Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Rome | Dag 18

Foto hierboven: Crete Senesi, ten oosten van Siena.

Zicht op (je raadt het al) het oosten.

Er valt goud uit de lucht. Het blijft kleven aan de randen van de wolken, het valt op de jonge blaadjes van de druivenranken, het doet het gras glanzen in geel licht. Het blijft maar stromen, over het landschap dat oplicht in de ochtendzon.

Ik sta op de weg langs de camping en kijk uit over het land dat wakker wordt. Het is twintig over zes, ik wil eigenlijk gaan fietsen, maar dit is belangrijker. Hier zie ik de beroemde stad van haar beste kant, vormen de heuvels van Toscana donkere schermen in het land en is de zon vandaag voor even m’n vriend.

Die eerste keer

Opnieuw bij de rotonde aangekomen heb ik de keuze: rechtsaf om de route te vervolgen, linksaf om het oude centrum in te gaan. Tijdens m’n eerste bezoek dronken vriend Jaap en ik er op een doodstille aprilavond een fles wijn leeg op een trap naast het plein, terwijl ik m’n tranen wegveegde. Het was het voorjaar van de zomer waarin ik naar de Noordkaap fietste, m’n eerste fietstocht. Het was het voorjaar waarin een grote liefde voorbijging. M’n eerste liefde.

Toen ik er jaren later met Elsbeth was werden we door de politie weggestuurd omdat we onze fietsen neer wilden leggen. Dat doet het groeiende toerisme. Hier liggen genoeg herinneringen, en mooier dan in de opkomende zon wordt de stad niet. Bovendien wil ik optimaal gebruik maken van de koele uren van de ochtend, gisteren werd me nog eens duidelijk hoe belangrijk dat is. Ik sla rechtsaf en ga op weg naar Siena.

San Gimignano van haar beste kant.

Links de crema-variant.

Italië

Bij de afslag naar Poggibonsi kan ik rechtdoor naar Colle di Val d’Elsa (heuvel van het Elsadal) voor een omweg langs dat dorp. Ik herinner me de korte klim met het uitzicht van de reis met Elsbeth, bij het maken van de tracks bedacht ik dat ik daar weer langs wilde, Benjaminse beschrijft het als een extraatje. Nu ik hier sta denk ik dat vandaag lang genoeg is, ongetwijfeld warm genoeg en met genoeg hoogtemeters. Ik sla linksaf, over de grotere SP1 (strada provinciale 1) naar Poggibonsi. Op dit uur is de weg niet druk.

Op het terras van een bar zet ik een beginnende traditie voort en ontbijt er met koffie en brioches uit de vitrine. Mensen op weg naar hun werk komen er een cappuccino drinken, tussen de gebouwen bedaart de koelte de beginnende dag. Ik maak deel uit van de ochtend, hier zoek en vind ik Italië, minstens zoveel als op de middeleeuwse pleinen.

Leuk fietsen

Bij het verlaten van de stad gaan de route en ik een fietspad op en begint een nieuw routehoofdstuk. Langs de torrente (beek, stroom) Staggia loopt een fietspad dat deels uit asfalt en grotendeels uit gravel bestaat. Vrijliggend (geen autoverkeer), rustig en steeds stroomopwaarts langs de smalle rivier die bij Poggibonsi in de Elsa stroomt. Het is heel leuk fietsen.

Na een onderdoorgang van het spoor ter hoogte van Staggia Senese wordt het ruiger. Benjaminse beschrijft dan ook de optie om daar het fietspad te verlaten en via Staggia Senese en (een kort stuk) over de drukke SR2 verder te fietsen. Ik heb wel zin in avontuur en blijf het pad volgen. Na wat doorsnee gravel gaat het kort en steil omhoog, langs keien en kuilen, waarna het pad het groen in gaat. Af en toe zijn de keien terug, is er een steile afdaling of ga ik onder het spoor door. Ik vind het geweldig, dit pad dat zich niet zomaar laat befietsen, al moet ik er soms even af.

Rocca (kasteel) di Staggia bij Staggia Senese. Uitzicht vanaf het ruigere stuk van het fietspad langs de Staggia.

