Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Rome | Dag 17

Foto hierboven: in de afdaling van de Montalbano, tussen Pistoia en Vinci.

’s Nachts word ik wakker van de kou, de airco doet het veel te goed. Ik zet ‘m uit, trek de dunne deken strak om me heen en slaap verder. Vorstelijk. Dat is ook het ontbijt, verdeeld over meerdere buffettafels. Als ik bedenk hoeveel ik voor deze nacht heb betaald, kan ik alleen maar verbaasd zijn. En goed ontbijten.

Ochtendtaferelen in Bonelle.

Konijn

Niet alles gaat goed vanmorgen. Ik heb gisteren niet op zitten letten en geen voorraad aangelegd. Vandaag is het zondag en is alles dicht. Meneer de ervaren bagagefietser. In Nederland bestaat de zondagsluiting niet in de steden, in Frankrijk en België zijn in elk geval de bakkers open, maar in Italië is de zondag nog heilig. ‘Ontzettend konijn’ denk ik bij mezelf. ‘Oplossen’ denk ik meteen. Dus vraag ik de vrouw achter de balie of er misschien toch een bakker open is. Daar is ze zeker van. Ze wijst me de weg.

Om acht uur vertrek ik. Maar de bakker is, helaas niet verrassend, hartstikke dicht. Ook in een supermarkt verderop is alles donker. Ik ben echt de sjaak. In m’n fietstas zitten nog een paar koekjes en een bruin broodje Goudse kaas uit Vignola, maar dat is het wel. ‘@#$! [niet geschikt voor jonge lezers]’ zeg ik tegen mezelf, ‘je waarschuwt er anderen zelfs voor in je verhalen’. De bovenkamer is echter niet helemaal leeg en het besef komt dat de bars die op elke hoek zitten ’s zondags wel open zijn. Bars verkopen ontbijt.

De eerste bar is zo klein dat ik betwijfel of ze er meer dan kraanwater hebben. Ook de tweede, zuid van Pistoia in Bonelle, ziet er aan de buitenkant niet hoopgevend uit. Dit is een twijfelachtig plan. Toch stop ik en loop naar binnen. Kijken wat er gebeurt. Er gebeurt een hele vitrine met niet alleen croissanten, maar ook wat in Frankrijk pain(s) aux raisins heten (in Nederland heet het vlak ‘koffiebroodje’. Goeiedag zeg, durf ‘ns wat). Victorie! Ik koop een zak vol van alles en ga met een cappuccino op het terras zitten. M’n voorraadzorgen zijn verdwenen. Dit is het goede leven, het leven van een fietser in Italië.

Kort

Vandaag ga ik de warmte in, de warmte die ik al veel eerder had verwacht. Dertig graden is de voorspelling, ik zal er een keer aan moeten geloven. Het vooruitzicht van de overnachting is wel leuk. Vandaag fiets ik naar San Gimignano, waarvan ik weet dat er een camping is. Daar stond ik op beide lange reizen, daar wil ik heel graag weer naartoe. Dat betekent een korte etappe vandaag, 81 km. Op de laatste drie dagen moet ik er daardoor zo’n 115 per dag doen. Niet extreem, maar het comfort gaat eraf. Het is niet anders, ik vind het té leuk om vanavond in San Gimignano te slapen om daarna nog door te willen duwen en in een dorp ergens m’n tent in de tuin te zetten. De keuze is gemaakt, net als het plan voor vandaag. Fietsen in Toscana. Eerst over een bult van 350 meter, dan door het heuvelland naar Empoli, Certaldo en San Gimignano. Na vandaag nog drie dagen, ik nader Rome, het is gek, het is gek, het is heel gek.

Wielrenners op het (bijna) hoogste punt in San Baronto.

Voorspoedig

Via een kleine weg verlaat ik Bonelle en het stedelijk gebied rond Pistoia. Voor een zondagmorgen is er redelijk wat verkeer, het licht is al sterk, dunne wolken filteren het zonlicht. Het begint omhoog te gaan.

