Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Rome | Dag 7

Foto hierboven: Basel, de Mittlere Brücke over de Rijn.

Al was het gisteravond later dan gewoonlijk, ik word om zes uur wakker. M’n lijf is gewend aan het slaapritme. Ik maak koffie, zoek m’n ontbijtspullen bij elkaar en kijk om me heen, speurend naar een vrije plek op een picknickbank. De Franse fietsers op de bank verderop gebaren me, ze schuiven iets op en nodigen me uit bij hen te komen zitten. Ik mag niet weigeren. Hoewel de beleefdheid me gebiedt dat ik eerst aarzel om aan hun ontbijtritueel mee te doen ga ik maar al te graag op de uitnodiging in. Ze zullen over de zestig en misschien over de zeventig zijn, komen uit Dijon en maken een grote ronde via het Rijndal. Een vriendengroep die er ontzettend veel lol in heeft. Uit hun tassen komen kleine gasbranders en grote koffiekommen, ze maken koffie met veel melk en ontbijten met de joligheid van een groep tieners. Ik volg het meeste van wat ze zeggen, het lukt me zelfs om te vertellen wat ik aan het doen ben. Ik voel me heel welkom.

Eerder

Na bijna een week fietsen met veel regen heeft m’n ketting dringend aandacht nodig, hij knarst en ratelt, het is niet best. Dit had wel eerder gemogen. Ik veeg ‘m schoon, smeer de schakels en check de remblokken en -kabels. Niets mooiers dan een soepel en geluidloos lopende ketting. Ik pak m’n spullen in, laad op en rijd om kwart voor acht de camping af. Niet vroeg, maar ik verwacht vandaag een vlakke etappe waarbij ik de vaart erin zal kunnen houden. “Bonne route!” wensen de Franse fietsers me die bij het sanitairgebouw hun bidons aan het vullen zijn. Ik doe hetzelfde, wens hen een mooie fietsdag en vertrek. Vandaag ga ik naar Basel, en er voorbij.

Eguisheim.

Veel zin

Ik fiets langs het sportpark waaraan de camping grenst en pik voorbij het station de track weer op. De leuke overnachting en het vooruitzicht van Zwitserland maken dat ik er heel veel zin in heb. Uit de lichtgrijze lucht vallen druppels. Een regenjas is niet nodig, met 18 graden mag de Windstopper wel aan. Eigenlijk maakt het me niet uit, ik zie het wel, vanmiddag kan het weer anders zijn. Nog maar ‘ns: over een paar dagen fiets ik in Italië, misschien wel in 35 graden. Dan zal ik terugverlangen naar deze momenten waarop het beslist niet warm is – en prima fietsweer.

Heel bijzonder

Eguisheim, door de Fransen zelf uitgeroepen tot een van de mooiste dorpen van het land, ademt Elzas in elke smalle straat. Als je als Chinees of Texaan (of als Romefietser) maar tijd hebt voor één dorp: hier stoppen. Gecultiveerd? Ja. Mooi? Ook ja. Vakwerkhuizen zijn hier niet steriel wit maar hebben alle aardkleuren, van bleek-oker tot roze-rood. Aangeveegd, opgepoetst, bijgeschaafd en met een vergrootglas gerestaureerd, maar op de Place du Château Saint-Léon sta ik tien minuten simpelweg om me heen te kijken. Vrijwel alleen. Dit zou met gemak een Eftelingattractie kunnen zijn, met het gekleurde torendak, het standbeeld van een middeleeuwse paus en de ooievaarsnesten op dak en klokkenstoel. Het heeft wat, het is bijzonder. Een groepje scholieren met oranje hesjes, afvalbakken en corvee of straf (kauwgom in het sleutelgat van het leslokaal?) checkt alle bakken met geraniums en knipt er de slechte bladeren uit. Het is een beetje pijnlijk dat ik vrijwel de enige ben die van het resultaat geniet, maar genieten doe ik.

Place du Château Saint-Léon in Eguisheim, met links het château Saint-Léon en rechts de Chapelle Saint-Léon IX. Het standbeeld is van paus Leo IX, waarvan lang gedacht werd dat hij in dit château is geboren (hetgeen waarschijnlijk niet het geval is). De jonge ooievaars op het dak zijn er zeker wel geboren.

Gebouw van het psychiatrisch ziekenhuis van Rouffach. Ook hier weer ooievaars.

