Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Rome | Dag 3

Foto hierboven: de N10, de Our en het kasteel van Vianden, Luxemburg.

Ik word wakker en kijk op m’n telefoon. Twee voor half zes. Ik stap in de zomerochtend van een seizoensplaatsen-camping in Oost-België en maak alles klaar voor de dag. Water koken en in koffie veranderen, tent afbreken, slaapspullen inpakken. Ondertussen koelt m’n DragonFly benzinebrander af, die gaat daarna met pan en de rest de tas in. De ochtendroutine is vertrouwd als een thuis en neemt het geluk mee van het onderweg zijn. Onder m’n eigen afdak ontbijt ik met een van de grote pistolets uit Gulpen. Een project, maar hij is zó weg.

Uitgerust

Goed geslapen vannacht. Op de eerste dagen van een tocht word ik steeds uitgeruster wakker. De ontspanning kruipt m’n lijf binnen, m’n gedachten worden helderder, m’n hoofd rustiger. M’n eigen wereld wordt zo klein en overzichtelijk als twee achtertassen en een gps-track, de wereld om me heen wordt groter en avontuurlijker. Ik leef buiten, doordat m’n lijf aan het werk moet gaat m’n bloed sneller stromen en neemt restjes spanning mee, een verdriet dat er nog zat, een zorg die in m’n hoofd bleef zitten. Ze komen boven en vloeien weg, om ruimte te maken voor de verhalen en indrukken van onderweg. Ik ervaar fietsen als veel meer dan alleen bewegen, het gevoel van vrijheid als het ultieme geluk. Daar moest ik maar ‘ns wat over schrijven.

Vennbahn ter hoogte van Raeren. Verderop rechts (niet zichtbaar) ligt het voormalige station.

Varianten

Om vijf over zeven fiets ik weg. Het valt me nu pas op hoeveel kentekens Duits zijn en met AC (Aachen, Aken) beginnen, ook dat van de beheerder van gisteravond. Niet zo vreemd. Raeren ligt 3 kilometer van de Duitse grens en 13 kilometer van de dom. Ik fiets terug naar het dorp en steek de Vennbahn weer over. Vanaf Raeren geeft Benjaminse twee route-varianten om aan de andere kant van de Hoge Venen te komen. Beide heb ik gefietst (zoals hier), beide kanten op. Als ik linksaf sla, het spoorfietspad op, staat me een strak asfaltpad te wachten dat met een grote boog oostelijk om de Venen gaat, vanaf hier 42 kilometer en (netto) 200 hoogtemeters vals plat tot aan het punt in Sourbrodt waar de varianten weer samenkomen. Rechtdoor ga ik voorbij Raeren een groot aaneengesloten natuurgebied in en steek ik de Hoge Venen van noord naar zuid over. Een kleine 32 kilometer over asfalt en gravel tot aan Sourbrodt, waarbij ik onderweg een hoogte (het Hoge in Hoge V…) over ga en zo’n 150 hoogtemeters meer maak (eveneens netto, het zijn er meer omdat je er ook weer een paar verliest). Ik ga rechtdoor. Niet om de 10 kilometer minder of de 150 hoogtemeters meer, maar om de natuur onderweg. De Vennbahn is een fenomeen, als je ‘m nog nooit gefietst hebt zou ik dat zeker een keer doen. Maar ik vind ‘m saai. Bos, wat uitzichten over weilanden en een paar dorpen waar de voormalige spoorweg doorheen gaat. Niets mee aan de hand, maar meer wordt het niet. Ik wil meer.

Bos tussen Raeren en de Wesertalsperre.

Serieuze poging

Het gaat naar beneden en daarna omhoog naar de rand van Raeren, waar ik de route weer oppik. M’n benen doen het goed. Ze hebben gisteren duidelijk wat gedaan, maar voelen niet moe. Vandaag een lange etappe van zo’n 130 kilometer die ik bepaald niet uit m’n mouw zal schudden. Veel klimmen, niet hoog (op de Venen na), wel de hele dag. Maar het idee dat ik vanavond in Vianden ben lonkt en lokt. Vanaf daar ken ik nog maar een klein stuk van de route, daarna begint het ontdekken. Ik ga een serieuze poging doen.