Fietscultuur

Je kunt je daar over verwonderen (‘hoe kan dit een fietspad zijn?’), maar het fietsgebruik in Italië is anders dan dat in Nederland. Wij gebruiken een fiets niet alleen in onze vrije tijd, maar ook als volwaardig vervoermiddel en als alternatief voor auto of OV. De stadsfiets (met sportieve varianten) staat daarbij centraal en is de belangrijkste gebruiker van fietspaden. Die categorie is in Italië niet erg groot. Fietsen doe je als wielrenner op asfalt of als mountainbiker door het terrein, op gravel als dit en op paden als deze. Fietspaden hoeven niet per se rekening te houden met minder terreinvaardige fietsen, want die zijn er weinig (stadsfietsen) of fietsen hier niet (racefietsen).

Een makkie

Fietsen in Nederland is voor ons bagagefietsers een makkie, omdat elk fietspad met die naam geënt is op de stadsfiets, terwijl bagagefietsen veel meer aankunnen (en daarom ook veel meer kosten). Op ruigere stukken als dit kan een bagagefiets laten zien wat-ie waard is. Ik gun m’n Vittorio en mij die kans. Anders had ik hier net zo goed op m’n Batavus kunnen fietsen.

Sterke fietsen

Dat van m’n Batavus is niet serieus, maar evenmin onwaar. Om naar Rome te kunnen fietsen heb je geen Santos of Idworx vanaf € 5.000 (met Rohloff-naaf of Pinion-versnellingsbak) nodig. Een ‘sterke en stabiele fiets’ bouwen – waarmee de grote bagagefietsmerken zichzelf presenteren – is niets bijzonders, dat kunnen we al heel lang. Je stalen stadsfiets kan het asfalt en gravel van de Rome-route en andere populaire Europese fietsroutes met gemak aan. Je zou niet de eerste zijn die met een no-nonsense fiets heel ver de wereld in gaat. Toch laat je die stadsfiets waarschijnlijk thuis, net als ik. Een bagagefiets is leuker en handiger: lichter, veel verzetten en goede remmen (een drager en allround banden heeft je stadsfiets ook). Next step zijn de hightech bagagefietsen, die in beeld komen wanneer er veel spullen mee moeten (lang zelfvoorzienend moeten zijn, winterfietsen), je veel slechte wegen verwacht of lang en ver weggaat. Leuk? Tuurlijk. Nodig naar Rome of Parijs? Nee. Ga je vooral op asfalt en goed gravel fietsen, dan is bijna elke fiets met comfort, een drager, een goed versnellingsbereik en goede remmen een uitstekende tochtgenoot. Andersom: als je toch die Sahara-doorkruiser met de prijs van een kleine auto hebt gekocht: geef ‘m wat te doen en ga niet alleen langs de Moezel of op asfalt fietsen. Zonde!

Monteriggioni in de verte.

Bar dell’Orso (die bovenin uit het raam hangt en ergens de stekker uit heeft getrokken).

Bar van de beer

Het avonturen-gravel verliest z’n wilde haren en wordt bij Castellina Scalo een onberispelijk fietspad. Terwijl ik de doorgang onder de RA3 (raccordo autostradale 3) nader zie ik ‘m al liggen, de ronde muur met de torens van Monteriggioni, dat eruitziet als een ridderburcht uit een Disneyfilm. Wonderbaarlijk en indrukwekkend, een beeld dat ik niet snel vergeet.

Voorbij de rotonde van de snelweg-aansluiting zit Bar dell’Orso, de Bar van de beer. Ik houd het bij een blik koude cola en de foto die ik van de barman mag maken. Geen koffie-jongleur met staartje die vier jaar naar de barista-academie is geweest, zo’n man bij het zien waarvan door-en-door koffiefans direct aan de zuurstof moeten, maar een barman die weet waar het knopje van het koffiemachien zit, waar de koffie in moet en waar hij er weer uitkomt. Voor hem geen toneelstukjes, thank you very much.

Siena, vanaf hier nog zo’n elf kilometer, ligt op een verhoging, de weg klimt er in 150 hoogtemeters geleidelijk naartoe. Wat bos, wat open land en een Romefietser die niet kan wachten.

Biotoop

Die fietser wil vóórdat hij het oude centrum in gaat eerst energie tanken. Waar ik zin in heb is niet de zoveelste zoete croissant, maar zoute frieten en een romige milkshake. Banaan. Die hebben ze bij een restaurant met een gele ‘M’ dat ik in het moderne deel van de stad tegenkom. Het is niet mijn biotoop, maar dat kan me nu even niets schelen. Hier kan ik buiten in de schaduw zitten.