Onbekende bergen

Hobbelend over de kasseien kom ik langs het ene plaatje na het andere, buiten het dorp rijd ik meteen de openheid in. De route volgt een paar kilometer de D83, die iets wegheeft van een light versie van een autosnelweg. Eerst er strak langs, daarna op een afstandje en na Hattstatt weer direct naast de grote weg. Op een bord staat Bâle aangegeven. Dat moet Basel zijn. Bij Pfaffenheim fiets ik opnieuw door wijngaarden en gaat de landweg wat op en neer, over kleine ruggetjes door het landschap. Langs de weg staat een enkele boom, de lucht blijft grijs. Rechts naast me de groene hoogten van de Vogezen, in de verte doemen onbekende bergen op.

Na het centrum van Rouffach stop ik bij een gebouw dat m’n aandacht trekt door een bijzondere schoorsteen. Het maakt deel uit van een 43 paviljoens groot psychiatrisch ziekenhuis. Een gebouw waarvan ik vermoed dat ze er frikandellen maken van patiënten die er op raadselachtige manier verdwijnen – maar dat is pure speculatie.

Reisbeperkingen

Wijn wordt mais, gaarden worden akkers. In Merxheim pauzeer ik op een bank aan de Schecklenbach en lees het nieuws. Nu de zomervakantie gaat beginnen zijn reisbeperkingen het belangrijkste thema: waar mag je naartoe als Nederlander, gezien de kleurcode van de covid-besmettingen. Op dit moment is Nederland geel. Ik lees dat als we niet uitkijken Nederland binnenkort niet wordt afgeschaald naar groen, maar opgeschaald naar rood of zelfs donkerrood. Dan gaan Europese landen Nederlanders weigeren.

De moed zinkt me in de schoenen. Fuck. Als dat gebeurt worden Elsbeth en de mannen niet toegelaten tot Italië, misschien mogen ze niet eens Frankrijk in. Een week na mijn aankomst in Rome hebben we een rendez-vous in Milaan, daarna gaan we nog een paar weken naar onze familie in de Drôme. Als Italië op slot gaat zal Elsbeth in elk geval naar Loriol-sur-Drôme rijden, we gaan naar familie en zijn gevaccineerd. Ik heb dan de keuze: na Rome-Milaan doorfietsen naar Frankrijk, of in Rome de trein nemen naar huis en dan samen naar Frankrijk. Overal is een oplossing voor, maar het is niet leuk. Er komen barsten in waar ik me op verheugd heb, m’n vooruitzicht brokkelt af, misschien moet ik alsnog treintickets-met-fiets gaan regelen. Totaal geen zin in, maar ik zal moeten afwachten wat het gaat worden – zoals zoveel landgenoten nu.

Biljartlaken

Bij Merxheim zwenk ik af richting het oosten, richting de Rijn. Ik begin aan een verbindingsstuk tussen het noord-zuidgedeelte langs de Elzas-wijndorpen en het noord-zuiddeel dat, parallel aan de Rijn, bij Basel uitkomt. Het is meteen gedaan met de vakwerkhuizen en de lichte golvingen. Het landschap verandert in biljartlaken-vlakke maisvelden, afgewisseld met stroken bos. Bij een boulangerie in Réguisheim koop ik broodjes waarvan de gortdroge croissants geen succes zijn. Ik ben te dicht bij Duitsland.

Tragedie

Het land wordt nog leger, de vlakke vergezichten alleen onderbroken door een enkele silo, een beregeningsinstallatie of een grindafgraving. Het is deprimerend saai, maar de weg is rustig en het schiet op. Bij de brug over het Ancien canal du Rhône au Rhin (voormalig Rhône-Rijnkanaal) bij Munchhouse staat een monument met namen. Ik stop en zoek op m’n telefoon naar wat hier gebeurd is.

In de vroege ochtend van 10 januari 1950 rijdt een bus met arbeiders naar de bouwplaats van de waterkrachtcentrale in Ottmarsheim. Door ijs op de destijds houten brug over het Rhône-Rijnkanaal slipt de bus, glijdt van de brug af en komt ondersteboven neer in het kanaal. Van de 48 inzittenden lukt het 18 mannen en vrouwen niet om uit de bus te komen. Ze sterven in het koude water. Het monument voor deze tragedie is er een paar jaar later neergezet.

Het bos

Een kilometer buiten Munchhouse verandert het uitzicht. Akkerland met versnipperde industrie wordt bos. Het mooie aan fietsen is dat je nooit lang in hetzelfde landschap bent, saaiheid krijgt weinig kans de dag te bepalen. Na nog een kilometer sla ik rechtsaf, het Forêt domaniale de la Hardt in, een fietspad op. Dit bos-fietspad ga ik lang en bijna pal naar het zuiden volgen. Ik ben van de bossen, ik heb me hier thuis al op verheugd. Dit op één na grootste staatsbos van de Elzas is 13.000 hectare groot, een langgerekte noord-zuidstrook natuur tussen de A35 in het westen en de Rijn (en Duitsland) in het oosten.

