alpenrhein verder gaat. Een prachtig uitzicht, heel erg leuk.

De beschrijving gaf de indruk dat ik hier een eind strak langs de rotswand zou fietsen, maar het is maar een klein stukje. Links en rechts worden de wanden weer groene hellingen, de weg een heel mooi gravelpad door het bos, op de flank van een onzichtbare hoogte naast me. Een ree staat in de berm en vlucht ritselend de helling af. Links duikt nu en dan een stuk rotswand op, de boomkruinen filteren het zonlicht, het is een waar feest om hier te fietsen. Nu vind ik dit nog bijzonder, wat ik straks nog aan bergen en rotsen krijg zal dit ongetwijfeld doen verbleken.

Dal tussen Rothenbrunnen en Thusis.

Gehobbel

De gravelweg daalt en daalt, en komt uit in een vlak en breder wordend dal. Ik passeer Rothenbrunnen, waar de Polenweg officieel eindigt, en fiets het dal in. De bosweg wordt een fietspad van gebroken betonplaten, gevolgd door versleten grindasfalt dat ontzettend hobbelt. Om me heen groene weiden, daar voorbij hellingen, in de verte de bergen waar ik naartoe ga. Op een enkele bult na is de route hier vlak.

Via een brug steek ik de snelweg en de Hinterrhein over, naar de westkant van het dal, en ga vóór het spoor links. De spoorbomen zijn gesloten, een rode trein rijdt voorbij. Langs de weg liggen opgestapelde stammen, in de stukken bos krijgen sparren en dennen de overhand. De zon is overal, dit is onbezorgd fietsen van het beste soort, met bovendien een geweldig vooruitzicht. Af en toe is het asfalt mooi glad, dan weer rammelt het of gaat het over in gravel. Fietsers komen voorbij, we groeten elkaar.

Niet aardig!

Vóór Thusis gaat de route over een fietspad door het bos, met een zwembad, sportvelden en een camping. Ik ben aan het einde van het dal gekomen en schamp Thusis bij een tankstation met een kleine Coop-supermarkt. Daar grijp ik m’n kans om nog wat eten in te slaan. Buiten staan knetterende motoren waarvan de boos kijkende berijders heel erg hun best doen om vooral niet aardig gevonden te worden. Dat lukt bewonderenswaardig goed. En toch, misschien zit er wel een zachtaardig mens in dat barse hoofd. Misschien is hij net gebeld door z’n vriendin, dat ze vanavond samen op de bank The sound of music gaan kijken. Van mannen en hun toneelstukjes begrijp ik iets, hoe saai zou het leven zonder zijn. Mannen en hun herrie-dingen begrijp ik niet, dat komt ergens vandaan waar ik het niet ken.

Een paar honderd meter verder verlaat ik de buitenrand van Thusis en ga ik bij een rotonde linksaf. Naast de weg staat op een bord dat de San Bernardinopas open is. Niets over de Splügenpas. Begrijpelijk, de San Bernardino is de hoofdroute, de Splügen is secundair. De weg gaat omhoog, het gaat beginnen.

Meteen komt de eerste tunnel in zicht. Ik doe m’n licht aan, wacht even totdat een aantal auto’s is gepasseerd en fiets de geelverlichte stenen buis in. In m’n werk ben ik van de tunnels, al fietsend kijk ik om me heen naar wat me opvalt. En bedenk dat die kennis andere (Rome)fietsers van pas kan komen. Daarom is hier de…

Survivalgids voor tunnelfietsers

In de Rotterdamse Maastunnel hebben fietsers (net als voetgangers) een eigen tunnelbuis.

In Nederland rijd je als fietser niet in dezelfde tunnelbuis als de auto’s. In het buitenland doe je dat wel, ook door tunnels op doorgaande wegen, naast de auto’s. Een spannende ervaring. Dat is meer dan een gevoel: tunnels buiten onze grenzen zijn niet altijd zo veilig als in Nederland, waar ze moeten voldoen aan strenge, in de wet vastgelegde eisen. Veel tunnels waar je doorheen fietst hebben nauwelijks veiligheidsvoorzieningen. Dat betekent niet dat ze dus onveilig zijn, maar wel dat je zelf op je veiligheid moet letten. De twee grootste gevaren als tunnelfietser zijn (1) aangereden worden en (2) rook.