Mijn bestelling blijkt veel exotischer dan ik dacht, rond dit middaguur serveren ze voornamelijk koffie met bijlagen. In de ochtend is dat zelfs het enige dat je hier kunt krijgen. Geen frieten en geen milkshakes, waarvan ik het vermoeden heb dat dat hun eerste is in dágen. Ik zit het weerbarstige productieproces en de bijbehorende verwarring braaf uit, krijg m’n bestelling, doe me er tegoed aan en fiets veel later dan ik gehoopt had weer verder. Naar een hoogtepunt van de tocht.

Liefde

Tussen torens, daken en cipressen zie ik de contouren van de dom, maar ik ga er niet langs. Ik heb ‘m al eens bezocht en kies nu voor een andere plek die ik wil zien en herbeleven. Via een stadspoort kom ik in het oude centrum. In de smalle straten komen vrijwel geen auto’s, bezoekers – het zijn er niet veel – slenteren over de natuurstenen plavuizen langs kleine winkels. Het mooie aan Siena is dat niets lijkt te wijzen op wat je te wachten staat, op dat waar deze stad zo beroemd om is. Totdat je de juiste steeg of doorgang neemt, een paar meter de helling afloopt en het schouwspel zich voor je opent, als een toneelopstelling waarvoor in één keer de gordijnen wegschuiven. Ik weet het, en ik weet waar ik moet zijn. En toch overdondert het me, toch ontroert het me, vervoert het me en sta ik stil bij het plein waaraan ik m’n liefde heb verklaard. Het Piazza del Campo.

Palazzo Pubblico (stadhuis) aan het Piazza del Campo (Plein van het Veld).

Bereikt

Hier zou de tocht kunnen eindigen. Op een plein dat groots en toch intiem is. Waar geen auto’s zijn en geen herrie, waar je even kunt gaan zitten, meegevoerd door de pracht van de omgeving, en overdenken wat je hebt bereikt. Dit is een van de plekken waarnaar ik uitgekeken heb. Hierna heb ik geen grote verwachtingen meer, maar blijf eenvoudigweg genieten van het fietsen zelf en van Italië. Het einddoel wacht geduldig met haar rol, sluitstuk zijn van dit avontuur.

Ik verlaat het plein, dat drukker is dan de stadscentra van de afgelopen dagen, en rijd via een stadspoort aan de oostkant de oude stad uit. Hier is bijna niemand meer. Op een smal blauw bord staat ‘Roma 218’ (over doorgaande wegen en snelwegen, allicht). Ik moet lachen, dat motiveert. Alsof ik de voorsteden al nader, alsof ik de contouren van de stad al kan zien liggen. Hierna nog twee dagen, de finale is er nog niet, maar ik nader ‘m.

Strada di Leonina, drie kilometer ten oosten van Arbia.

Schande

In Taverne d’Arbia ligt links van de rotonde bij de rivierbrug een groep vervallen gebouwen met een toren. Vanuit de verte lijkt het op een kerk, van dichtbij eerder op een mijntoren met schachtbok. Dit is de voormalige Molino Muratori, een industriecomplex van 20.000 vierkante meter dat al heel lang braak ligt. Ooit werkte er het hele dorp, nu is het een verzameling roestende en afbrokkelende treurnis, waar illegaal afval wordt gestort, daken op instorten staan en regenwater zich gevaarlijk verzamelt tussen de muren. Het dorp en de politiek spreken er schande van, maar er gebeurt niets.

Leegheid

Via de brug steek ik de Arbia over en sta oog in oog met het volgende hoofdstuk van de route: de Crete Senesi. Een kaal, glooiend landschap dat vernoemd is naar de klei die hier in de bodem zit en de grond een grijze kleur geeft. Het heeft z’n eigen schoonheid. In deze leegheid is elke boerderij en elke boom een gebeurtenis, elke heuvel een plaatje. Het stuk waar de route doorheen gaat is landbouwgebied, op andere delen van de Crete is de grond hard en kaal.