Het kaarsrechte asfaltfietspad door het Forêt de la Hardt.

Kilometers lang is er alleen het kaarsrechte asfaltfietspad en groene bladeren links en rechts daarvan. Het is een vreemd bos, heel anders dan wat ik verwachtte. Niet het bos van Compiègne zoals op de laatste dag naar Parijs, niet de naaldbossen van de Veluwe of van de deelstaat Brandenburg, op de laatste dagen naar Berlijn. Het ziet er eerder uit als een sterk verwaarloosd stadspark, met lage vormeloze loofbomen die zijn overwoekerd met klimop. Geen geur van hars, geen doorkijkjes langs bruine stammen, niet het geknars van gravelpaadjes langs dennennaalden en door zwijnen omgewoelde bermen. Het lijkt aangeplant en daarna verlaten, zonder elk spoortje van de magie waarop ik had gehoopt. Zo’n bos is OK als je er na een paar kilometer weer uit bent, maar het stuk is veel langer dan ik dacht (om precies te zijn: 22 kilometer van in- tot uitgang).

Motivatie tanken.

Spirit

Ik stop om de paar kilometer, ik voel m’n benen al sinds vanmorgen (ik vermoed enig verband met de etappe van gisteren), ik voel m’n kont, ik voel m’n lijf. De spirit verlaat me, er moet iets gebeuren. Na 7,5 kilometer bosfietspad, vlak vóór de D39, zie ik links een schuilhut met tafels en banken. Ik dank de kosmos vanuit m’n hart en laad af. Fuck de tijd, ik ga voor mezelf zorgen. Op de brander maak ik koffie, ik hang wat dingen te drogen en eet zoveel ik opkan. Energie en motivatie tanken, dat is wat ik nu nodig heb, dat is wat ik nu doe.

WOII

De stop heeft me goed gedaan. Ik vervolg m’n weg door het woekerbos, ga over de A36 heen en passeer zonder het te weten het enorme (320 hectare groot) complex van de autofabriek van onder andere Peugeot en Citroën. Na een paar kilometer ga ik via een grotere weg het Canal du Rhône au Rhin over, verlaat die weg weer en daal met een boog af naar de oever van het kanaal. Aan de overkant staat een Shermantank, aan het eind van de boog een houwitser (een kanon dat schuin omhoog schiet en zo een groter bereik heeft), die ik beide herken als WOII-materieel. Naast de houwitser staat een monument, het Mémorial Combats de la Hardt, dat hier in 2011 is opgericht ter nagedachtenis aan wat er gebeurde.

Van 28 november tot en met 3 december 1944 vochten hier eenheden van onder andere de 4e Marokkaanse bergdivisie (onderdeel van het 1e Franse legerkorps, dat na de bevrijding van Frankrijk weer deelnam aan de oorlog), ondersteund met tanks tegen de Duitse troepen die zich in het Hardt-bos verschanst hadden. Het doel was om de Duitse linies ten noorden van Mulhouse te doorbreken, onderdeel van de laatste fase van de bevrijding van Frankrijk: het offensief in de Elzas. Hier, bij de brug over het kanaal, lag een zwaartepunt. De slag werd een militaire mislukking en een menselijk drama, met 1300 doden aan Franse zijde.

Canal du Rhône au Rhin, blik op het westen. Links op het gras de houwitser en het monument, rechts in de bosrand de Shermantank.

Gemis

De route gaat terug het groen in. In de lichtgrijze lucht, de matheid van het bos en het lege van het fietspad komen gedachten uit hun sombere hoeken. Ik voel me alleen. Misschien is het de warmte van de camping van de afgelopen nacht en het gezelschap van de Fransen, die er beide niet meer zijn. Misschien is het de ongewisheid van het weerzien na Rome, nu de wereld opnieuw lijkt dicht te gaan. Het is als het kampvuur dat dooft, waardoor de roofdieren durven te naderen en me overvallen. Voordat ik het weet lopen de tranen over m’n wangen. Ik mis Elsbeth en de jongens. Ik moet aan m’n kindertijd denken, aan m’n slaapkamer in ons ouderlijk huis, de zolder waarop ik speelde, de trap naar boven. Geborgen en dichtbij, warm en veilig. Ik mis het thuis van nu en van vroeger, het trekt me mee, er is even niets dan het gemis. Alleen de bomen horen m’n verdriet.

Vliegend hert, een van de dieren waar het Forêt de la Hardt bekend om staat, dat ik op het fietspad tegenkwam – helaas niet meer in leven.