Zichtbaarheid
Gezien worden is essentieel, maar niet het hele verhaal. Fietsers worden ook aangereden omdat een bestuurder afgeleid is, bijvoorbeeld door iets naast de weg. Bij een wegtunnel is dat laatste een reëel gevaar. Het in- of uitrijden van een tunnel is extra belastend voor bestuurders: ogen die moeten wennen aan het minder felle of fellere licht, de nabijheid van de tunnelwanden, weerkaatsend geluid. Bestuurders zijn op dat moment meer met de tunnel bezig dan met de weg. Uit onderzoek (hier een overzicht) blijkt dat de kans op een ongeval bij de tunnelmonden groter is dan in het midden van een tunnel. Zelf combineer ik veel zichtbaarheid met een beetje timing:

●  Licht aan (duh), met een extra rood knipperlicht (mag niet overal, doe ik toch) aan m’n achtertas.
●  Felgekleurde bovenkleding aan.
●  Helm op.
●  Wachten vóór de in- en uitgang (tunnelmond) totdat achteropkomend verkeer gepasseerd is, vooral vrachtwagens.
●  Alle ego laten varen, geen ruimte opeisen, uiterst rechts rijden.

Als je het helemaal goed wilt doen, draag dan een reflecterend hesje. Weegt niets, neemt weinig ruimte in, groot effect.

Vluchtdeur in de Utrechtse Stadsbaantunnel.

Rook
Naast aanrijdgevaar is rook je grootste vijand. Bij een brand op de open weg kunnen rook en hitte weg, in een tunnel niet. Tunnelbranden zijn zeldzaam, maar de rook ervan is levensbedreigend. In de rook van een voertuigbrand houd je het maximaal een halve minuut vol, daarna raak je bedwelmd. Zonder hulp sterf je. Een berucht voorbeeld is de brand in de Mont Blanctunnel (de Nederlandstalige pagina rammelt) op 24 maart 1999, veroorzaakt door lekkende diesel op hete motordelen van een vrachtwagen. Er vielen 39 doden, waarvan 38 door het inademen van rook. Ze hadden te lang gewacht met zichzelf in veiligheid brengen, de brandweer aan Franse zijde heeft de brand nooit bereikt. Het was onder andere deze brand die ervoor zorgde dat de EU een Tunnelrichtlijn kreeg, waarvan de Tunnelwet de (strengere) Nederlandse vertaling is.

Behalve een snelle detectie zijn de belangrijkste veiligheidsmaatregelen bij een tunnelbrand (1) de rook wegventileren en (2) veilig vluchten mogelijk maken. Ventilatie: in Nederland mag een auto-tunnelbuis die langer is dan 250 meter maar één rijrichting hebben. Dergelijke tunnels laten zich goed ventileren, met langsventilatie waarbij grote ventilatoren de rook in de rijrichting de tunnel uitblazen. Vóór de brand ontstaat hierdoor een rookloze zone waar weggebruikers veilig kunnen vluchten en de brandweer zicht op de brand heeft. Veel Alpentunnels hebben maar één tunnelbuis, met beide rijrichtingen. Langsventilatie kan daar niet, een van de rijrichtingen zou dan in de rook komen te staan. Alternatieve ventilatie-vormen zijn niet krachtig genoeg bij veel rook, zoals bij een vrachtwagenbrand (zie de brand in de Mont Blanctunnel). Veilig vluchten: auto-tunnelbuizen (> 250 meter) zijn in Nederland voorzien van groene vluchtdeuren in de tunnelwand. Via zo’n vluchtdeur kom je in een vluchtgang of in de andere tunnelbuis terecht en heb je geen last meer van de rook. In buitenlandse tunnels waar je mag fietsen zijn die vluchtdeuren er soms, maar meestal niet. Als fietser in een buitenlandse wegtunnel raad ik je het volgende aan:

