Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Rome | Dag 16

Alweer een ontbijtfoto? Anders staat hier alleen een droog verhaal over een droge ketting. Dat glas met rode inhoud is geen geurkaars (hoe ik dat weet? Geen lont!) maar sap. De fles koud water was van het huis, de koekjes mochten en gingen mee de fietstas in. Papaya op rechts.

Foto hierboven: landschap ten zuiden van Castel d’Aiano.

De afgelopen dagen hoorde ik m’n ketting. Die is te droog. Een lichte ruis is er altijd, maar als ruisen overgaat in vaag-ratelen en ik hoor hoe de tanden van het voorblad in de kettingschakels grijpen, is het tijd voor onderhoud. Met een doek veeg ik de oude, met stof vermengde olie van de ketting en smeer die met de olie in het kleine flesje dat ik bij me heb. Ik ontdoe de derailleurwieltjes van zwarte korstjes, draai als test de cranks achteruit en ben heel tevreden. Niets loopt zo mooi (en zo licht) als een pas gesmeerd derailleursysteem.

Ik breng alles naar beneden, zet de fiets buiten en laad alvast op. Dan kan ik straks meteen weg, zodat het niet nog later wordt. Een nadeel van een hotelovernachting is dat je in het weekend niet vroeg kunt ontbijten. Met een beetje pech kan dat pas vanaf acht uur, met meer pech nog later. Hier valt het mee, vanaf half acht kan ik ontbijten, één minuut daarna – waarin ik m’n bidons vul – zit ik aan tafel.

Rocca di Vignola.

Apennijnendag

Om acht uur fiets ik weg. Het is zaterdag 17 juli, Apennijnendag, de hele dag. Bergen, ik ben er klaar voor. Een stuk bescheidener dan de Alpen, maar niettemin bergen. Met hoogtes, uitzichten, koele lucht, schaduw en bomen. Waar de mens een stap terug heeft moeten zetten bij het naar haar hand zetten van de wereld, waar weer en natuur meer de regie voeren. Yes.

Vanaf het hotel fiets ik op het tweerichting-fietspad dat hier, net als op veel plaatsen, links naast de rijbaan loopt. Dat blijft voelen alsof ik tegen het verkeer in rijd. Intuïtief klopt tweerichtingsverkeer aan één kant wel op een vrijliggend fietspad, maar niet als dat direct aan het autodeel grenst.

Rechts van me komt het kasteel van Vignola (het Rocca di Vignola) voorbij. Dat staat er in elk geval vanaf 1178, maar misschien al eerder. Vierkant, hoog, kleine ramen, openingen van waaruit allerlei levensbeëindigende voorwerpen konden worden afgeschoten op een belegerende vijand (zoals Hongaarse barbaren). Zo zie ik ze graag (de kastelen). Een echt fort-kasteel, geen aanstellerij met tierlantijnen, waterspuwende stenen zeemeerminnen en verveelde Lodewijken (die, zo leert de geschiedenis, zuinig moesten zijn op hun hoofd-rompverbinding). Het is bewolkt, beetje grijzig, met koele lucht. Ik steek de Panaro over.

Beschaamd

De etenszak is vrijwel leeg, onhandig bij een bergoversteek waarvan ik niet weet of en wanneer ik een bakker ga tegenkomen. Op de kaart heb ik een Carrefour gezien, daar haal ik wat broodjes en kaas. Goudse, ik schaam me. Als een toerist die in den vreemde het liefst vaart op het vertrouwde, terugdeinzend voor al die onbekende buitenlandse etenswaren. De echte reden is dat Italiaanse kaas aan het stuk gaat, een stuk dat in m’n etenszak gaat zweten en uitlopen. De Goudse is er in plakken en in plastic verpakt. Die gaat ook zweten, maar gaat verder nergens naartoe. En m’n etenszak ruikt niet nog maanden naar, ehm, kaas. Met twee planken Milka, want er moet onderweg veel energie in.

Vergelijkbaar

Vóór me liggen de Apennijnen. Ik kijk er op uit en ik kijk er naar uit. Dadelijk omhoog naar (afgaand op het hoogteprofiel in de routegids) zo’n 850 meter. Ongeveer de hoogte van de Col du Donon in de Franse Vogezen (die achteraf anders in elkaar bleek te zitten, hier het verhaal) en ook het stijgingspercentage is vergelijkbaar. Op de klim naar de Donon kwam dat vrijwel nergens boven de zes procent, op de Apennijnen-kaartjes in de routegids zie ik vijf en zes procent staan, ik heb goede hoop dat de klimmen op elkaar lijken. Met net zoveel bomen en uitzichten.