De deal

Het lucht op, de zware gevoelens verlaten me. Ik droog m’n tranen, het is voorbij. M’n benen voelen anders, sterker, bij de eetstop gevuld met nieuwe energie. M’n hoofd is bevrijd van de donkerte, ik zie aan m’n gps dat ik bijna aan het einde van het bos ben. De filosoof in me overdenkt wat er met me gebeurde. Als je dagen achter elkaar lange etappes met veel hoogtemeters fietst laat het lijf van zich horen, da’s niet gek. Als je meedoet met de wereld en niet meer de eenling bent die zich daarvan afgesloten voelde, ga je die wereld missen. Dan ga je mensen missen, dat hoort bij de deal die je bij het meedoen sluit, net zo goed als verdriet hoort bij verlies wanneer je je overgeeft aan de liefde voor een ander.

Het licht wordt sterker, ik rijd het bos uit, het open veld in. Grote toestellen komen over, poten uit, die gaan landen. Dat moet op het vliegveld van Basel zijn, ik nader de stad. De spirit is er weer, bij het vooruitzicht van Zwitserland en straks de Alpen. Als het zo doorgaat, als ik m’n schema kan blijven volgen, ben ik over drie dagen in Italië. Na Kembs sla ik rechtsaf, langs het Canal de Huningue. Dit kanaal zal ik blijven volgen tot aan de Rijn.

Natuurfoto’s langs het Canal de Huningue.

Gravelgevoel

Een lang recht fietspad langs een kanaal klinkt niet erg spannend, toch is het leuk. Geen leeg asfalt, wel gravel waar ik af en toe een fietser tegenkom. Gravel voelt meer als natuur en iets meer als avontuur, het goede gevoel is er weer. De groene kanaaloevers zijn in orde, ze zijn open en rustig zonder doods te zijn. De kilometers vliegen voorbij. Het weer heeft het beste van twee werelden: door de wolken krijgt de julizon geen kans om heet te worden, maar er valt geen regen uit, het blijft droog. Het zal een graad of 22 zijn.

Langs het water staan op meerdere plekken borden met prachtige natuurfoto’s, een openluchtexpositie. Ik stop om ze te bekijken, onder de indruk.

Van groen naar grijs

De vliegtuigen verdwijnen rechts van me onder de bovenranden van bomen en gebouwen, daarachter zal de baan zijn. Het gravelpad wordt breder, er verschijnen meer wandelaars en fietsers, om me heen ritselen de blaadjes van populieren. Naast me begint een stenen muurtje met een rood hek, daarachter een straat en huizen. De bebouwing groeit aan elkaar. Bomen en struiken gaan over in steen, hekken, bruggen, verkeersborden en auto’s. Gravel wordt asfalt, met keurig gras en een park met opgewonden kinderstemmen. Naast het kanaal staan kinderen met zwemvesten, blauwe helmen en kleine vlotjes. Ze gaan het water in en het water op. Ik steek het kanaal over via een brug met een schuif, ga rechts en zie even later de Rijn voorbij stromen. De Rijn.

Blik op de Rijn richting het zuiden vanaf de Passerelle des Trois Pays (Drielandenbrug) tussen Huningue (F) en Weil am Rhein (D).

De groene lijn is de route (klik = vergroten).

Drielandenpunt

Iets verderop steek ik de grote, brede rivier over via een lange fiets- en voetgangersbrug, de Passerelle des Trois Pays (Drielandenbrug). Wauw, ik heb de Rijn bereikt, wat geweldig om hier te staan. Er wapperen Europese en andere vlaggetjes, ik zie iets over Dreiländereck en trois pays, maar helemaal snappen doe ik het niet. Ik sta stil en maak een foto van de rivier, de wolken en de industrie op een riviereiland. Op de andere oever kijk ik om me heen, ben ik nu in Zwitserland?

Nee, in Duitsland. Deze brug over de Rijn, ’s werelds langste enkele-boogbrug voor fietsers en voetgangers, verbindt het Franse Huningue (waarnaar het kanaal is vernoemd waar de route vanaf Kembs zo’n 13 kilometer langs loopt) met het Duitse Weil am Rhein. Tweehonderd meter ten zuiden van de brug ligt het drielandenpunt waarnaar de brug is vernoemd, de samenkomst van de grenzen van Frankrijk, Duitsland en Zwitserland.

Ik sla rechtsaf en ga omhoog, een brug over. Die brug herken ik. Van een afstandje zie ik het al, rechts van de weg: het bordje ‘Basel’ dat ik ken van de YouTube-video’s die ik thuis als voorbereiding heb gekeken. Nu fiets ik er zelf voorbij. Een groot moment, een mijlpaal, ik ben in Zwitserland.