●  Let op de tunnelwanden: zie je vluchtdeuren of (foto hieronder) groene vluchtweg-bordjes?
●  Kom je rook tegen en heb je vluchtdeuren gezien, neem de dichtstbijzijnde deur (zie de groene vluchtweg-bordjes) en verlaat de tunnelbuis.
●  Kom je rook tegen en zijn er geen vluchtdeuren: keer direct om en fiets terug. Niet eerst afladen (behalve als je helling-op moet EN de rook heel dun is).
●  Verwacht niets van tunnelventilatie. Ga ervan uit dat de rook niet verdwijnt, maar dikker wordt.
●  Red jezelf en anderen, wacht niet op de brandweer, die is niet eerder dan na 15 minuten bij je – waarschijnlijk later.
●  Sta je dicht bij de (beginnende) brand, kijk dan waar de rook naartoe gaat. Vlucht (fiets) de andere kant op.
●  Stop en bel het noodnummer pas als je veilig (uit de rook) bent, voorbij een vluchtdeur of in de openlucht.

Rongellen I, de eerste – goed verlichte – tunnel op de weg naar de Splügenpas. Het groene bord rechts geeft de afstanden aan naar de dichtstbijzijnde vluchtdeuren. Die heeft deze tunnel niet: de afstanden zijn die naar de tunnelmonden, de tunnel is 225 meter lang. Borden als deze worden in alle tunnels gebruikt en helpen je bij het vinden van een vluchtdeur/uitgang.

Gevaren in perspectief
Het rookverhaal klinkt alsof in elke tunnel een rampscenario wacht, daarom een nuance. Tunnelbranden komen, in Nederland en daarbuiten, erg weinig voor. Wat veiligheid betreft verdient goed zichtbaar zijn nog steeds de meeste aandacht. Een klein lichtpuntje is dat weggebruikers in een tunnel de neiging hebben om iets meer richting het midden van de weg – weg van de tunnelwand – te rijden (niet op bovenstaande foto, de tunnelwand is daar verder weg). Met je knipperlicht aan en een reflecterend vestje om je schouders ben je waarschijnlijk zichtbaarder dan je op de open weg ooit zult zijn. Het blijft echter heel goed uitkijken. En heb je de pech in de rook van een brand terecht te komen, aarzel dan niet: wegwezen. Uit de rook blijven is het belangrijkste, of je dat nu via een vluchtdeur doet of door terug te fietsen. Ook daar een klein lichtpuntje: als fietser signaleer (ruik) je rook veel eerder dan in een auto. Als omkeren je enige optie is, doe je dat als fietser veel gemakkelijker dan met een auto in een ontstane file. Fietser zijn heeft dan z’n voordelen.

Even ten zuiden van de Viamala-kloof. De hoger gelegen weg is snelweg A13, die verderop een tunnel induikt.

Speciaal

De beleving van het fietsen verandert op slag. Ineens zijn er auto’s naast me, motoren die langsrazen en geen fietsstrook. Het aantal auto’s is niet heel groot, maar de rust van het stuk tot Thusis is helemaal weg. De weg waarover de route gaat, de H13, gaat parallel aan snelweg A13 de bergen in, daarbij de Hinterrhein stroomopwaarts volgend. De eerste acht kilometer, van Thusis tot aan Zillis, heeft een naam en faam. Dit stuk heet Viamala (van het Latijnse via mala, slechte weg), in vroeger tijden het gevaarlijkste stuk van deze Alpenovergang, die al heel lang bestaat. In onze tijd is deze weg beroemd doordat ze door een smalle en diepe kloof loopt die de Hinterrhein heeft uitgesleten.