Als fietser in de zomer is de Crete Senesi niet alleen bijzonder, maar ook genadeloos. Groen absorbeert zonnewarmte en geeft schaduw. Niet in de zomer, dan is hier geen groen, alleen geel. Ik ken het van de graanvlaktes rond Gravina in Puglia, het landschap reflecteert alle zonnewarmte, er is geen ontsnappen mogelijk. De weg erdoorheen gaat over heuveltoppen, met Toscaanse klimmen, hard omhoog en omlaag. Ik zie er tegenop, maar ook hier geldt dat de weg naar Rome er doorheen voert. En er komt een einde aan, het kale deel gaat straks weer over in een milder landschap. Het is inmiddels één uur geweest, de zon is op haar sterkst, ik ga beginnen. There is no other way.

Vrienden

Aan de rand van Arbia gaat de weg even omhoog en daalt daarna af. De bebouwing verdwijnt en trekt zich verstrooid als boerderijen en dorpen terug op de heuveltoppen. Lang glooiend land, in het voorjaar groen, nu in alle tinten geel. In de lucht drijven wolken, als er een voor de zon schuift wordt het op slag graden koeler en haast aangenaam. De wolken zijn vandaag m’n vrienden.

Alsof Van Gogh het heeft geschilderd, met op z’n palet alleen grijs, geel en een beetje blauw.

Asciano.

Herrie

Na de daling klimt de weg naar 340 meter, op acht kilometer van Arbia. De zon glimt en blikkert, de wolken laten grote donkere vlekken over de geel-grijze heuvels glijden. Als de maan een Toscana had, zag het er zo uit. Op het hoogste punt staat een koppel te jongleren met een camera. Bij het zien van een uiterst betrouwbaar uitziende, zwetende Romefietser vragen ze ‘m om van hen een foto te maken. Dat doet hij natuurlijk.

Als ik zelf ook die foto maak (zonder het koppel) giert een hete föhnwind langs m’n oren en hoed. Ik maak een video van het landschap, maar versta achteraf niets van wat ik inspreek, zoveel herrie maakt de wind. Het heeft iets om hier te staan. Het hoort bij deze tocht, ik stelde het me zo voor en zit er nu middenin. M’n hoed beschermt me tegen de zon, m’n bril tegen het schelle licht. M’n benen laten me niet in de steek, ik kan dit zonder de bodem te raken. Allicht, maar het vooruitzicht was niet leuk, nu ik hier sta vind ik het ergens wel gaaf. Dat geldt met vlag en wimpel voor het landschap. Groen, geel of grijs, het is uniek, ik had het niet willen missen.

Tussen de hoogte en Asciano golft de weg met felle klimmen en afdalingen, op m’n shirt verschijnen grote witte zoutkringen, de zon is genadeloos, net als de weg. Uiteindelijk daal ik af naar de Ombrone. Aan de overkant van de rivier ligt Asciano, op zeventien kilometer van Arbia. Ik kan er omheen, de route en ik gaan door de kleine stad, flink omhoog. Daar valt de wind weg, bieden de huizen schaduw en de autovrije straten rust. Bij een bar aan een plein drink ik een cola en een ijsthee. Het licht is hard, de koude dranken weldadig. Ik ben een heel eind op weg.

Niets

Op de hoek van een straat staat een soort fontein. Ik wil m’n bidons vullen, maar als ik een kraan opendraai gebeurt er niets. Ik fiets, nog steeds stijgend, de stad uit voor de laatste paar kilometers Crete. Die hebben weinig trucs meer, de weg blijft omhoog gaan, vriendelijk en zonder dat ik de meters weer verlies. De bomen zijn terug, met groen en huizen langs de weg. Het zwaarste hoofdstuk van vandaag is klaar, nog een paar bladzijden te gaan.

De weg naar hotel Borgo Beccanella, een paar kilometer ten oosten van Asciano.

Stekelvarkenstekel op de weg.

Met aanwijzing

De weg stijgt naar 380 meter op zes kilometer van Asciano, door het bos en met prachtige uitzichten. Het groen is overal, ik heb het gemist. De afdaling is aangenaam en suizend, de SP10 steekt autostrada SS715 over en wordt een kleine weg langs gras en bomen. Niet veel verder is een spoorwegovergang waarvan de bomen dalen. Het idee erachter is dat een trein kan passeren zonder voorrangs-vraagstuk bij kruisend autoverkeer. Beter voor de trein en nog veel beter voor de auto’s. Maar er komt geen trein. Niet na een minuut, niet na twee minuten, niet na vijf minuten. Door brandweerverleden en werk weet ik iets van het spoor, van hoe verkeerd je de snelheid van een naderende trein inschat en (dus) dat je nooit een gesloten spoorwegovergang mag passeren. Tenzij politie of spoorpersoneel het verkeer regelt en de treinen met aanwijzing rijden.