Stadsmodus

Daarmee zijn de glorieuze momenten voorlopig voorbij, want ik moet meteen schakelen naar de stadsmodus. “Bern is Amsterdam, Basel is Rotterdam” vertelde een Nederlander me die al jarenlang in Zwitserland woont. Dat is te voelen. Dit is een haven- en industriestad, met het bijbehorende verkeer. Op zich niets bijzonders, de normale hectiek van stadsverkeer. Wat het intens maakt is dat het – mij in elk geval – niet duidelijk is waar ik mag of juist moet fietsen. Op de brug waarover ik de stad binnenreed is er een duidelijke fietsstrook, daarna niet meer, op een enkel verdwijnend geel lijntje na. Tussen de auto’s, bussen en vrachtwagens rijden ook nog trams. Alle zintuigen op hyper-alert en me niet bezighoudend met wat verkeerskundigen voor fietsers bedacht hebben brengen me heelhuids (en wellicht niet tot blijdschap van alle weggebruikers) naar een rustiger woongedeelte langs de Rijn. Daar fiets ik richting het historische centrum.

Mittlere Brücke, de oudste Rijnbrug van Basel.

De woonwijken zijn kalm en niet veel bijzonders. Tot nu toe is Basel wat ik ervan verwachtte: een stad waar je zo snel mogelijk doorheen moet. Toch valt het mee met de drukte, Benjaminse heeft dit goed bedacht, alleen het eerste stuk na binnenkomst is alle zeilen bij en heel goed uitkijken.

De eerste meters van het tweede routedeel.

Wissel

Rechts van me komt het centrum in beeld, een ramenwand van dezelfde gebouwen, waarschijnlijk uit dezelfde tijd, met kerktorens die er bovenuit steken. Via de Mittlere Brücke steek ik de Rijn over. Nog zo’n mijlpaal, aan de overkant stopt het routedeel van gids 1 en begint routedeel 2.

Plekken als deze heb ik thuis, bij het maken van de tracks, bekeken op Google Street View. Routedelen door steden verken ik vooraf, in druk verkeer moet ik blind kunnen varen op de track. Een lach komt op m’n gezicht, gaaf om hier in het echt te staan. Ik heb ze niet bij me (wel de e-Book versies op telefoon en iPad), maar ik sla in gedachten gids 1 dicht en begin aan deel 2 met een klimstukje naar een achterafstraat. Niet veel verder stop ik bij de Münsterplatz, een futloos kasseienplein tussen net zo futloze witte huizen, met een gravelveld waarop in rechte lijnen geplaatste bomen het weinige licht dat er is weghalen. Bloedeloos, het hele plein. Ernaast staat de Basler Münster, de belangrijkste kerk van Basel, waarin Erasmus begraven ligt. Ik ga zitten voor een eetpauze. De donkergrijze wolken bekennen kleur, het begint te regenen.

Vreemd

De lucht blijft treurig, m’n moreel ongeknakt. Langs de Rijn en door een appartementenwijk rijd ik het centrum uit. Niet erg. De bebouwing dunt uit, ik ga onder spoor- en snelwegen door en schuil onder de overkapping van een evenementenhal. Een collega belt me met een vraag over een tunnel waarvan ik de veiligheidsplannen geschreven heb. Heel vreemd, ik met helm en korte broek, schuilend in de regen ergens in Basel, hij aan z’n bureau in Nederland. Tussen sportvelden door verlaat ik de stad, steek de Birs en de A18 over en fiets richting het oosten, de stad uit.

De route (groen) na Pratteln (klik = vergroten).

In het echt

In Pratteln ben ik benieuwd hoe de situatie er in het echt uitziet. De routegids-kaartjes van het deel door en na Pratteln vond ik verwarrend, thuis heb ik met Google Street View en de Openfietsmap de (denk ik) door Benjaminse bedoelde route kunnen reconstrueren en de track kunnen maken.

Een paar dingen waar je misschien wat aan hebt (ook aan Benjaminse doorgegeven):

Bij het binnenrijden van Pratteln volg je de Rhein-Route, die volgens de routebeschrijving bij de eerste huizen rechtsaf gaat. Dat is ter hoogte van de Lidl. Tegenwoordig loopt de Rhein-Route daar rechtdoor en blijft deze de Muttenzerstrasse volgen, zie ook hier, totdat je linksaf de Habertürliweg ingaat. Verwarrend is dat het detailkaartje in de gids een ander (niet bij de beschrijving passend) verloop van de route laat zien dan het overzichtskaartje.