De kloofgoden zijn me vandaag niet gunstig gezind. Er zijn serieuze werken gaande aan de 13, waarbij fietsers over een smal pad langs de brug moeten, met water dat van plastic afdekzeilen druppelt en keiengravel onder de banden. De doorkijk vanaf de brug is door de zeilen aan het zicht onttrokken. Op elke denkbare foto staan machines, zooi en alles dat met wegwerkzaamheden te maken heeft. Hier geen plaat, het is niet anders. Een Duitse fietser en ik kunnen elkaar nét passeren, we stoppen even om te vertellen waarnaar we op weg zijn en om elkaar een goede reis toe te wensen. Het is de eerste langeafstand-bagagefietser die ik deze tocht tegenkom.

Iets verder dan op de vorige foto, achteromkijkend naar de Viamala-kloof.

Alpenweides

De route verlaat de 13 en gaat verder over een smalle, rustige weg. Het landschap valt open, vóór me ligt Zillis, een klein dorp tussen bergflanken en alpenweides. Als je me zou vragen waar Heidi opgenomen was, zou ik Zillis zeggen, niet Maienfeld in het drukke en minder spectaculaire Alpenrheindal.

De weg langs Zillis is vlak, een aangename pauze na het geklim vanaf Thusis. Ik zit hier op 935 meter, de eerste (bijna) 400 hoogtemeters liggen achter me. Ik steek de Hinterrhein over, een kilometer verder nog een keer, via een houten fietsbrug die onder het wegdek van de A13 hangt. Een bord waarschuwt Achtung! Rutschgefahr auf der Holzbrücke. Je mag hier niet eens rutschen, waar blijft het avontuur?

Sterk

Na Zillis blijven rivier en route door een wat breder dal lopen, vanaf een kilometer vóór Andeer voegt het fietspad zich weer bij de 13, gelukkig vrijliggend naast de weg. Sinds Zillis ben ik 45 meter gestegen, tot 980 meter. De lucht is blauw, de zon sterk, de zonnebrand van vanmorgen blijkt geen overbodige luxe.

Andeer.

Tussen de Roflaschlucht en de Sufnersee.

Rust en onrust

Voorbij Andeer fiets ik weer op de 13. Het gaat meteen omhoog, ik blijf stijgen tot zo’n 1100 meter, aan de voet van een serie haarspelden aan het begin van de Roflaschlucht. De Hinterrhein loopt hier – onzichtbaar vanaf de weg – door een smalle kloof tussen de rotswanden door, de 13 doet dat anders en overbrugt met zes haarspelden het hoogteverschil van 75 meter. In de eerste 180-gradenbocht ligt een hotel-restaurant met het type terras waar ik niet blij van word, ik ga honderd meter verderop op een stenen trap zitten en eet wat. Het voelt als een statement (dat is het niet), maar ik doe het echt voor de rust. Die heb ik nodig. Sinds Andeer fiets ik weer naast de auto’s en – vooral – de motoren. Het is het begin van de middag, ook de uitslapers zitten nu op de weg. Die is gevuld met alles wat de stilte en de berglucht verziekt.

Verschrikkelijk

Na de haarspelden wordt het er niet beter op, eerder slechter. De 13 en ik volgen de rivier door een smalle corridor tussen de bergen. Het water ruist over de rotsblokken, de zon schijnt hard in m’n gezicht (en in m’n cameralens), de weg blijft klimmen. Soms geleidelijk, maar ook met gemene stukken omhoog die de tien procent raken of er voorbij gaan. Dit is beslist een andere klim dan naar de Col du Donon. De zon kan ik goed hebben, net als de klim – aan het werk moeten is niet erg in deze prachtige omgeving. Als het daarbij was gebleven had ik, zwetend en wel, genoten van dit stuk. Het is de herrie en de onrust van het verkeer die aan mij en m’n beleving vreten. Het is echt verschrikkelijk. Iedereen die een motor in de schuur heeft staan zit daar vandaag op, en allemaal op deze weg. Het is alsof iemand urenlang van dichtbij in m’n oor staat te roepen, onophoudelijk, terwijl ik vastgebonden zit en niet in staat ben om er iets aan te doen. Ik heb me op deze klim verheugd, maar het is niet leuk om hier te fietsen. Het geknetter en gezoem van hon-der-den motoren op de smalle weg is allesoverheersend en vult het dal, m’n beleving en m’n hoofd.

