Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Naar Rome | Dag 8

Foto hierboven: de Rijn, breed en bruin door alle meegenomen modder, ter hoogte van Rümikon (Aargau, Zwitserland).

M’n eigen domein.

’s Nachts word ik wakker van harde regen op de tent, maar als ik om zes uur de rits opendoe is de wereld vriendelijk. De ochtendzon schijnt door de struiken op het grind en op de bijna opgedroogde banken. Een goede nacht, bijna acht uur slaap heeft m’n accu’s opgeladen. Ik ontbijt en drink koffie als een prins op z’n eigen domein. Dit is vrijheid, dit is waar ik voor kom. Er is niemand geweest, ik heb niemand gehoord.

Proberen

Vandaag is het Zwitserland, van de eerste tot de laatste kilometer, waarbij ik eerst de Rijn en daarna de Thur van west naar oost volg. De bergen zijn hier, aan de noordrand van Zwitserland, nog niet. Het zal voornamelijk boerenland blijven, dat naar verwachting niet al te gekke dingen doet omdat ik een rivier volg – voor wat die verwachting waard is. Ik verheug me op de Alpen, op Italië daarna. Al doe ik het daarmee geen recht, ik wil het liefst zo snel mogelijk door dit deel van Zwitserland heen. Ik kijk op de kaart op m’n iPad, vandaag ga ik proberen om in een mega-etappe de Bodensee te bereiken. Dat is 143 kilometer, in onbekend terrein niet erg realistisch, ook niet erg verstandig, maar daarom des te leuker. Ik ga het proberen. Om vijf over half acht fiets ik weg, vastberaden.

Tussen Eiken en Kaisten.

Bäckerei en (oude spelling) Conditorei Maier in Laufenburg.

De vogels kwetteren, het bos zegt goedemorgen. The sun is out. Dit is een ander Zwitserland, op een andere dag, met een andere ik. Al hield ik de moed er gisteren goed in, aan het begin van de avond door regengrijze, treurige voorsteden fietsen, met een fietsdag in de benen en zoekend naar een slaapplek, kan bijna geen blije ervaring zijn. Vandaag schijnt de zon achter en naast de wolken, vandaag is het land groen, de dag jong, de benen vol. Vandaag ga ik Zwitserland zien.

Het Romefietsersbestaan is ondraaglijk licht op de kilometers naar Laufenburg, een grotendeels vlak stuk met om me heen heuvels en in de verte bergen. Op het pad veel slakken, de nasleep van de afgelopen natte dagen. Laufenburg staat er al een tijdje, boven de daken steken oude torens uit. Een daarvan is de Wasentor, een toren in de oude stadsmuur die ik thuis tegenkwam bij het uitvogelen hoe de route loopt – onder de poort door. Een wonderlijk weerzien, zo in het echt. Hier, een kleine zes kilometer vanaf de start vanmorgen, begint de track van vandaag. Winst, eerst liep ik ruim twaalf kilometer achter op schema, nu nog maar zes. Dat geeft deze fietser nog meer moed.

De voedselvoorziening en de kosmos

Ik sta stil om de nieuwe track te starten en uit te vinden hoe ik verder moet, de splitsing van wegen bij de poort ligt helemaal open. Rechts van me spot ik treden en een deur. Die leiden naar Bäckerei und Konditorei Maier. Mijn Shangri La ligt niet in een verborgen dal in de Himalaya, maar op plekken als deze, aan de Winterthurerstrasse in Laufenburg. Ik zou kunnen denken dat dit veel te vroeg komt, ik ben nog maar net vertrokken. Maar als ik één ding geleerd heb over voedselvoorziening bij de bagagefietserij, dan is dat ‘direct kans grijpen, niet wachten’. De kosmos zweert op dat gebied gemeen en laaghartig samen. Wanneer je denkt ‘ik sla deze over, er komen nog wel meer bakkers vandaag’, is er prompt de rest van de dag in de wijde omtrek niets (niets!) bakkerigs meer te vinden.

Dat gaat me niet gebeuren, ik ga naar binnen. Daar ruikt het lekker, in gedachten proef ik de roomboter al, de kaas, de sla, de zachte binnenkant, de korsten die breken zonder hard te zijn. Ik sta buiten met een flesje sinaasappelsap en twee grote belegde broodjes, zes en een halve frank per stuk (omgerekend € 6,25 – niet eens zo gek). Ik heb me ferm voorgenomen om niet te blijven hangen in de gedachte dat Zwitserland duur is. Dat is het, dat weet je, dat wordt niet anders (en trouwens, f… die paar euro), niet zeuren, klaar.