De beschrijving van de route na het industriegebied van Pratteln is summier, het detailkaartje maakt het niet duidelijker. Wat je doet is de A22 oversteken en daarna op de T-splitsing naar links gaan, een gravelpad op. Dat volg je, onder de A3 door, tot aan een tunneltje onder het spoor. Vóór het tunneltje ga je rechtsaf een fietspad op, en even later weer rechtsaf, via een overdekte houten fietsbrug de rivier (de Ergolz) over. Het fietspad verder volgend kom je op de Giebenacherstrasse uit, waar je rechtsaf gaat richting de ruïnes van (onder andere) een Romeins amfitheater.

Zo bedoeld

Het loopt tegen half zes en het regent nog steeds – al is het niet hard. In Pratteln is een we-gaan-allemaal-met-de-auto evenement losgebarsten, de wegen in het dorp zijn vol optrekkende en inhalende vierwielers, de auto-herrie is overal. Met regen fietsen de Prattelnaren niet. Ik denk trouwens dat niemand hier ooit fietst, buiten een enkel zondagmorgen-trainingsrondje. De grijsheid en natheid beginnen op me te drukken, de avond gaat beginnen. Maar m’n track klopt, de route leidt me moeiteloos Pratteln uit, met een brug over de A22 het buitengebied in. Heerlijk, het groen is terug. Het gravelpad tot aan het spoor, de mooie houten fietsbrug, dit zal kloppen, zo moet Benjaminse de route bedoeld hebben. Zelfs de regen houdt op.

Brug over de A22 na Pratteln. Blik op het noorden, met helemaal rechts op de foto de onderdoorgang van de A3 via het gravelpad (de route).

Achter de muren, rechts van het midden, is het amfitheater.

Een heel complex

De Romeinse ruïnes in Augst kan ik niet voorbijfietsen, al is het avond en wil ik nog een stuk. Buiten dat: m’n bidons raken leeg, als ik vanavond ergens in een bos slaap moet ik bijtanken waar dat nog kan. En ik moet ongelooflijk kleien. Ik zet m’n fiets neer bij een verregend en leeg terras en doe een korte verkenning. Ik loop langs een amfitheater waarvan veel bewaard is gebleven en waar, zie en lees ik op borden, ook nu nog openluchtvoorstellingen worden gegeven. Het is een heel ruïnecomplex, dit moet een behoorlijke vestiging zijn geweest.

De ruïnes zijn van Augusta Raurica, aan de rand van Augst (niet heel toevallig een verbastering van Augustus, de Romeinse keizer). Van de kolonie is veel in goede staat opgegraven. Ooit woonden hier 10.000 mensen, nu is het een archeologische vindplaats en een openluchtmuseum. Al heb je maar een paar minuten, het is de moeite waard hier even te stoppen.

Stealth-modus

Ik loop het terras op, er is niemand. In de kiosk is een mevrouw bezig op te ruimen en af te sluiten, een stukje links ervan zijn de toiletten. Het gebruik ervan wordt onderhand een levensreddende handeling die geen uitstel meer duldt, maar als ik het ga vragen ben ik vast kansloos, alles is schoongemaakt. Stealth-modus dus. Ze staat met haar rug naar me toe, ik sluip, erop lettend m’n armen niet te bewegen en m’n broekspijpen niet over elkaar te laten schuiven, langs haar heen en ga verderop het herentoilet in. Inderdaad, alles schoongemaakt. Erop hopend dat de afzuiging op ‘max’ staat (en de tegels bestand zijn tegen de kwade dampen) doe ik m’n ding, was m’n handen, laat alles netjes achter en sluip terug naar m’n fiets om een bidon te halen. Om water vragen lukt vast wel.

Landweg parallel aan de A3, na de ruïnes bij Augst.

Als ik weer bij de kiosk sta en “Entschuldigung” zeg, schrikt de arme dame zich helemaal gek. Ze hapt naar adem, lacht er zelf om en neemt m’n bidon aan. “Ja, heel gek, ik dacht al eerder iets gezien te hebben, maar er was niemand.” Ja, echt gek (hoest). Ik krijg m’n gevulde bidon en een fles bronwater, “van het huis”. We praten nog even over deze plek, “Damals waren die Römer viel kluger, es gab hier schon Abwasserung”. De Romeinen waren veel verder dan de oorspronkelijke bevolking die de berenvellen nog in de kast hadden hangen. Ik bedank haar en fiets verder. In m’n hoofd is de natte grijsheid van de afgelopen uren verdwenen en vervangen door de vriendelijkheid van deze mevrouw en de kennismaking met deze bijzondere plek. Ik heb er nog meer zin in.