Sufnersee.

Rechts in de verte Splügen (het dorp).

Ontsnappen

Bij de Sufnersee, een stuwmeer op 1410 meter hoogte (een kleine 250 meter hoger dan bovenaan de haarspelden), vlucht ik de weg af naar een bankje aan het water. Hier kan ik even ontsnappen aan de herrie. Tegenover m’n videocamera lucht ik m’n hart en komt de frustratie eruit. Voor het eerst deze tocht sta ik te vloeken. Het kalme blauwgroene water hoort het aan zonder te rimpelen. Het is wel wat gewend.

Dat helpt, ik ben het kwijt en spreek met mezelf af het te nemen zoals het is. Niet meer foeteren op het verkeer, m’n aandacht richten op de omgeving en het hoofd buigen voor het feit dat een Alpenpas oversteken op een zomerse zondag met mooi weer een heel slecht idee is gebleken. Een frisse wind strijkt langs m’n armen, ik krijg er bijna kippenvel van. De sneeuwveldjes op de toppen in de verte, de hoogte die voelbaar begint te worden. Dit is toch wel echt mijn soort plek.

De ruim vijf kilometer vanaf het begin van het stuwmeer tot aan Splügen zijn prachtig. Het moment van rust heeft me goed gedaan, er passeren me een paar bagagefietsers, ik heb er weer zin in.

Voorbij de eerste serie haarspelden.

Linksaf

In Splügen, op 1465 meter, gaan de 13 en de A13 rechtdoor naar de San Bernardinopas. De Romeroute gaat linksaf en verlaat het Hinterrheindal om de berg op te gaan richting die andere pas. De weg ligt open, campers en gezinsauto’s met dakkoffers hobbelen voorbij. Ik ga beginnen aan de laatste negen kilometer en (netto) 650 hoogtemeters tot Italië.

Na een kleine kilometer kom ik de eerste haarspelden tegen. Het zijn er vijf, klimmend naar zo’n 1650 meter. De middag vordert, het wordt aangenaam frisser. Het lijkt erop dat het meeste verkeer bij Splügen rechtdoor is gegaan, het is hier rustiger.

De finale

De Romefietser ploegt voort, in z’n eentje tussen de kaler wordende weides, op weg naar de laatste klim. Een enkele koe graast in de zon, de bomen houden op, het landschap krijgt een surrealistische kaalheid. Op 1850 meter zijn ze er, de tien bochten aan het begin van de finale.

Blik achterom na de eerste haarspeld van de serie van tien.

De pas, kijkend in de richting van Zwitserland.

Klare taal

Ik houd van haarspelden, ze spreken klare taal. Niet van dat voorzichtige, maar flink omhoog, meters makend en gemakkelijk af te tellen. Nog negen, nog acht, nog… Ik schud deze laatste 265 hoogtemeters niet uit m’n mouw, merk ik, ik wil er heel graag zijn. De motoren blijven voorbijkomen, maar het zijn er geen tien achter elkaar en er zitten langere pauzes tussen. Na elke twee bochten stop ik even, om over het dal heen te kijken en het moment te beleven dat ik er bijna ben. Ik had me geen beter weer kunnen wensen, ik kan kilometers ver kijken.

Ik eet wat en maal verder. ‘De-ze-me-ters-ach-ter-me’ is de mantra die ik werktuiglijk herhaal, in een geconcentreerde cadans, terwijl m’n hoogtemeter oploopt en ik bocht na bocht afpel. Een stuk met wat flauwe bochten en dan echt de laatste serie 180-graders, vijf of zes, afhankelijk van wat je als haarspeld telt. ‘Leg de snoepkettingen maar alvast klaar’ zeg ik tegen m’n videocamera, ‘en ik hoop dat de burgemeester dit keer wel tijd heeft’. De weg is deels opgebroken, met rood-met-witte linten, oranje pylonnen en gebroken asfalt.