Wat de weg gaat doen is wat hoogte betreft niet spannend, maar een laatste berg (met bomen en uitzichten) is leuk voordat het Toscaanse laag- en heuvelland begint. Die berg is de Montalbano, die je zou kunnen zien als een zuidoost-aftakking van de Apennijnen. De rotsige bergrug vormt de scheiding tussen de vlakte met Firenze, Prato en Pistoia in het noordoosten en de laagvlakte van de Arno in het zuidwesten.

De klim is geleidelijk, maar ik zweet als een dolle en heb het ontzettend naar m’n zin. Dat doe ik niet in m’n eentje, dit is wielrennersland. Een voor een komen ze me voorbij en groeten me. M’n eigen klim gaat net zo voorspoedig, die benen van me, ze blijven me verbazen. Acacia-takken met grote doorns hangen over de weg. Aandachtspunten. Als die langs m’n wollen T-shirt slepen, ben ik een complete mouw kwijt. Zomaar uitwijken gaat niet, door de vele bochten rijden de auto’s redelijk strak langs me heen. Dus goed letten op takken, luisteren of er iets nadert en daarna beslissen of ik er omheen fiets of in de remmen ga. Dat gaat best goed. Tot die ene doorn die ik mis en die een kras boven een wenkbrauw trekt. Bloed druppelt op m’n aapjestas. Dit is een heroïsche beklimming.

Droga e camorre

Een wielrenner die een paar kilometer achter me heeft gefietst (en mij alle kopwerk heeft laten doen) komt naast me rijden en begint een gesprek. Door de stijging van 5-6 procent heb ik genoeg adem over om mee te doen. Het gaat over het zuiden, daar is het niet best. In il Mezzogiorno teren ze op de welzijnszorg. “No lavorare. Droga e camorre”. Geen werk. Drugs en maffia(‘s). Ik luister, zeg op tactische momenten “aha!” en probeer wat Italiaans-achtigs terug te zeggen. Ik ken niet genoeg woorden om te vertellen dat Elsbeth en ik daar gefietst hebben, voorbij Rome en Napoli, door de laars naar Brindisi, en het geweldig vonden. Ik ken het sentiment van veel Noord-Italianen dat het armere zuiden uit niets dan steuntrekkers en maffia bestaat. Alsof het zuiden niet een tijdlang verwaarloosd is door de centrale overheid, alsof werkloos zijn een keuze is. Wanneer de boodschap is overgebracht zet hij aan en fietst me voorbij. “Forza!” zeg ik, hij zwaait, lacht en roept “Bon voyage!”. Het Frans staat dichterbij dan het Engels. Dit is en blijft leuk. Overal om me heen groen, de dunne bewolking haalt de angel uit de warmte en voorkomt dat de zon op m’n hoofd brandt. Ik stamp met achter twee kransjes over de berg op en voel me goed, sterk en op reis.

Hetzelfde

In San Baronto ben ik boven, de hoogtemeter geeft 345 meter aan. M’n collega-fietsers en ik houden een stop. Ik drink, eet wat en neem het tafereel in me op. Met m’n beladen fiets ben ik anders, maar toch ben ik hetzelfde, een fietser die omhoog gaat en daarvan geniet.

In de afdaling naar Vinci.

De weg stijgt toch nog iets, naar zo’n 370 meter op een kilometer voorbij San Baronto, golft nog wat en verliest dan langzaam hoogte. De afdaling is zo mooi als Benjaminse ‘m beschrijft. Rechts kijk ik in de vlakte met Vinci en, verderop, Empoli. Naast de weg verschijnen alle groene hoofdrolspelers uit de Toscaanse en Romeinse landschappen: olijfbomen, cipressen en parasoldennen. Het is simpelweg prachtig, ik stap af, maak een rits foto’s en wil hier heel erg zijn. Net zo geleidelijk als ik naar boven fietste daal ik af naar Vinci. Suizend, verrukt en lettend op wat het wegdek doet.