Zelden

Na een kilometer ben ik in het bos en in natuurpark Hoge Venen-Eifel. Er is alleen dat bos en een Rome-fietser die in de wolken is. Vogels fluiten met verschillende stemmen, de geur van grond en groen drijft door de stille morgenlucht. Dit is mijn biotoop.

Rechts in de berm hoor ik iets ritselen. De beweging in de takken is te laag, het geluid te lomp, voor reeën. Het zijn er bovendien te veel. Tussen de bruine stammen zie ik een troep wilde zwijnen het bos in stuiven. Een stuk of acht dieren, met frislingen in de tienerleeftijd. Reeën zie ik op bijna elk avondrondje thuis, maar zwijnen zie ik zelden. De weg gaat geleidelijk omhoog, boven het bos schijnt de ochtendzon, dit zou ik een leven lang kunnen doen.

De stuwdam van de Wesertalsperre.

Tussen de bomen schemert water. Daar is-ie eindelijk, de Wesertalsperre, stuwmeer (door de afdamming van de Weser en de Getzbach) en het grootste drinkwaterreservoir van België. Bij de stuwdam stap ik af en maak een foto. In gedachten zie ik Dirk staan op een mooie oktoberwoensdag in de herfstvakantie van 2015, nog geen tien jaar, met z’n Stevens-fiets en twee tassen op weg naar Luxemburg. Samen gingen we de Venen over, we hebben het er nog steeds over hoe leuk die tocht was. De lucht is van het mooiste blauw, met alleen wat witte strepen en een enkele lichtgrijze wolk. Ik fiets de dam over.

De verdwenen slagboom. De helm is niet kwijt maar zit op m’n hoofd.

De slagboom

Ik passeer de slagboom die in m’n hoofd is gaan zitten sinds de eerste keer dat ik ‘m passeerde, in april 1999. Destijds, met Elsbeth op weg naar Kathmandu, ging de reis voornamelijk over doorgaande wegen. Want die stonden op de kaarten die we bij ons hadden. Kaarten waren nog van papier en groot, als we versies met details en binnendoorwegen mee zouden nemen, konden we per land moeiteloos een halve fietstas vullen. Dus toen de Benjaminse-route over wegen ging waar – zoals hier – auto’s werden geweerd maakte dat indruk. De ervaring om zonder inhalende vrachtwagens door het land te fietsen werd een baken van ‘dat wil ik meer en vaker’. Deze slagboom werd een symbool, elke keer als ik ‘m passeerde dacht ik aan het moment van toen en aan het moment in de toekomst waarop ik over deze weg de hele Rome-route zou fietsen. Nu het zover is, is de boom verdwenen en staat er alleen nog een bord. Met of zonder boom, als symbool kan hij met pensioen. Vanaf nu is dit weer een gewone plek op de weg door de Venen.

Bosfietsen tussen de stuwdam en de knik in de weg.

Voorzichtig

Met de ruisende Getzbach links van me fiets ik langzaam stijgend naar de splitsing bij de knik in de weg vóór Ternell. Benjaminse adviseert om hier van de route af te wijken en rechtdoor te gaan, omdat de onverharde weg, verderop langs de route, slechter is geworden. ‘Laat maar komen’ denk ik, en vervolg de route. Eerlijk gezegd geloof ik het niet, tenzij het hier helemaal is veranderd sinds de laatste keer dat ik er was. Ik voel me niet thuis bij de voorzichtigheid van de routemaker. Bij z’n streven om de Romefietser te behoeden voor gehobbel dreigt het avontuur weg te lekken. Dat zag ik ook bij het fietspad langs de Geul, gisteren. Als dit deel van België nieuw voor je is ga je misschien af op z’n advies. Waardoor je de bijzondere natuur van de Hoge Venen mist, alleen om wat modder en een paar kuilen. Ieder het zijne of hare, maar dat is echt zonde. Het doet niets af aan het plezier waarmee ik hier nu fiets en m’n waardering voor de route en de routemaker, het avontuur maak ik uiteindelijk zelf.