Blij

De allerlaatste meters. Het koeien-feestorkest speelt voor me, daar had ik niet op gehoopt. Het geklingel van de bellen heet me welkom, de weg komt tot rust, rechts verschijnt een witte grenssteen. Ik rijd een onzichtbare finishlijn over en sta op de Splügenpas, 2113 meter, op de grens van Zwitserland en Italië. Ik lach hardop. ‘Yes, Italië, wat is dit leuk, I did it‘. Maar mijn lieve Heer ende Heiland, wat ben ik blij dat ik er ben.

Een geweldig vooruitzicht.

Lago di Montespluga.

Niet vanzelf

Een man ziet me aankomen en afstappen. Hij biedt aan een foto van me te maken. Ik ben niet zo van de pasfoto’s, maar deze vind ik toch leuk om te hebben. Dit is hoe dan ook een mijlpaal op de Rome-tocht. Op de foto zie ik pas hoe moe ik ben. Ik vind mezelf best een klimmert, maar deze pas ging niet vanzelf. Als ik goed nadenk begin ik dat te begrijpen. Dit is de tiende achtereenvolgende fietsdag sinds m’n vertrek in Amersfoort, door Ardennen, Vogezen en Alpen. En het dan gek vinden dat je moe bent. Konijn. Broeder. Ik sla een denkbeeldige arm om m’n eigen schouder, goed gedaan man. Het geeft allemaal niets, ik ben er. Maar het is ook kwart voor zes en ik moet nog 33 kilometer omlaag. Ik doe m’n Windstopper aan, stap op en rijd Italië in.

Afsluiting

De afdaling aan de Italiaanse kant gaat net zo hard naar beneden als in Zwitserland naar boven. Het is suizen, remmen en nog meer suizen. In een bocht sta ik stil en maak een foto van het Lago di Montespluga, waar de weg dadelijk langs loopt. Er is bijna niemand meer op de weg, iedereen zit aan tafel. Deze avondrit is een prachtige afsluiting van de dag.

Tunnel na Palù, rechts het Valle Spluga waar de Liro doorheen stroomt.

Overdekte tornante tussen Pianazzo en Campodolcino.

Varianten

De afdaling is fantastisch. Het is vreemd om te bedenken dat ik ben aanbeland in het laatste land van deze tocht, het land waarin ik de komende weken ga fietsen.

Noord van Pianazzo moet ik kiezen. Mijn track en de door Benjaminse aangeraden route gaan vanaf daar een stuk terug naar het noorden, om het Lago di Isola heen en daarna via de westkant van het dal naar het zuiden. Ik kan ook rechtdoor, de SS36 (strada statale 36) aan de oostkant blijven volgen en met een serie tornanti steil naar beneden. Bij Campodolcino komen de varianten weer samen.

Benjaminse raadt de SS36 af, omdat die door een aantal tunnels gaat. Hij noemt dat keertunnels, maar die bestaan alleen op het spoor, als dat op een korte afstand een groot hoogteverschil moet overbruggen. Wat Benjaminse bedoelt is dat de haarspelden voor een deel overdekt zijn door korte, halfopen tunnels (Italiaans: gallerie, enkelvoud galleria). Met druk verkeer is daar inderdaad weinig ruimte voor een fietser. De SS36 is korter, de variant via het Lago di Isola is langer en bevat een klim. Daar ben ik heel snel uit. De groeten (met handen en voeten), ik klim vandaag geen meter meer en wil via de kortste weg naar Chiavenna. M’n tent opzetten, eten, benen omhoog en er zijn. Ik heb thuis op Google Street View gezien hoe de tunnels op de SS36 eruitzien, niets wat ik nog niet eerder heb gedaan, ik ga rechtdoor.