Switch

De route steekt de A3 over en volgt die een stuk richting het oosten. Rechts een bos, links rijbanen met auto’s en de invallende avond. Vlak vóór Rheinfelden vul ik bij een betonnen bak met kraantje langs de weg de andere bidon (dergelijke waterpunten ben ik op veel plaatsen in Zwitserland tegengekomen). Ik kijk op m’n gps, waar het paarse lijntje door een egaal geel vlak loopt. Ah, ik ben van de kaart af, ik verwachtte het al. Ik deactiveer kaart Europe W (west) en activeer Europe Alps, die ik tot Noord-Italië kan blijven gebruiken. De details verschijnen weer op m’n display.

Brouwerij van Feldschlösschen Getränke.

Gepuzzel

In Rheinfelden rijd ik langs de Feldschlösschen brouwerij, de grootste bierbrouwerij (van het populairste bier) van Zwitserland, gevestigd in een bakstenen gebouw met kantelen en torentjes dat het midden houdt tussen een Moors kasteel en een rijtuigenloods. Via een onderdoorgang met hellingbanen fiets ik in één vloeiende beweging onder het spoor door. Voelt als Ede-Wageningen, maar dit is toch echt Zwitserland. De route door de stad is niet moeilijk, maar leverde thuis wat gepuzzel op.

Het detailkaartje van Rheinfelden in de routegids geeft duidelijk de route door de stad weer, m’n track volgt die route. De routebeschrijving lijkt echter niet overeen te stemmen met het kaartje. Om de route op het kaartje te volgen ga je ter hoogte van de kerk links richting Park-Hotel am Rhein (‘het kuurhotel’ uit de beschrijving?) en volg je de Salinenstrasse totdat je linksaf de Hermann-Kellerstrasse in gaat. Na ruim 100 meter ga je rechtsaf de Roberstenstrasse in. Deze blijf je volgen tot aan het einde, waar je op de Rijn stuit. Ga daar rechtsaf een gravelpad op, dat je 1,3 kilometer door het bos volgt tot aan de hoek van het industriegebied. Daar ga je linksaf en na tweehonderd meter rechts.

Tussen Riburg en Wallbach.

Aan het eind van de stad, een voormalig kuuroord met een reeks ziekenhuizen en instellingen voor revalidatie en therapie, ga ik bij de Rijn rechtsaf een gravelpad op, dat uitgroeit tot een onverharde bosweg. Een spoor gaat naast de weg lopen, bij de hoek van een industrieterrein ga ik linksaf een zandweg op en verderop rechts, door en langs het terrein dat grotendeels bestaat uit een wagonbouwer en de Riburg zoutwinning. Twee grote koepels komen in beeld, waarin het hier gewonnen zout (waarmee Rheinfelden ooit rijk werd) wordt opgeslagen.

Duidelijk verhaal.

Prachtig fietsen

Na Riburg krijg ik pas echt het gevoel dat ik Basel en de daaraan vastgegroeide voorsteden heb verlaten. De lucht is nog steeds grijs, maar vindt niet langer verbinding met het grijs van beton en steen op de grond. Om me heen het groen van akkers, bomen en golvende heuvels. Een paardrijcentrum, een stuk bos, een roodhouten huis, het is hier prachtig fietsen. Het blijft bovendien droog. Hoewel ik eigenlijk al van een bosplek uitga, zie ik op m’n digitale kaart zowaar een camping, in Mumpf, zes kilometer verderop. Dat komt goed uit, het is tien over zeven en ik wil vandaag nog wel een paar kilometer. Ik kijk uit naar hopelijk weer een camping waar ik een plek kan maken en wat mensen om me heen heb.

Nog nooit

Op het campinghek hangt een bord. ‘No Camping! (Kein Camping für Passanten/Tagestouristen)’ En om aan alle eventueel resterende onduidelijkheid een einde te maken hangt er ook zo’n bord op de deur van het restaurant.

Ik durf te zeggen dat ik in m’n fietsend bestaan best wat campings heb gezien, ook dichte, maar dit nog nooit. In Italië en Frankrijk is het me altijd gelukt om op seizoensplaatsen-campings op een vergeten hoekje te mogen staan, de eigenaren vinden het meestal wel geinig, zo’n fietser met z’n tent zonder dissel of chemische poepdoos. Dit bord zegt zoveel als ‘Opdonderen, bezoeker!’ Ik overdenk of ik nog een luchtmachtmaatje heb die ik kan bellen met de vraag of-ie nog wat overjarige napalm heeft liggen, maar misschien is dat iets teveel een door teleurstelling ingegeven actie. Doorfietsen dan maar, het is niet anders.

Afgesloten brug over de Sissle bij Eiken.