Geen vlok

Bij Haus Ternell – met blokhut-restaurant, museum en bezoekerscentrum – ben ik op 505 meter, ruim 200 meter hoger dan bij de start in Raeren. Even rechts op de doorgaande weg langs het Haus, daarna meteen weer linksaf, omhoog het bos in. Vogels kwetteren glashelder in de koele boslucht. “Man, man, wat heb ik het naar m’n zin!” zeg ik hardop tegen m’n opnemende videocamera. Ik blijf klimmen, maar nergens bruut of gemeen. Asfalt wordt gravel, de lucht nog blauwer, de natuur nog groener. Je kunt hier ook pech hebben met het weer. Ik fietste hier ooit in stortregens en grijze luchten, om daarna in Eupen (niet ver van het stuwmeer) in de blauwe lucht op een Konditorei-terras te zitten. In de winter kan er in de Venen een dikke laag sneeuw liggen, terwijl er in Raeren of Sourbrodt geen vlok is gevallen. Nu is het schitterend weer.

De lucht wordt blauwer, de natuur groener. In het midden, links, een stuk hoogveen.

Bijzonder

Het pad daalt af, zoevend en hobbelend verlies ik 30 hoogtemeters tot een lager gelegen stroomgebied van beken op 535 meter. Het gravel krijgt meer zand, met een enkele plas van een eerdere regenbui. Als een fietspad over een Nederlandse hei, niets dat in de weg zit. Via een houten vlonder steek ik de Miesbach over en ga weer omhoog over een bos- en gravelweg. De echte venen beginnen. Grote groene stukken die eruit zien als een grasveld dat heel lang niet gemaaid is, plantig en zompig, een van de laatste hoogvenen in Europa. Bijzonder omdat het veenwater ondanks de hoogte niet wegstroomt. Hoeken naaldbos, hier en daar een wildkansel. Ik kom weer hoger, er is niemand. In de berm staat een wild zwijn. Hoewel, het zwarte silhouet staat er al jaren (en al jaren op dezelfde plek) en is veel te groot voor een echt zwijn. Nu lach ik om het weerzien, maar de eerste keer wist ik letterlijk niet wat ik zag. Het weer blijft mooi. Af en toe lijkt het alsof het dichttrekt, maar de paar grijze wolken sluiten zich niet.

Afdaling naar Sourbrodt, aan de zuidkant van de Hoge Venen.

Genoeg energie

De milde klim wordt vlak, m’n gps geeft 645 meter aan, ik ben er. Hier gaat het niet meer hoger, een paar kilometer naar het westen wel. Daar ligt het Signal de Botrange, met 694 meter het hoogste punt van België. Ik stap af, verrukt. Momenten waar je lang naar uitkijkt vallen soms heel anders uit dan je verwacht. Vandaag niet. De Hoge Venen maken m’n verwachtingen waar, het is geweldig om hier te staan. Het klimmen voelde easy, het ging als een dolle (een vreemde uitdrukking als je 9-10 kilometer per uur gaat, dat geef ik toe). Wat beslist helpt is dat ik door het grote ontbijt genoeg energie heb, ‘slechte benen’ gaat bij mij meestal niet over moeheid maar over te weinig eten. De gravelweg wordt breder en krijgt hier en daar een kuil en een plas. Twee mountainbikers komen me tegemoet, ik stuiter over een soort verkeersdrempel, beide handen aan het stuur is hier het devies. Ik daal af naar Sourbrodt en laat de Venen achter me.

Nieuwe dingen

Gravel wordt asfalt, asfalt wordt slecht asfalt. De huizen van Sourbrodt beginnen, twee hazen steken over. Dit is een plek waar meer geschiedenis ligt dan de tocht met Dirk. In oktober 2017 kwam ik hier voorbij in een mix van regen en herfstbladeren, eind december 2019 passeerde ik Sourbrodt in het stikkedonker en in de stromende regen, na de Vennbahn vanaf Aachen gevolgd te hebben. Fietsend in de zon doe ik hier dus toch nieuwe dingen. Op een bankje tank ik bij. Tot m’n eigen verbazing zit ik hier nog steeds op 530 meter, in de afdaling heb ik minder meters verloren dan ik dacht. Voorbij het dorp ga ik rechtsaf de Vennbahn op en zoef over het perfecte asfalt langs een enkele loc en over groen wegdek waar het fietspad een weg oversteekt. In een moment van onbezonnenheid denk ik ‘eigenlijk wel lekker, dat mooie asfalt!’ en krijg er meteen een kleur van. Ik kijk om me heen, niemand heeft het gemerkt.