Rijnbrug in Laufenburg, aan de overkant het Duitse deel van de stad.

Bos onder water op het eiland tussen Werkkanal en Rijn, voorbij Laufenburg.

Verbazing

Voetgangers kunnen nog steeds onder de poort door, ik vervolg m’n weg door de oude binnenstad, onder een volgende poort door, naar een kasseienweg langs de Rijn. Een brug, hier ga ik de rivier over. Op een gebouw staat ‘Zollamt Laufenburg’, er staat een slagboom, er wapperen vlaggen. Tot m’n verbazing steek ik via de brug de grens over, aan de overkant ben ik in Duitsland, in dezelfde stad. Van Laufenburg in het kanton Aargau (AG) naar Laufenburg in de deelstaat Baden-Württemberg. Dat besef had ik nog niet, nu wel, de Rijn die ik naar het oosten volg is hier grensrivier.

Geregnet

Aan de Duitse kant volgen Benjaminse en ik een fietsroute, te zien aan het strakke asfalt en de bordjes die ik overal tegenkom. Duitsland is van de fietsroutes. Via een brug steek ik het Werkkanal (fabriekskanaal) over, een shortcut van de Rijn, en fiets over een gravelpad door een bos op het eiland tussen kanaal en rivier. Het bos staat onder water. Een mevrouw met een hondje maakt er een foto van, net als ik. “Das hab’ ich noch nie gesehen!” zegt ze, de Rijn staat wel vaker hoog, maar nooit eerder zo hoog. Ze weet waardoor dat komt. “Es hat die letzte Tage geregnet, geregnet, nur geregnet.” Kennelijk was het weer dat ik de afgelopen dagen had niet uniek, hoewel het gelukkig niet dagen achter elkaar regende.

Waldhut.

Leuk stuk

Het eiland versmalt tot een langgerekte strook, rechts zie ik een grote koeltoren en een gebouw met een halve bol erop. Ik herken het van de EDF-centrales langs de Rhône, dit moet haast wel een kerncentrale zijn (klopt, het Kernkraftwerk Leibstad), aan een grote rivier zodat er genoeg koelwater is. Het gravelpad wordt grover en denderend, zoals het een Duitse Waldweg betaamt, wandelaars met stokken komen me voorbij, de wolken houden de warmte van de zon tegen. Een leuk stuk.

Het centrum van Waldhut, een lange smalle terras- en winkelstraat tussen twee stadspoorten, is bijzonder maar – denk ik – stil voor een zomerdag. Met de fiets aan de hand (in Amersfoort erger ik me rot aan de borden negerende fietsers door de Langestraat, wat gij niet wilt…) hobbel ik over de kasseien.

De zon wordt krachtiger, de lucht blauwer. Ter hoogte van (het Zwitserse) Koblenz steek ik de Rijn over, terug naar Zwitserland, om daar te blijven.

Rijn ter hoogte van de grensovergang bij Koblenz (Zwitserland).

Omslag

De kracht van de natuur is fascinerend, maar kan voorbij een bepaald punt omslaan in iets bedreigends, zoals bij vijandige kou, een storm die daken doet wegwaaien of een onweersbui die bomen splijt. Als ik de Rijn onder me voorbij zie stromen voel ik iets van dat bedreigende. De rivier is hier breed en modderbruin, met boomstammen en takken die in de snelle stroom voorbij drijven. Natuurgeweld, niet de kalme Rijn die wij Nederlanders als Waal kennen.

Viel Glück!

In Bad Zurzach loopt de weg dood op een bouwplaats waar met grote betonbakken iets onder iets anders door wordt geleid. Net als bij de brug gisteren staat er geen voorwaarschuwing en geen bord, alleen virtueel, met grote letters ‘Improvisieren! Viel Glück!’. Als ik een stukje doorloop en beter kijk, is er van steigermateriaal een loopbrug over de bouwplaats gebouwd, met een trap omhoog en omlaag. Dat betekent alles afladen (weinig werk), met de fiets naar boven en beneden klunen (gedoe), terug, bagage overzetten (nog meer gedoe), opladen. In die tijd ben ik al in het volgende dorp.

Met mijn sub-optimale probleemoplosgedrag van gisteren in het achterhoofd ben ik er snel uit. Ik pak m’n telefoon (groter scherm dan m’n gps), open de OsmAnd-app en zie dat er een eenvoudige manier is om de bouwplaats te omzeilen. Vijf minuten later ben ik weer terug op de route. Het omrijden stoort me niet, wat ik slecht vind is dat de afsluiting (daar komt het wel op neer als je wat roestiger bent of een zware e-bike mee moet zeulen) niet is aangegeven. Net als gisteren. Dat verbaast me van een strak georganiseerd land als Zwitserland, in Duitsland of Frankrijk doen ze dat echt beter.