Klaar

In Stein, het volgende dorp, zie ik een bord bij een motel dat eruit ziet als een budgetoplossing voor gestrande zakenreizigers. Met inchecken via een beeldscherm en minimale (maar voor mij voldoende) voorzieningen. In Frankrijk (zoals bij hotelF1) kost zoiets zelden meer dan 35 euro voor een nacht. Kan mij het schelen, best zin in een kant-en-klaar bed. Ik doe een proef-incheck om de prijs te achterhalen. De goedkoopste kamer is 143 Zwitserse franken – 137 euro. Hysterisch, maar het klopt met het beeld dat ik door andere fietsverhalen kreeg. In zekere zin is het verhelderend en ontnuchterend, ik ben in één keer klaar met Zwitserse accommodatie. Ik ga gewoon weer lekker in het bos slapen, van niets of niemand afhankelijk.

Sleutelmoment

Bij Eiken kom ik een afzetting en bouwmaterialen tegen bij de brug over de Sissle. Ik mag hier niet verder, maar dat maakt me niet per se ongerust, eerst kijken of ik er echt niet langs kan. Dat is het geval, ik moet een andere weg zoeken. Actie. Ik ga vóór de brug links en kom nergens uit, terug. Ik speur op m’n kaart-app naar een alternatief en zie alleen een grote weg, de 7, die mij teveel wegheeft van een snelweg, geen optie. Maar hoe kom ik dan in godesnaam aan de andere kant? Ik fiets een stukje terug. Geen omleidingsbordje, zelfs geen waarschuwing. Wat is dit!

Boosheid komt op, frustratie omdat ik klem lijk te zitten tussen een weg die stopt en een onmogelijk alternatief, alsof iets of iemand me zit te pesten. Nu merk ik hoe moe ik ben, toe aan een tentplek, toe aan eten. Daarom is dit een sleutelmoment, helder blijven denken als dingen tegen zitten en moeheid toeslaat. Het besef komt dat ik toch naar die grote weg moet, het kan niet anders. En dan blijkt die weg geen probleem te zijn, na een paar honderd meter staat er zelfs een omleidingsbordje naar rechts en kom ik weer op de route uit, aan de andere kant van de rivier. Het stelt allemaal niets voor. Vanavond geef ik mezelf een onvoldoende voor de test ‘blijven functioneren bij tegenslag’. Moeheid vind ik geen excuus, regel het maar Peeters, jij was toch die ervaren reiziger? Ik geef mezelf op m’n donder, dat veegt de lucht schoon, niemand pest me, ik moet gewoon iets sneller iets slimmer zijn. Klaar. Door.

Grillplatz bij Eiken.

Dit is ‘m

Op de kaart zie ik dat er na Eiken een stuk bos komt. Dat biedt kansen. Ik kijk om me heen, speurend naar een onverharde weg waarmee ik het bos in kan verdwijnen. Rechts passeer ik een open plek met een picknickbank. Ik ga in de remmen, dit is ‘m.

Het is precies wat ik zoek. De plek, een Grillplatz, heeft wel een toegang, maar is van de weg afgeschermd door een rij struiken. Aan de tafel kan ik eten, in een beschutte hoek kan m’n tent staan. Het is vijf over half negen, ik ben er, na 129 kilometer. Dit is perfect.

Ik check alle hoeken om te kijken waar m’n fiets en tent ongezien vanaf de weg kunnen staan. M’n vertrouwen in het wild kamperen is weer terug na de nacht bij Vigy, maar Zwitserland is geen Frankrijk. Ik weet van een eerdere tocht dat de Zwitsers van de strakke regels en structuren zijn, als ik gesnapt wordt heeft Amnesty misschien weken (en een handtekeningenactie) nodig om me weer vrij te krijgen.

But then again, dit ligt aan een kleine weg, bij een klein dorp, het is avond (ruim na barbecue-tijd) en doodstil in het bos. Ik ga het gewoon doen. Ik kies m’n tent- en fietsplek (zodanig dat de banden niet kunnen reflecteren in koplampen-licht) en installeer me op de banken en tafels. In een kwartier tijd wordt een kaal grindveldje m’n tijdelijke thuis, met tent en een slaapzak die donzig ligt te wachten en een brander waar dadelijk warm avondeten vanaf komt. Het is helemaal goed, de kleine tegenslagen van vanavond verdwijnen uit m’n hoofd, ik bel Elsbeth en denk met een mok koffie na over vandaag. Een voorbeeld van hoeveel verschillende dingen er in één fietsdag kunnen zitten. Een voorbeeld van avontuur. Dit is leuk, dit is goed. Ik kruip m’n slaapzak in, morgen verder.

Dag 8 | Eiken – Istighofen

Overzicht

Geef een antwoord

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.