Vennbahn bij voormalig station Sourbrodt. Zie de Rome-overzichtspagina voor een versie met Dirk.

Uitzicht voor Holzheim, in de verte de Nordeifel.

Keuze

Na Weywertz voegt een ander spoorfietspad zich bij de Vennbahn en heb ik de keuze tussen twee routevarianten. Met het invoegende fietspad scherp linksaf begint een grote boog oostelijk om Waimes en St. Vith heen, deels langs de Our. Rechtdoor vervolgt de andere variant de Vennbahn en ga je via St. Vith naar het zuiden. De grote boog is langer en mooier. Ik ga hier links.

Het pad waar ik nu op fiets is RAVeL (Réseau Autonome de Voies Lentes, Waals fietspaden-netwerk) L45A, de Vennquerbahn. Ooit een verbindingsspoor tussen de grens met Duitsland en de Vennbahn, nu een fietspad met hetzelfde perfecte asfalt – alleen met veel minder bos. Dat er niets te zien is deert me niet, de timing van dit stuk is perfect. Na de tijdrovende klimpartij van vanmorgen kan ik hier even raggen en kilometers maken. Een Opschietstrecke heet dat in behoorlijk goed Duits. Ik fiets voorbij het meer van Büttgenbach en langs Büllingen, met zingende banden over het zoenasfalt. Langs het pad staan kilometerbordjes waaraan ik kan zien hoe hard ik opschiet. Struiken. Gras. Een paar mountainbikers. Het weer blijft goed, 22 graden met weinig wind en veel blauwe lucht. Ik zit hier nog steeds vrij hoog, 590 meter, als ik het pad zou blijven volgen zou ik het hoogste punt op het voormalige Belgische spoorwegennet passeren, tevens de waterscheiding tussen Maas en Rijn. Bij Honsfeld verlaat ik de L45A, houd een pauze op een bankje onder een boom en stijg dan licht, richting Holzheim.

Tussen Holzheim en Medendorf. Ondertussen groeien de wolken aan elkaar.

Beste soort

De klim duurt niet lang. Ik ga golvend een bult van 630 meter over, met vóór Holzheim een uitzicht over hoge heuvelranden met bos, windmolens en groene weiden. In de verte liggen Duitsland en de Eifel, ik ontdek dat ik dit stuk vergeten ben. In m’n hoofd zitten beelden en herinneringen, maar na de Venen ben ik de volgorde kwijt, evenals de stukken ertussen. Ik ben een puzzel aan het leggen, verbaasd over waar de stukjes horen en soms aan elkaar vastzitten. Ik daal af en kom voorbij Holzheim de Our tegen die vanaf daar een tijdlang langs de route blijft lopen. Het Eifel-landschap is groen en vriendelijk, de lucht trekt dicht, de wegen zijn rustig. Dit is fietsen van het beste soort.

Dirk aan het ontbijt.

In Schönberg drink ik een cola op het terras van hotel-restaurant Zum Burghof. Hier sliepen Dirk en ik op onze tocht naar Luxemburg. Ik herinner me z’n glundergezicht ’s morgens bij het uitgebreide ontbijt, de knuffel naast ‘m in bed en de kletsnatte tent die we in de garage te drogen mochten hangen. Ik herinner me ook de kamersleutel die ik in m’n broekzak vond toen we al halverwege Vianden waren. Hoest.

Ik vraag of ik iets kan eten, maar het bezorgde gezicht van de serveerster die het gaat vragen zegt genoeg. Er zijn allemaal eetreserveringen waar ze druk mee zijn, het gaat niet lukken. Dit is net geen Duitsland, maar wel Duits. Als gast wordt je er perfect verzorgd, reserveringen zijn rotsvast. Maar het kunnen improviseren is niet altijd de sterkste competentie van de oosterburen. Hier iets eten had ik leuk gevonden, maar het geeft niet. Een stuk verderop vind ik aan de Our een bankje en eet ik m’n tweede en laatste Gulpen-pistolet op. De wind is opgestoken, het begint te regenen. Ik frommel m’n camera en de drogende was op de achterdrager onder de klep en fiets verder. Even later houdt het weer op en mag alles weer terug, want de was is nog niet droog. Regen is vooral gedoe.