Van dorp naar dorp

Voorbij Bad Zurzach fiets ik naast een spoorlijn, met de Rijn onzichtbaar ergens links van me. Na Rekingen is de rivier er weer, breed en bruin. Zo gaan de route en ik van dorp naar dorp, zonder dat het veel moeite kost, zonder dat ik veel hoger of lager dan 335 meter kom. De meeste kilometers zijn vlak, er staat weinig wind, het zal een graad of 22 zijn, ik kan me geen beter fietsweer wensen. In de buurt van Rümikon begint me het vliegverkeer op te vallen. Elke twee minuten komt een toestel over, met motoren die nu en dan huilend gas bijgeven om op de glideslope (de ideale daal-lijn) te blijven van een ILS-landing, een automatische instrument-gestuurde nadering van een landingsbaan. Er moet een groter vliegveld in de buurt zijn. Basel is te ver weg, het zal Zürich zijn. Dat bleek te kloppen (voor de liefhebbers: bij een nadering vanuit het noorden wordt meestal geland op baan 14).

Sequoia bij Fisibach (vóór Kaiserstuhl).

Kaiserstuhl.

Geen krimp

Het gaat maar door, ik heb goeie benen vandaag. Na Kaiserstuhl loopt de route strak langs het spoor. Een tractor nadert over de gravelweg, dat gaan we samen niet redden, ik ga de berm in en geef ‘m de ruimte die hij nodig heeft. Ik maak oogcontact, de boer trekt een gezicht als ‘wat moet je van me?’, meer niet. Ik trek de voorzichtige conclusie dat ik een patroon zie. Vanmorgen kwam ik een aantal fietsers tegen, forenzen denk ik, die ik groette. Geen krimp. Voor de goede orde: ook in Zwitserland rust er geen verplichting op het groeten van medefietsers, maar ik ben het in veel landen gewend. Een Duitse fietser zal je zelden voorbijrijden zonder te groeten, ook in Frankrijk kom ik dat tegen. Maar hier… ‘Zwitsers zijn erg op zichzelf’ is wat ik hoor. Aan de buitenkant ziet dat er onvriendelijk uit. Zweden zijn ook erg op zichzelf, maar een teruggroet na ‘hej hej’ of ‘godmorgon’ kan er altijd af. Als het tenminste op dat moment morgen is, anders krijg je een ‘hej?’ plus verbaasde blik.

Het Rijndal is hier breed, de weg stil. Goed asfalt, mais, klaprozen, bomen in de verte, links van me de Rijn, wat wil een Romefietser nog meer. In Eglisau houd ik een eetstop op een bank bij het station en zoek voor het eerst de schaduw op. Ik grijp m’n kans en hang alles dat de afgelopen dagen natgeregend is uit over een andere bank, de sterke zon laat de laatste restjes vocht verdampen voordat het regenspul voor hopelijk lange tijd weer onderin de tas kan. Een van de belegde broodjes uit Laufenburg geeft energie, net als de zon en het gevoel van vandaag: er zit vaart in m’n Zwitserland-traverse.

Gesperrt

Op het gravelpad langs de Rijn, op weg naar Teufen, passeren me twee bagagefietsers die me vrolijk groeten. Collega’s, leuk, die ben ik nog heel weinig tegengekomen – realiseer ik me nu pas. Het zijn Zwitsers. In het bos naast me is een vakantiekamp aan de gang, kinderen roepen, uitgelaten, de vakantie is aan het lukken. Een stuk verder komen dezelfde fietsers me tegemoet. In het voorbijgaan roepen ze: “die Brücke ist gesperrt!” Ik kijk op de digitale kaart. Dat moet de brug over de Töss zijn, een kleine rivier die verderop in de Rijn stroomt. Ik geloof ze, maar wil toch niet alleen van de hoed weten, maar ook van de rand. Ik fiets een stukje terug, waar ze beiden stilstaan bij een rookpluim uit een onduidelijk stapeltje in het bos naast de weg. Dat had ik ook gezien, maar er niets mee gedaan. Hmm.