Test

Dit lijkt een soort test, waarbij iemand meet hoe lang het duurt voordat automobilisten gaan muiten en alsnog het spoor oversteken. Achter me keert een auto en rijdt terug. Uitgestapte automobilisten en ik kijken elkaar aan en voeren een woordloos gesprek. Ik kijk op de kaart op welke andere plek ik het spoor over kan, want oversteken met gesloten bomen gaat echt niet gebeuren. Dat blijkt de manier, alsof ik het afdwing. De spoorstaven beginnen te ruisen, het geluid wordt sterker en een trein rijdt voorbij. Ik ben nog één cruciale gebeurtenis verwijderd van een succesvol vervolg van m’n tocht. Die gebeurtenis voltrekt zich: de bomen gaan omhoog, de spoorgoden houden op ons te plagen. Ik denk dat ik er ruim tien minuten heb gestaan.

Slaapplek

De weg blijft het spoor volgen, min of meer vlak en langs de rand van een bos. Een heel fijn en rustig stuk, het soort weg waarvoor ik Benjaminse een groot compliment geef. Na het verlaten van het spoor gaat de weg door open land, onder Lucignano door, provincie Arezzo. Het land golft nog wat, maar niet al te heftig. De avond begint, het wordt tijd om een slaapplek te zoeken. Ik verwacht dat het een plek in het bos wordt, campings zijn hier zeker niet, voor een hotel lijken me de kleine steden te klein.

Eten als een prins.

Pelgrim

Maar waarom niet geprobeerd? In de buurt van Bettolle zoom ik in op de kaart en verken virtueel de omgeving. Bij een rotonde staat een hotel-symbool. Werkelijk? Na 98 kilometer en een laatste steile klim door het centrum sta ik om zeven uur voor hotel Apogeo. Dat ziet er niet uit als het type hotel waarvoor ik normaal gesproken kies. Dit lijkt meer op een kuuroord voor de ruimere budgetten. Tijd voor het ik-ben-fietser-en-heel-moe-en-niet-rijk toneelstukje. Als een pelgrim op sandalen vraag ik, alsof ik de vriendelijkheid en nederigheid zojuist zelf heb uitgevonden, wat een nacht hier zou kosten. De eigenaar wordt erbij gehaald. Die kijkt me aan, wisselt wat zinnen uit met de man achter de balie en geeft me zijn vonnis. 63 Euro inclusief ontbijt. Daar moest ik maar ‘ns niet te lang over nadenken.

Ik bedank hem en loop de balie-man achterna de ruime gangen door. Deuren, pilaren, een binnenplaats. Alles eenvoudig en ferm. De sfeer roept iets in me op dat anders is dan de beleving van een hotel. Een sfeer van pijen, gebed en stilte. Ik vraag het de man die mij m’n kamer wijst. Dit was vroeger een convent, vertelt hij, een klooster dat in de jaren zeventig is verbouwd tot hotel. Het doet aan als een therme, een kuuroord waar mensen verzorgd worden en komen uitrusten. Net als deze Romefietser.

In de kamer zou ik kunnen wonen, ik loop heen en weer om m’n spullen te halen, zet m’n fiets in de hoek van het terras en ga onder de douche staan. Net als ik dacht dat het niet beter kon, kan het toch nog beter. De overnachtingen op deze tocht. Mijn zangtalent.

Fietsen

Ik eet buiten op het terras. Een vrouw, een man en hun twee kinderen zijn de enige andere gasten. De kok heeft z’n best gedaan, het bier is koud, de ober vriendelijk. Ik praat met hem over het verleden van het hotel, over de gasten die er dit jaar niet zijn, over wat eens was. De avond is zwoel, de rust daalt neer, in de lucht en in m’n lijf. Vandaag was een stevige dag, een dag met veel gezichten. De groene heuvels rond San Gimignano leken niets te maken te hebben met het oude centrum van Siena, met de kale graanwoestijn van de Crete Senesi en met het milde landschap rond Bettolle. Dat is het mooie aan fietsen, aan fietsen in Italië. Ik neem de laatste slok, wens de ober goedenavond en zoek m’n bed op. Weldra dromend van de tocht die z’n doel bijna heeft bereikt.

Dag 19 | Bettolle – Vitorchiano

Overzicht

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.