Brug van de E42 bij Steinebrück. Het fietspad is RAVeL L46.

Terug op de RAVeL

De Our wordt grensrivier tussen Duitsland en België, een kleine kilometer vóór Steinebrück verandert de weg in het strakke asfaltfietspad van RAVeL L46, dat voorbij het dorp onder de brug van de E42 doorgaat. Bij fietsknooppunt 55 komen de routevarianten samen. Als ik hier rechtdoor zou gaan, wordt de L46 de L47, maak ik een bocht naar het noorden en kom ik uiteindelijk in St. Vith en in Sourbrodt uit. Ook linksaf – de route – gaat het fietspad de L47 heten. Het duurt even voordat het muntje valt dat de L47 de Vennbahn is die ik bij Weywertz heb verlaten.

Recht omhoog

Die is hier anders dan waar ik ‘m verliet. Mooier. Ter hoogte van de Venen lijkt hij door de achtertuinen van het landschap te lopen, langs plekken waar de spoorlijn ooit weggestopt was. Hier loopt hij door het landschap zelf, langs weides, schuren en de Our. Vlak na de samenkomst moet ik er bij de oversteek van de Braunlauf even af omdat het pad recht omhoog gaat. Hier zal het spoor niet gelopen hebben. Dat geldt ook voor het stuk tot Hemmeres, waar ik onder de ruïne van een bakstenen spoorbrug doorga. Daarover liep ooit de Vennbahn, tot de Duitse bezetter ‘m in 1944 opblies. De brug werd niet meer herbouwd. Ik steek de Our over en ben in Duitsland.

Ruïne van de opgeblazen spoorbrug van de Vennbahn bij Hemmeres.

Serieus

In Hemmeres is het even klimmen naar het midden van het dorp, dat me doet denken aan een verlaten Oostenrijks bergdorp. Na driekwart kilometer ga ik terug de Our over en ben ik weer in België. Voorbij Steffeshausen verlaat de route de L47 en gaat het, op z’n Belgisch-Nederlands, serieus regenen. Alles wat droog moet blijven mag weer onder de klep, helm af, pet op, licht aan.

Voorgesteld

Dit stuk is zoals ik me het herinner. Grijs en nat. Toen Dirk en ik hier langskwamen regende het, toen ik dit met Elsbeth fietste was het nog niet lang droog. Voorbij Weweler is het gedaan met de zeer geleidelijke afdaling die de Our volgt. Na een brug, op zo’n 350 meter, verlaat de route de rivier en klimt het Ourdal uit. Door een dicht bos, de Belgisch-Duitse grens over, naar Zollamt Lützkampen op 545 meter. Nog meer bos, nog meer regen en een afdaling. M’n blikveld wordt niet groter dan wat ik vanonder m’n capuchon zie, ik denk aan vanavond en zit fiets het uit.

Tussen Dahnen en Dasburg.

Afdaling naar Dasburg.

Prachtig

De weg blijft aangenaam rustig en klimt en daalt niet al te veel meer, ik ben op een hoogvlakte die nogal saai is. Door het hemelwater heb ik niet de aandrang om ergens een stop te houden en fiets ik door, ogen op de weg, blik op oneindig. Een auto haalt me in, met een ruime boog om me heen en dwars door een enorme plas. Ik krijg een net zo enorme golf water over me heen. M’n jas en schoenen zijn voorzien van een Gore-Tex laagje en zijn waterdicht, verder kan er niet zoveel nat worden, ik fiets in een korte Häglofs-broek die snel droogt. Goed geregeld, Peeters. Er zit alleen een groot gat in beide schoenen, namelijk de opening waar m’n enkels door naar buiten komen. Zonder dat gat wordt het aantrekken van schoenen sterk bemoeilijkt, maar m’n sokken zijn nu wel zeiknat. De regen houdt op, de luchten blijven grijs, aan de rand ervan begint het blauw te schemeren. Boven de bossen naast me hangen slierten witte waterdamp, als bij een grote natuurbrand die net geblust is. Het past bij dit landschap, het is prachtig.