Echte politiemannen

De man heeft na het eerste voorbijgaan de politie gebeld, die arriveert als we het bos inlopen en het stapeltje uit elkaar schuiven. Veel stelt het niet voor, maar als je het zo laat kan het misgaan. De agenten volgen ons, gekleed in een soort interventie-overall met pistool, boeien en andere attributen. “Des vrais policiers!” (echte politiemannen) zeg ik tegen de vrouw, die ik Frans hoorde spreken met haar man. Ze lacht, de politie stapt weer in en vertrekt. Het zal een vuurtje geweest zijn van het vakantiekamp waar niemand op lette. Ik praat nog even met m’n medebagagefietsers, ze leggen uit dat de brug verderop door het hoge water is afgesloten, je kunt daar echt niet verder. Na een “bonne route!” over en weer kijk ik opnieuw op de kaart. En vraag ik me opnieuw af waarom de afsluiting niet is aangegeven. Dit is de enige weg, ik moet eerst een heel stuk terug voordat ik een andere route kan kiezen.

De voetgangersbrug bij de monding van de Töss was van 9-20 juli afgesloten omdat zich bij de brug veel drijfhout had verzameld, meegevoerd door het hoge water in de rivier. De gemeente was bang dat het hout de (lichte) stalen brugconstructie had beschadigd.

Van links naar rechts: videocamera/action cam (Sony FDR-X3000), USB-aansluiting van de Forumslader in het balhoofd, gps (Garmin Edge 830) met de track, telefoon met OsmAnd-app geopend (blauwe pijl = positie en richting) (klik = groter).

Actie

Volgens de kaart zit er niets anders op dan een grote omweg te maken via Rorbas, waar de eerstvolgende brug over de Töss ligt. Een korter alternatief richting die brug is de oversteek van een flinke heuvel, de Rhinsberg, waarbij ik vanaf de weg kan zien dat áls de bosweg op de helling befietsbaar is, die flink omhoog gaat. Klimmen is niet erg, maar als ik ergens strand verlies ik meer tijd dan ik met de shortcut ooit zal winnen. Ik kies voor zekerheid, ik ga vlakker en wat verder omrijden. Dit kost tijd, maar liefst zo min mogelijk. Actie.

Over het scenario ‘navigeren bij een alternatieve route’ heb ik thuis nagedacht. Ik heb zo’n siliconen uitrek-stuur-telefoon-houder bij me, die voor het eerst uit de tas komt. Daar doe ik m’n telefoon in, die ik inplug op m’n Forumslader (zodat-ie oplaadt tijdens het fietsen, een navigerende telefoon gebruikt veel stroom). Ik zoek en bepaal een omleidingsroute, stel in dat mijn positie op de kaart meebeweegt en begin.

Ik had ook de track kunnen stoppen en ‘Teufen’ als nieuwe bestemming op m’n gps kunnen instellen. Maar m’n Garmin zal dan het fietspad langs de Rijn kiezen, dus moet ik de gewenste route in stappen ingeven. Dan laat ik net zo lief de gps op de track staan (zodat ik zie waar ik die weer oppik) en navigeer ik op het veel grotere scherm van m’n telefoon. Bij een omweg heb ik daarmee een beter overzicht. Op de foto zie je een paar redenen (naast dat een gps veel meer op fietsnavigatie toegespitste functies heeft) waarom ik liever navigeer met een gps: veel compacter, verbruikt minder stroom, telefoon blijft beschikbaar voor andere dingen.

Dorp aan de zuidkant van Flaach.

In gevaar

Een aantal doorgaande wegen verder, met razend autoverkeer, over een hoogte heen en grotendeels zonder fietspad, ben ik in Rorbas. Geen lelijk, maar wel een vervelend stuk, ik merk dat ik autoverkeer ontwend ben. Voorbij Teufen zit ik weer op de route en constateer ik dat ik tien extra kilometers heb gemaakt. Het is wat het is, maar het brengt wel mijn plan om de Bodensee te halen ernstig in gevaar. Terwijl het zo goed ging vandaag.

Nadat ik Flaach gepasseerd ben verlaat ik de Rijn, die vanaf Teufen eerst naar het noorden gaat, om daarna weer af te buigen naar het oosten, richting de Bodensee. Iets ten noorden van Flaach stroomt de Thur de Rijn in, die ga ik vanaf hier volgen, ook naar het oosten, ook naar de Bodensee. Waar ik vanaf de route de snelstromende rivier zie, is die net zo vol als de Rijn.

Water

Bij Gütighausen loopt de route over een fietspad strak langs de Thur en is het meteen raak. Op het fietspad is een hek geplaatst, Hochwasser, betreten verboten, ik mag hier niet door. Een stukje verder staat het pad onder water. Ik heb geen zin om alweer om te moeten rijden, eerst maar ‘ns kijken of ik echt niet verder kan. Een paar centimeter water houdt me niet tegen.