Meevallen

Wat erg helpt is dat het op dit tijdstip niet druk is. Waar ik het meest van te duchten heb zijn auto’s die de hoek omkomen en mij pas laat zien (en ik hen). Maar die gaan bergop en hebben weinig snelheid. Bovendien tuteren de meeste auto’s kort voordat ze de tunnel inrijden. Het is – als in elke tunnel – uitkijken, lichten aandoen en bij achteropkomend verkeer het moment kiezen om het donkere gat in te fietsen. Ik kan begrijpen dat een weg zonder tunnels relaxter is, maar ik vind de weg en de tunnels spectaculair en, doordat ze halfopen zijn, prima te doen. Ik word alleen gek van de fiets die door de steile afdaling ontketend lijkt te zijn en moeilijk te temmen is. Wat ik hier zeker niet vertel is dat ik een keer na weer zo’n stuk heel hard roep dat ik een normale! afdaling wil. Het helpt niet, maar het lucht wel op.

Hoogteprofiel van het routedeel tussen Chur (uiterst links) en Chiavenna. Het laatste stukje gaat iets omhoog, dat zijn de kilometers over de SS37 naar de camping (geen onderdeel van de route).

De SS36 naar Chiavenna (videobeeld).

De finale Engeland – Italië.

Eindelijk

Dan is het zover. Huizen, nog meer huizen en een bord: Chiavenna. De afdaling ligt achter me, eindelijk. Ik neem de rotonde in het hart van de stad driekwart en volg de SS37 een stuk naar het oosten. Een beetje klimmen, een beetje uitkijken voor het verkeer, maar het kan me allemaal niets meer schelen. Na zo’n drie kilometer komt links de waterval in zicht die ik voor het laatst zag in september 2000, toen Elsbeth en ik op de terugweg van Kathmandu van Istanbul naar Nederland fietsten en hier een camping vonden. De waterval waarnaar de camping genoemd is.

Het is gelukt, het is allemaal gelukt. “Niet te geloven” zeg ik tegen mezelf als ik om tien over half acht linksaf sla naar camping Acquafraggia in Borgonuovo, “na tien dagen fietsen ben ik in Italië”. De receptie is nog open en heeft koude cola, ze hebben plaats, ik krijg een prachtplek met een bankje. Dit is de homely camping waarop ik heb gehoopt. Ik ga zitten op een stoel op het kleine terras, doe m’n helm af en neem een grote slok. “Ben je moe?” vraagt een vrouw aan het tafeltje naast me. “Ja” zeg ik, vanuit de grond van m’n hart. “Ik zie het aan je”. Dat zal niet moeilijk geweest zijn.

Het juiste moment

Ik zet m’n tent op en maak m’n plek voor twee nachten. Morgen houd ik hier een rustdag. Op de brander maak ik Koreaanse noedels met Zwitserse knakworst. En voordat u, beste lezer, in afgrijzen terugdeinst: het is het lekkerste dat ik in dágen gegeten heb. Maar dat kan ook aan het moment gelegen hebben. Ondertussen worden op het terras de stoelen klaargezet, want… vanavond is de EK-finale tussen Engeland en Italië. Helemaal aan me voorbijgegaan, maar het is er het juiste moment voor. Niet omdat ik van voetbal houd, maar omdat het terras dadelijk gevuld zal zijn met mensen die het naar hun zin hebben. De camping zal leven, ik zal me er deelgenoot van voelen. Ik maak een blikje birra Moretti open, ga op een paar stenen zitten en kijk naar het tafereel vóór me. Het is moeilijk te beschrijven wat er door me heen gaat. Hier zit een heel gelukkige Romefietser. Die hier na 1229 kilometer op een Italiaanse zomeravond denkt aan wat hij tot hier beleefd heeft. Die uitkijkt naar een dag rust, uitkijkt naar het land dat voor hem ligt. Die dit moment beleeft. Niet tussen anderen, maar wel met die anderen. Die meedoet, op z’n eigen manier.

Dag 11 | Rustdag Chiavenna

Overzicht

2 reacties

  1. Weer een mooi verhaal. Die tunnelinfo kan nog van pas komen. Ik vroeg het me vorige skivakantie weer af…hoe ga ik door die tunnels komen op een veilige manier. Heb al gedacht aan een oranje zwaailamp voor achterop.

Geef een antwoord

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.