Uitzicht tijdens de klim naar Guiglia, in het dal ligt Vignola.

Vlak vóór Guiglia. Ik was tijdens deze klim erg trots op m’n fiets, zie ik nu.

Buon Viaggio

De SP 623 (strada provinciale 623) begint een kleine vier kilometer buiten Vignola te stijgen. Met een paar haarspelden, netjes en geleidelijk. Het is nog steeds bewolkt, met een zon die maar nét achter de wolken zit. Die gaat er nog doorkomen. Medefietsers op racefietsen halen me in, groeten en wensen me een buon viaggio. Dit is leuk fietsen. De klim blijft geleidelijk, met meer wielrenners. Naast de weg staan, gebruikelijk in Italië, kilometerborden met bovenaan het aantal kilometers sinds het begin van de weg (hier: in Modena). Daaronder de afstand naar het eerstvolgende dorp, het wegnummer en de naam van de weg. De SP 623 heet Del Passo Brasa (‘van de Brasa-pas’) en gaat eerst naar Guiglia (fonetisch Koe-ielja).

Julia

M’n benen vinden een cadans, het gaat lekker. Behalve dat heb ik niet meer te doen dan om me heen kijken. Dan komen er (Veerpont, Drs. P) werktuiglijk gedachten bij me op. Guiglia klinkt (voor mij, onwetende Nederlander) als ‘Julia’. Daar is een liedje over, dat ik in m’n jonge jaren op scouting- en andere kampen aan het kampvuur zong (gelukkig zijn daar geen opnames van). Ik zing het hardop, en ken de tekst nog. En Julia is zo schoon, zo schoon als een sirene. Al heeft ze vuurrood haar, en een paar kromme benen. ‘Mmm’, denk ik, ‘niet goed’. Om te beginnen vind ik vrouwen met rood haar heel mooi. Helemaal als ze Saoirse of Deirdre heten, met een haast doorschijnend-witte huid en sproeten. Ierse versies van elfenvrouw Galadriel, vrouwen als kunstwerken die me de adem benemen. En ik heb zelf kromme benen, dus tegen dat ‘al’ in de tekst maak ik ernstig bezwaar. Bovendien, ontdek ik als ik de coupletten een voor een zing, is de logica zoek. Want er is een couplet En Julia is zo schoon, ze heeft van die mooie benen. Het ene is van hout, het andere is verdwenen. Zijn ze krom, van hout of verdwenen? Chaos. Goed dat ik deze analyse een keer maak.

Passo Brasa, 895 meter s.l.m. (sul livello del mare, boven zeeniveau).

Het goede moment

Guiglia ligt op 450 meter (ik ben in Vignola-centrum op 125 meter begonnen) en is groot noch spannend. Na het dorp gaat het nog even omhoog naar 505 meter. Van daar daal ik af naar 420 meter, waarna de weg opnieuw gaat stijgen. De zon dringt door de wolken, om me heen prachtige uitzichten over de lage groene bergen. Aan het begin van Rocca Malatina passeer ik een bakker. Met zelfgebakken crostata, die ik in een kartonnen taartdoos meekrijg. Die ik, om niet ondankbaar te lijken, zo onopvallend mogelijk in de afvalbak laat verdwijnen (de doos). De cola zit gewoon in een blikje, is koud en komt precies op het goede moment. Net als de bakker, de taart en dit weer.

De klim is mooi en aangenaam. Hij blijft geleidelijk gaan, volgens m’n gps met een procent of 5-6, soms iets minder, een enkele uitschieter haalt de 9 procent. In Zocca, een vakantiedorp op 765 meter, zijn de terrassen goeddeels leeg en slenteren mensen met jassen aan door de winkelstraat. Voetgangersgebied, ik ga een stukje lopen.

Tijdens de afdaling na Iola.

Sul livello del mare

Voorbij Castel d’Aiano volgen een paar haarspelden, de korte stevige klim die Benjaminse noemt is niet al te heftig. Om kwart over één bereik ik de Passo Brasa, op 895 m s.l.m. en op 42 kilometer vanaf Vignola. Ik ijk m’n hoogtemeter, ben een tevreden Apennijnenfietser en begin aan de afdaling.

Hoger

Aan de andere kant van de pas gaat de wind meedoen, ik moet m’n stuur stevig vasthouden. De wolken hebben de blauwe lucht ondertussen ruimte gegeven. Er is nog steeds weinig verkeer, met nu en dan een motor. Het landschap is niet erg spectaculair, maar ‘mooi’ is goed genoeg. Zachtaardig, nergens woest, net als de klimmen. Het asfalt begint scheuren te vertonen en heeft slechte stukken, vooral in een afdaling is dat goed uitkijken. Na een kleine drie kilometer is op 790 meter het aangename dalen voorbij en volgt een nieuwe klim. Die gaat in ruim drie kilometer naar 905 meter, ter hoogte van Iola, op 48 kilometer vanaf Vignola. Dit hoogste punt heeft geen naam – maar is hoger dan de Passo Brasa.