Bij Dasburg verlies ik uiteindelijk m’n hoogtemeters in een steile afdaling naar het dorp. Het blijft droog, ik houd m’n pauze op een bank tussen perken en natte natuurstenen bestrating en kijk naar een stel Nederlandse vakantiegangers op het balkonterras van een restaurant. Ik zie een rijtje motoren staan. Met een capuchon of een zonnebril op voel ik al afstand tot het landschap waar ik doorheen ga, hoe moet dat zijn met een integraalhelm op en 80 per uur. Ik begrijp alles van de vrijheid op twee wielen, maar niet als dat herrie maakt en hard gaat. Ik daal verder af naar de Our, ook hier de grensrivier, dit keer tussen Duitsland en Luxemburg. Ik ga de brug en de grens over en sla linksaf, richting Vianden.

Vlonderfietspad langs de uitstulping van de Our bij Bivels.

Geitenpad

De finale van vandaag is een stuk waarop ik me heb verheugd. De wolken breken, de zon is er weer. Schuchter en zonder veel beloftes, maar hij is er. Ik blijf in de buurt van de rivier, die me naar Vianden brengt en die ik nog vijf keer zal oversteken, naar de Duitse oever en weer terug naar Luxemburg. Die laatste 24 kilometer zijn bepaald niet vlak, gelukkig heb ik dat onthouden, m’n benen krijgen liever geen verrassingen meer. Ze mogen nog even aan het werk, maar de beloning is er naar.

Benjaminse laat de route van oever switchen zodat de drukke stukken van de N10 worden vermeden. Op de kleine wegen is weinig verkeer, waardoor m’n aandacht kan gaan naar de landschappen in het rivierdal. Open stukken boerenland, bossen die tot aan het water lopen, een dorp, een camping, een brug. Ik vind het heel mooi. De kroon is het fietspad langs de uitstulping van de Our bij Bivels. Als je haast hebt zou je de route daar een stuk af kunnen snijden door de N10 te nemen. Dan mis je het fietspad dat voor een deel over vlonders boven de rivier loopt, als een geitenpad langs de steile wand van een berg. Een fantastisch en onverwacht kadootje.

Kasteel Vianden. In de verte is de stuwdam te zien.

Volbracht

Nadat ik via de N10 de brede, verderop afgedamde Our ben overgestoken komt rechts boven me het kasteel van Vianden in zicht. Een plaatje tegen de achtergrond van de inmiddels blauwe lucht. Ik fiets de kleine stad binnen en er weer uit, de laatste twee kilometer naar Camping de l’Our die ik op het oog heb. Daar heb ik met Dirk overnacht, daar zal ik Flammkuchen eten in het restaurant, met een groot glas Weizen naast me. Daar zal ik slapen in de wetenschap dat ik de ambitieuze driedaagse van Amersfoort naar Vianden volbracht heb.

Om vijf voor zeven kom ik aan op de camping. Het is nog steeds droog, maar grijs en treurig. Ik sla de rit van vandaag op, 131,8 kilometer en 1287 hoogtemeters. Dat is de moeite, niet gedacht dat het vandaag zoveel op en neer zou gaan. Maar ik ben er, het is me gelukt. M’n voeten en sokken zijn nat, eigenlijk is alles wat ik aanheb vochtig, alles is vies, het is een bende. Zo voelt het.

Soep

Het is hier veranderd. Achter de ramen van het restaurant is het donker, die Flammkuchen en Weizen waarop ik me verheugd heb kan ik vergeten. De camping is gelukkig wel open, ik zie mensen lopen en ontdek dat de receptie vanaf 18:00 uur gesloten is. Met de camping in Raeren in m’n achterhoofd loop ik rond, op zoek naar iemand. Een Nederlandse campinggast weet dat er een mevrouw in een stacaravan is die mij kan helpen. Die mevrouw komt er al aangelopen.