Patchwork-asfalt tussen Orvieto en Bagnoregio, dag 19.

Altijd iets te denderen

Op de kleinere Italiaanse wegen is er altijd wel iets te denderen of in de gaten te houden. In bewoonde gebieden zijn dat de deksels van putten en kolken die een paar centimeter lager liggen dan het wegdek. Je hebt steeds de keuze: er doorheen denderen of er omheen rijden. Ze steken zover de weg in dat, met achteropkomend verkeer, eromheen gaan maar nét (of net niet) veilig voelt. Erdoorheen kan niet altijd met behoud van velgen, dus moet je steeds alert blijven op naderend verkeer. Struiken langs de weg worden ongetwijfeld gesnoeid, maar niet in de weken voordat jij erlangs fietst. Daar geldt hetzelfde verhaal: eerst achterom kijken voordat je ze wilt ontwijken. Een hap oleander is nog te doen, maar bij acacia’s met doorns doe je dat niet ongeschonden. Hoest.

In een afdaling op kleinere wegen kun je nooit laten gaan. Doe dat echt niet, blijf alert en houd je handen aan de remmen. Vooral op overschaduwde stukken, waar het water (op hoge stukken: het ijs) langer blijft liggen, is de weg nogal eens kapot. Juist op die schaduwstukken zie je niet goed genoeg (of pas heel laat) wat de weg doet. Soms is het asfalt verdwenen, golft het als grijze slagroom of heeft het gaten en flinke niveauverschillen. Als je daar in een snelle afdeling op rost ben je weg.

Is fietsen in Italië dan zo’n drama? Zeker niet. Maar tussen Amersfoort en Rome heeft Italië wel met afstand het (gemiddeld genomen) slechtste asfalt. Alert blijven is alles wat je hoeft te doen, naast om je heen kijken en je bedenken hoe gaaf het is om er te fietsen. Mijn ervaring is dat Italianen netjes rijden. Me regelmatig voor laten gaan, op rotondes even inhouden (wat gaat die fietser doen?), wachten met inhalen totdat er ruimte is en dat daarna met een grote boog doen. Ik heb het als prettig ervaren. Rijden Italianen dan niet hard? Langzamer dan Luxemburgers of Liechtensteiners. Niet harder dan Fransen en Duitsers, of Nederlanders in woonwijken.

In beeld

In Vinci, waar ooit de kleine Leonardo het levenslicht zag (da = van, als in Van Dongen), vul ik m’n bidons bij een waterpunt en fiets verder. Voorbij de kleine stad gaat de weg iets naar beneden, klimt van 40 naar 95 meter en daalt daarna langzaam af naar Empoli. Cicaden zingen in de olijfbomen aan weerszijden van de weg. Om me heen begint het Toscana van de plaatjes in beeld te komen, net als de warmte. De helm mag af, de hoed en zonnebril moeten op. Een mooi en rustig stuk, de temperatuur raakt de dertig graden, ik vind het prima zo.

Tussen Vinci en Empoli.

Meer dan een groep cipressen is niet nodig.

Gezichten

In Empoli zoek en vind ik een bank in de schaduw en eet het laatste broodje uit Vignola. De middag begint, de temperatuur stijgt, de zon is fel. Buiten de stad begint het Toscana waarop ik me heb voorbereid. En waar ik beducht op ben. Deze regio heeft veel gezichten, vriendelijke en minder vriendelijke. In films is Toscana het summum van Italiaanse romantiek. Waar de hoofdpersoon het drukke bestaan of een gebroken liefde ontvlucht is en het ware leven vindt. Waar de zon immer oranje ondergaat, de avonden mild zijn, de olijfolie als limonade, de mannen ferm en toch zacht, de vrouwen nog fermer en zachter. In films is alles in Toscana precies goed, hier zou je altijd willen zijn.