Laagste punt

De afdaling na Iola is lang (bijna 17 kilometer) en aangenaam. Bij Silla, waar de gelijknamige rivier in de Reno stroomt, bereik ik het laagste punt, op 325 meter en op 65 km vanaf Vignola.

Uitzicht tussen Iola en Silla.

F-104 Starfighter in Silla.

Jeugd

In een park houd ik een eetstop bij, tot m’n grote verbazing, een opgezette F-104 Starfighter. Een toestel uit m’n jeugd. Tot de komst van de F-16 vloog de Koninklijke Luchtmacht met F-104’s, in vijf squadrons waarvan er drie op vliegbasis Volkel gestationeerd waren. Mijn vader was daar, zoals verteld in het verhaal van dag 1, ground liaison officer bij 312 squadron en mocht – in een tweezitter – nu en dan meevliegen. Dat vertelde hij altijd achteraf, zodat m’n moeder zich geen zorgen zou maken. Als kind mocht ik soms mee, kijken naar het nachtvliegen, waarbij ik op plekken kwam die normaal gesproken off limits (‘buiten het recreatiegebied’ heette dat) waren.

Anders

Het Renodal is zo’n dal waar alles doorheen loopt: grote doorgaande wegen, een spoorlijn en een kleinere weg waarover de route gaat, richting het zuiden, omhoog, de rivier stroomopwaarts volgend. Na Ponte della Venturina verlaat de route de grotere SS64 en buigt af naar het zuidwesten.

Het smalle beboste dal van de Reno.

Er verschijnt een heel ander landschap. Het Renodal wordt smal, de steile hellingen zijn bedekt met dichte bossen, beneden me stroomt – onzichtbaar door de begroeiing langs de weg – de rivier. Het is echt prachtig. Al voelt dit ruiger, ook hier blijft de stijging beschaafd. Iets vóór Le Piastre bereik ik het laatste hoge punt, op zo’n 760 meter, 22 kilometer vanaf Silla.

Grens

Inmiddels fiets ik niet meer in Emilia-Romagna, maar in de regio Toscana. Italië bestaat uit twintig regio’s, die bestuurlijke eenheden vormen (het zijn geen streken, zoals bij ons de Betuwe of het Groene Hart) met een eigen parlement. Regio’s zijn onderverdeeld in provincies (vandaag fietste ik door de provincies Modena en Bologna, in Toscana in de provincie Pistoia), die bestaan uit gemeenten.

Ik maak de laatste, lange, afdaling van vandaag. De afdaling naar Pistoia, waar ik vanavond op mik.

Pistoia, in de vlakte op 70 meter.

Baptisterium van de kathedraal van Pistoia.

Routine

Naar beneden suizend, met m’n ogen strak op de weg om geen gat of scheur te missen, ligt rechts van me de vlakte waarnaar ik afdaal. Ik stop en maak een foto van Pistoia, dat eruitziet als roze-met-beige grind in een grote groene tuin. De laatste stad in het Noord-Italiaanse rijtje dat in m’n hoofd zit, Bergamo-Brescia-Mantova-Modena-Pistoia.

Net als bij de andere steden gaat de route door het centrum en herhaal ik de routine van ‘doe [stad] in twintig minuten’. Het centrale Piazza del Duomo (Domplein) van Pistoia staat vol plastic stoelen, die naar een groot podium met lampen en zwarte doeken gericht zijn. Misschien, zie ik later, staan ze er voor Pistoia Blues, een van de grootste Europese bluesfestivals dat hier jaarlijks in de tweede week van juli gehouden wordt.

Spekkoek

In een van de hoeken van het oude, vrijwel lege plein zie ik een gevel die eruitziet als een barok filmtheater waar de handdoeken buiten te drogen hangen. Geen grote trappen en weinig opvallend, met wat planten en een enkele fiets van een filmbezoeker, een beetje weggedrukt tussen andere gevels en een toren.

Kathedraal van Pistoia.