Ze loopt met me mee naar de receptie, schrijft me in geeft me een sleutel voor de douche, zonder dat ik de 40 euro borg hoef te betalen. Dat vindt ze eigenlijk een beetje spannend zegt ze, maar goed, als ik de sleutel meteen dezelfde avond terug kom brengen krijgt ze niet op d’r donder als de beheerder ziet dat er geen 40 euro ligt maar wel een sleutel mist. Ze kent me niet, denk ik bij mezelf, maar dit doet ze voor me. “Zal ik een kop warme soep voor u maken?” vraagt ze. Ik hoor m’n Limburgse oma, die ook altijd soep maakte. Ik zie ook dat ze het heel leuk vindt als ik ja zeg, dus “Ja graag”. Ik meen het.

Links de stacaravan met terras van Joke.

Bewogen

Ik zet m’n tent op en klop aan naast het halfopen, overdekte terras van haar stacaravan. Ze zet een bord soep voor me neer en vraagt of de soep warm genoeg is, ze heeft ‘m in de micro opgewarmd. Ze kijkt naar m’n gezicht en neemt ‘m meteen weer mee. Met de hete soep voor me vertelt ze dat ze Joke heet, 85 jaar is en al 49 zomers op deze camping komt. Met Pasen gaat ze hier naartoe, in oktober gaat ze weer naar huis. Ze komt uit Genk in Belgisch Limburg, ik vertel dat mijn ouders aan de overkant van de grens opgegroeid zijn, in Obbicht en Stein, en dat het eigenlijk allemaal hetzelfde Limburg is. Het restaurant is inderdaad dicht, de vrouw van wie het was is zes jaar geleden aan kanker overleden. Sindsdien lig het eigenlijk stil. Zelf heeft ze een bewogen leven gehad. “Ik kom hier elke zomer om tot rust te komen, want thuis heb ik allemaal herinneringen”. “…die me verdrietig maken” vul ik in gedachten aan. Haar man is een aantal jaren geleden overleden, haar oudste dochter stierf twee jaar geleden aan darmkanker. “Met het overlijden van mijn man kon ik nog vrede hebben, hij was al lange tijd dement. Toen ik ‘m naar het verzorgingstehuis moest brengen heb ik eigenlijk afscheid genomen. Maar m’n dochter, dat kon ik niet accepteren.”

Rust

“Hier op de camping is het de natuur die me rust brengt. Hoe de bomen uitlopen in het voorjaar, de knoppen en de nieuwe blaadjes. De bomen die op dezelfde plek staan, hetzelfde grondwater krijgen en dezelfde voeding uit de bodem halen. Toch is de ene een walnotenboom en de andere een appelboom.” Ze vertelt dat ze een keer bij terugkomst in oktober een wespennest in haar schuur ontdekte. “Zo ongelooflijk mooi gemaakt, zo kwetsbaar als dun papier”. Ze heeft iemand laten komen voor de wespen en heeft het nest daarna heel voorzichtig losgehaald, waarna het een hele tijd in haar woonkamer heeft gestaan. “God is voor mij dat mooie van de natuur, niet de dingen die ze ons vroeger hebben wijsgemaakt”. Ik ken de verhalen over vroeger van m’n moeder, ik ben het met haar eens.

Ik sta op en bedank haar, als covid niet had rondgewaard had ik haar een hand gegeven en er een kus op gedrukt. Ik heb drie kwartier met haar gepraat, ik denk dat ik het contact net zo nodig had als zij. Verhalen van anderen horen bij fietstochten als deze. Maar ik heb wel de kriebels, ik moet nog van alles doen, waaronder koken en douchen.

Een stille camping, grijze lucht en een gesloten restaurant. Het was niet waarop ik me had verheugd.

Voedsel!

Bij aankomst heb ik naast het restaurant een Aral-tankstation gespot en meteen gevraagd tot hoe laat het open is. Daar ga ik recht op af. Arals hebben niet alleen kleine winkels, weet ik van andere tochten, ze verkopen ook brood en zijn tot laat open. Zo is het ook bij deze. Werkelijk ideaal wanneer je, fictief voorbeeld, op een late zondagavond in Luxemburg nog eten wilt inslaan omdat het restaurant gesloten blijkt. Vianden puilt uit van de toeristenhoreca, maar dat kost teveel tijd, geen zin in. En ik fiets geen meter meer.