Het landschap doet dat, de pleinen, de renaissance die de eenvoud van middeleeuwse gebouwen de perfecte dosis versiering geeft. Een enkele cipres naast een boerderij op een heuveltop is genoeg voor een plaats op de kalender. Dat gebeurt nergens anders, maar het klopt, zelf maak je die foto ook. Als je hier bent begrijp je waarom Toscana net zo geliefd en veelbezocht is als Venezia. Precies daarom moet je hier in de zomermaanden eigenlijk niet zijn.

Factor

Als fietser komt daar een factor bij waar je, zwijmelend in de schaduw op een terras met de auto om de hoek, onbekend mee blijft. De brute klimmen naar de heuveltoppen. Voor milde of doorsnee stijgingen moet je in de bergen zijn. Op deze tocht waren zowel de Vogezen als de Apennijnen daar goede voorbeelden van. Daar heeft de wegenbouwer de ruimte om beschaafd omhoog te gaan. Die ruimte is er niet in heuvelachtige gebieden als de Ardennen of Toscana. Elk klooster en alles wat meer dan twee huizen is ligt op een heuveltop. Daar gaat dus de weg overheen. De weg die jij fietst. Er zijn wel wegen die de steile klimmen vermijden, maar dat zijn de strade statali, de grotere en drukkere wegen waar Benjaminse je – terecht – niet overheen stuurt.

Tussen Fiano en Certaldo.

Uitzicht bij Fiano, op het hoogste punt tussen Empoli en Certaldo.

De weg naar Rome

Fietsen in de Toscaanse zomer betekent daarom veel korte, gemene klimmen, met de blikkerende zon op je hoofd en – eenmaal in die stad die je wilt bekijken – overvolle straten en pleinen. Wat mij betreft niet het leukste stuk van de route. ‘Maar’, denk ik bij mezelf, ‘dit is toch echt de weg naar Rome’. Het kost me geen moeite het te relativeren. Tot nu toe heb ik, denkend aan de milde dagen door de Povlakte, het geluk aan m’n zijde gehad. En ik fiets hier, iets dat ik dit voorjaar niet meer voor mogelijk had gehouden.

Die gedachten gaan door me heen als ik voorbij Empoli naar het eerste hoge punt van vanmiddag fiets. Loeisteil omhoog. Het waait keihard, m’n hoed wordt van m’n hoofd gerukt, ik moet het koordje strak onder m’n kin dichtsnoeren. De weg is niet druk, het asfalt te doen, de zon brandt in de blauwe lucht. Het is niet de temperatuur an sich waaraan ik moet wennen, dertig graden is niet extreem. Het is de overgang na de afgelopen dagen.

Klimmen zijn hier meestal niet gelijkmatig, maar met tussenklimmen. De gemaakte hoogtemeters verlies je voor een deel weer, om ze daarna terug te moeten winnen. Geen kilometer is hier vlak, geen kilometer is hier saai. Zwetend en golvend fiets ik naar de hoogte een kilometer vóór Fiano, waar ik op 370 meter uitkijk over het land. Als je dan toch hard moet werken, kan het maar beter in een landschap als dit zijn. Het is hels en prachtig tegelijk.

Afgrond

Afdalingen zijn hier net zo steil als de klimmen, lieve help, soms heb ik het gevoel alsof ik een afgrond induik en ik vóór de volgende bocht niet genoeg bij kan remmen. Bij een haarspeldbocht lijkt het alsof ik in een zwembad omlaag kijk, met de weg ergens in de diepte.

San Gimignano.

In Certaldo, op 70 meter, drink ik op een terras een halve liter ijskoude cola. Ik vlucht naar de schaduw van een parasol. De zon schroeit, het licht is schel, de middag vordert.

Indruk

Nog dertien kilometer, ik stamp door. Opnieuw een klim, vanuit het lager gelegen stroomdal van de Elsa. Dit is een ander verhaal dan het stuk tot Certaldo. De weg gaat beschaafd en geleidelijk omhoog, zonder tussentijds veel hoogte te verliezen. Dit gaat echt ergens naartoe. Naar San Gimignano.