Achter de bescheiden, rommelige gevel gaat allicht geen filmtheater schuil, maar de kathedraal van Pistoiail duomo di Pistoia (eigenlijk: Cattedrale di San Zeno). De toren ernaast is de klokkentoren, die net als bij (bijvoorbeeld) de kathedralen van Pisa (waar de fundering van de toren geen succes bleek) en Firenze los staat van de rest van de kerk. Er tegenover staat de doopkapel, het baptisterium. Z’n wit-met-zwarte lagen doen me aan spekkoek denken, net als bij de kathedralen van Siena en Firenze. In Siena werkt het, in Firenze vind ik het resultaat grotesk, met een te hoog kitschgehalte om mooi te zijn. Hier maakt de grove zandkleurige voet van de klokkentoren meer indruk, net als de rode en groene banieren aan de gevel van het Palazzo degli Anziani. Ik houd van oud en oer, van eenvoudige, krachtige vormen. Opgeteld vind ik dit, samen met Mantova, het mooiste centrum van de genoemde stedenreeks.

Vrijheid

En nu, waar ga ik slapen? Ik herhaal de inmiddels beproefde truc, waarbij ik op Booking kijk wat er aan accommodatie beschikbaar is, een keuze maak en daar naartoe fiets. Ter plekke een kamer betalen is goedkoper, door de weinige toeristen is reserveren geen gillende noodzaak. Ik zie hotel Piccolo Ritz (inmiddels met een andere naam) – prijs goed, reviews goed, plek goed – en fiets die kant op. Ik check straat en nummer, maar vind het hotel niet meer in de lijst. De kamer die via Booking werd aangeboden is in de tussentijd kennelijk vergeven. Maar hotels bieden altijd maar een deel van de kamers via Booking aan, zodat ze de vrijheid behouden zelf kamers te verkopen. Er is nog niets verloren.

Het witte ding naast de wastafel is een bidet, bedoeld voor het wassen van de edele en onedele delen of – als je op sandalen loopt – je voeten voordat je onder de lakens kruipt.

Welkom

Via Google vind ik het adres, parkeer m’n fiets en loop naar binnen. Daar constateer ik dat naarmate ik zuidelijker kom, de kennis van het Engels afneemt, mijn eigen Italiaans toeneemt en de vriendelijkheid van de hotelmensen ten minste gelijk blijft. Ik vraag de vrouw van het hotel in een naar Italiaans neigende talenmix of ze een kamer voor me heeft. Ze trekt een helaas-gezicht. “Nou” zegt de vrouw, “ja, maar eigenlijk niet. We hebben nog wel een kamer, maar dat is met gedeelde badkamer op de gang.” Ik heb in Azië in onwaarschijnlijke hotels en guesthouses zonder eigen badkamer geslapen, dus laat maar doorkomen. “Wat is de prijs van die kamer, mevrouw?” 31 Euro, inclusief ontbijt. Langer hoeft het gesprek over de kamer niet te duren. Ik betaal en loop haar met de fiets achterna, die ik in een smalle gang mag parkeren. Als dat nodig was had ze me ook nog geholpen een band te verwisselen, wed ik, zo welkom voel ik me, zo aardig is de vrouw die me m’n kamersleutel geeft. Het is tien voor zeven, na 109 kilometer en 1613 hoogtemeters ben ik in Pistoia, aan de andere kant van de Apennijnen. In Toscana.

Antipasto Toscana

De kamer ruikt naar een leeggegooide asbak (de geur zit de volgende dag nog in m’n spullen), maar met deze prijs blijf ik spekkoper. Goed bed, de airco doet het, er is een stopcontact en zelfs TV. Op de vraag waar ik zou kunnen eten raadt de vrouw Il Pollo d’Oro (‘de gouden kip’, kan ik zowaar vertalen) aan, een paar straten verder. Het is heerlijk om, gedoucht en met m’n avondkleren aan, een stuk door de stad te lopen. Geen verkeer en niet op m’n hoede zijn, gewoon lopen en meemaken. Ik eet de aangeraden antipasto Toscana, bestaande uit een groot bord met gerookte ham en salami, stukjes brood met champignonpaté, een schaaltje olijven, brood en een mix van broodkruim en tomaten. De spaghetti erna moet ik – niet verwonderlijk – deels laten staan. Voorgerechten zijn hier soms zo groot dat ik al voor meer dan de helft gegeten heb.

Op m’n telefoon lees ik de routegids over morgen. De komende twee dagen staan in het teken van Toscana. Dat zal geen gemakkelijk stuk zijn. Aan de warmte zal ik niet langer kunnen ontsnappen, net zo min als aan de brute klimmen waarvan ik de regio ken. Daar zal ik doorheen moeten. Toch is dat niet het gevoel van nu, het gevoel van de afgelopen dagen en het gevoel van Italië. Dat is er een van het naar m’n zin hebben, van mensen waarbij ik me thuis voel, van een land waar ik heel graag ben. Grande Italia, nog maar vier dagen tot de grote stad.

Dag 17 | Pistoia – San Gimignano

Overzicht

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.