Bij de schappen twijfel ik niet. Gisteren heb ik een instantmaaltijd van Adventure Food gegeten. Goed eten, maar het is te weinig, toen ik ging slapen had ik alweer honger. Er zitten 600 kilocalorieën in zo’n maaltijd, maar op een dag als vandaag verbrand ik er alleen al tijdens de uren op de fiets zo’n 4500. Samen met de dag-uren waarop ik niet op de fiets zit ga ik snel richting de 6000 kcal, daar is nauwelijks tegenaan te eten. Er moet voedsel in, veel en nu. Ik neem een 500 gram-pak Barilla fusilli mee, een grote glazen pot bolognesesaus, pinda’s en een blik bier. Zo heb ik meteen pasta voor nog 2-3 avonden. Om kwart over acht zit ik te koken, de flinke pan pasta verdwijnt in één ononderbroken beweging richting maag. De paar slokken bier hakken erin.

Ik zie het wel

Ik pak de brander meteen in, dat scheelt morgenvroeg tijd, koffie kan ik bij de Aral halen. Douchen. Na drie douchebeurten en een dag waarop hij niet kon drogen moet m’n handdoek gewassen worden. Net als een fietsonderbroek en twee paar sokken. Maar het is laat, ik ga het niet meer doen. M’n tent is vochtig aan alle kanten, fiets en tassen zitten onder de modder. Als ik uitgerust ben kan ik overal tegen, als ik moe ben wordt elke oneffenheid een berg. Dat is nu. Als ik – na het inleveren van de douchesleutel bij Joke – lig besluit ik de wekker naar 6 uur te verzetten, ik moet acht uur slapen. Dus morgen laat weg, ‘ik zie het morgenvroeg wel’ denk ik bij mezelf. Maar eigenlijk zie ik het niet meer.

Al die tijd dat ik deze tocht plande stond voorop dat ik het stuk van Amersfoort tot Vianden in drie dagen wilde doen. Omdat ik dat stuk kende wilde ik er snel doorheen, in drie lange etappes, zodat ik voor het onbekende deel erna meer tijd had, met kortere dagafstanden. Nu ik het gehaald heb, na 390 kilometer, veel hoogtemeters en een aankomst die tegenviel, slaat de moeheid toe. ‘Ik ga dat hele schema van Amersfoort-Rome in 18 fietsdagen laten vallen. Ik ga gewoon lekker fietsen, desnoods stop ik ermee’. Ik laat al m’n gedachten toe, ook de onredelijkste, ik weet dat dat moet zodat ze m’n hoofd kunnen verlaten en ruimte maken voor wat ik echt wil en niet wil. ‘Nee’ denk ik, ‘natuurlijk stop ik er niet mee, maar het moet wel anders, zo ga ik niet verder’. De slaap komt en verdrijft m’n gedachten. M’n tent uit naar buiten, naar het veld waar de schemer op het punt staat te beginnen.

Dag 4 | Vianden-Vigy

Overzicht

4 reacties

  1. Dag Piet,ik ben gisteren op je site terecht gekomen. Een site als deze maakt mijn herfstdagen mooi. Mooie verslaggeving telkens weer. Knap dat jij dit zo uitgebreid kan beschrijven, ook al ben je toch al even rond met de route. Leuk om lezen.

    • Bedankt Marc, leuk om te horen. Ik maak er onderweg veel werk van om indrukken in te spreken via de dictafoon-app op m’n telefoon. Zo kan ik later de details terughalen van gesprekken en ervaringen. Daarnaast maak ik video’s en veel foto’s en kan ik via gps-informatie (Garmin Connect) precies reconstrueren waar ik wanneer was. Zo ben ik zelf ook opnieuw onderweg…

  2. indd prachtig geschreven en beschreven het leest herkenbaar. Echt leuk om je ervaring te kunnen lezen t is een beetje alsof je erzelf bij bent. En herkenbare momenten groeten en veel succes met je verdere avonturen.

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.