In de verte komt de stad in beeld. Op een heuveltop, onmiskenbaar door de ranke hoge torens die boven het kleine, oude centrum uitsteken. Als liftschachten waaromheen de gebouwen ontbreken. Het waren er veel meer, nu zijn het er veertien. Ooit (zes- tot achthonderd jaar geleden) gebouwd door ruziënde families om indruk op elkaar te maken en elkaar te bevechten. UNESCO-werelderfgoed omdat het middeleeuwse centrum zo goed bewaard is gebleven. Dat gold niet voor z’n inwoners. De Zwarte Dood, de pestepidemie rond 1350 die een derde tot de helft van de Europese bevolking uitroeide, hield hier danig huis. Nu is San Gimignano feitelijk een klein en bewoond openluchtmuseum.

Ik ben niet de enige fietser, leuk.

Mijlpaal

Het plaatsnaambord voorbijfietsen is een mijlpaal, op de Rome-tocht en na de zware dag van vandaag. Wat heerlijk om er te zijn, wat geweldig om hier te zijn. Ik was er voor het eerst met een goede vriend, in een stille aprilmaand, met onze tent in een achtertuin. Jaren later kwam ik hier langs op weg naar Nederland, na bijna een jaar fietsen in Azië. Weer een paar jaar later was ik er met Elsbeth, op weg naar Kathmandu. Hier nu fietsen betekent iets voor me.

Ter hoogte van de stad halen grote touringcars me in, naast de weg staan auto’s en motoren geparkeerd, toeristen lopen in de berm, ik passeer een van de poorten van het middeleeuwse centrum. Ik ga de stad niet in, eerst m’n overnachting regelen, kijken of er plaats is op de camping. De stad komt morgen wel.

Op de rotonde voorbij het centrum sla ik rechtsaf. Camping Il Boschetto di Piemma ligt een kleine twee kilometer buiten de stad. Het is tien voor zes. Ik stap af en sluit aan in de korte rij bij de receptie. Er is plaats, meer dan genoeg, ik kan gaan staan waar ik wil. Ik betaal € 16,75 en loop naar het tentenveld, waar op de kale grond meerdere fietsers hun tenten onder de lage bomen zetten. Ik ben voldaan, gelukkig, blij. Hier heb ik naar uitgekeken, wat mooi dat het gelukt is. Ik neem de tijd, als een sporter die net over de finish is gekomen, in een mooie tijd, en nu even niets meer hoeft dan uitrusten en bij-eten. Ik zet m’n tent op, orden m’n spullen een beetje en ga onder de douche staan.

Vriendelijk

Er is hier meer waarop ik me verheugd heb. Het restaurant dat volgens de website open is. Samen met een Duitse fietser waarmee ik aan de praat ben geraakt ga ik op het terras zitten. Jonge mensen bedienen, de plek heeft iets backpackers-achtigs, waar reizigers samenkomen. Zoals wij nu.

Ik had me geen betere afsluiting van de dag kunnen wensen. De temperatuur dimt, de warmte blijft niet hangen, de pizza is goed, net als het koude bier. We praten over fietsen, onze plannen en routes, over de vrijheid op twee wielen. Wat ik moet betalen zijn prijzen van een dorpsrestaurant buiten het seizoen, niet van een camping bij een toeristen-hotspot in de zomer. Het had me werkelijk niet uitgemaakt wat er op de bon had gestaan, maar het benadrukt de vriendelijkheid van deze plek.

De tent laat ik open. Ik doe geen moeite om in m’n slaapzak te kruipen en ga op de lakenzak liggen. Laat de moeheid en de avondschemer me bekruipen. Laat me wegglijden in de nacht en het gedempte geroezemoes van andere kampeerders. Word nog even wakker op een doodstille camping, maak een foto van het moment en zink weer weg.

Dag 18 | San Gimignano – Bettolle

Overzicht

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.