Afsluiting bij Gütighausen.

Terwijl ik met de fiets aan de hand verder loop en m’n waterdichte Scarpa’s de diepte meten loopt er een vosje (een welp denk ik) het pad op, kijkt me aan en gaat weer snel het bos in. Wat ik ook ga doen, dit heb ik meegemaakt.

De grens tussen rivier en ondergelopen fietspad gaat vervagen. Ik heb in een moesson-regenbui door Thessaloniki gefietst, door vijftien centimeter water, doodeng omdat ik de gaten en putdeksels in de weg niet meer zag en ik elk moment een crash verwachtte. Hier zie ik ook de bodem niet meer, als ik me vastrij en niet snel m’n voet aan de grond krijg ga ik om en ben ik van boven tot onder nat. Een te groot risico, ik keer om. Poep.

Niet saai

Een omweg is snel gevonden, ik word hier nog goed in. Terug, een kleine weg in die de Thur op afstand volgt. Ik houd de vaart erin, gáán.

Fietspad onder water, langs de Thur bij Gütighausen (videobeeld).

De route verdwijnt het water in, vlakbij het boerderij-terras bij Thalheim.

Een andere aanpak

Anderhalve kilometer verder staat eenzelfde bord op het pad. Zucht. Ik zet m’n fiets neer en maak een foto van het fietspad dat het water in verdwijnt. Een paar honderd meter naar het zuiden zie ik een terras naast een boerderij. Ik zoek m’n mondkapje, ga zitten aan een tafel in de schaduw en bestel een grote cola. Dit is in elk geval geen saaie dag.

Ik verklaar dit tot de beste cola in lange tijd, de vrouw die me bedient is erg aardig en ik zit in prachtig weer ergens op het Zwitserse boerenland. Zo heel slecht is het leven niet, maar ik wil wel nog ergens komen vandaag. Het is zonneklaar dat fietsen langs de Thur onmogelijk is. In plaats van me elke keer te laten verrassen en ter plekke een alternatieve route te moeten verzinnen ga ik een andere aanpak volgen. Ik open de kaart-app en kijk waar de route langs de rivier loopt. Dat is hier, en verderop vanaf Eschikoten, voorbij Frauenfeld. Wat ik eerst ga doen is in een rechte lijn, via Thalheim, Altikon en Ellikon, naar Frauenfeld fietsen, op veilige afstand van de Thur.

Vogelnestli (bekend in heel Zwitserland) van bakkerij Sonne-Beck in Frauenfeld.

Reden

En zo gebeurt het. De gekozen route naar Frauenfeld is aangenaam rustig, de zon blaakt, ik moet me zelfs insmeren. Een rode wouw vliegt krijsend boven de weg, het is niet de eerste die ik aan de oevers van de Thur zie. De dag vordert, net als ik, om kwart voor zes ben ik in Frauenfeld, waar ik bij het treinstation iets te eten zoek. Een forenzenstation in de spits, druk en onpersoonlijk. Treinen stoppen, bussen stoppen, een tram stopt en gaat weer verder. Mensen lopen gehaast voorbij, geroutineerd, elke centimeter van de optimale looproute kennend, in hun hand een zakje met iets te eten. Backpackers staan midden in de loop stil, met vragende blik, zoekend op hun telefoon.

Ik zet m’n fiets neer en speur rond of ik iets zie dat snelle en toch enigszins gezonde energie biedt. Frisdrank en chocola is niet wat ik zoek, ik loop rond en vind – de fietsgoden zijn geloofd en geprezen – aan de andere kant van het stationsplein een bakker, Sonne-Beck, met een loket. De jonge vrouw verkoopt me een Schnecke met nootjes en twee Vogelnestli, rondjes met in het midden een dot jam. Geen bladerdeeg dat tot iets onherkenbaars verkruimelt in de fietstas, maar vast koekjesdeeg met veel energie. Reden genoeg om in Zwitserland te zijn. Ze vraagt iets dat ik eerst niet versta, maar bedoelt vast of ik er servetjes bij wil. “Ja, bitte” antwoord ik. Ze geeft me er een aantal, ze lacht, in haar houding schijnt een zon die station Frauenfeld in een ander licht zet.

Vraag

Om half zeven rijd ik Frauenfeld uit en het land weer in. Heerlijk. Velden, bos, de rust van de avond. Ik heb er 106 gedaan en ga kijken hoe ver ik kan komen. ‘Wat had ik gedaan zonder doel van 120 per dag’, vraag ik mezelf af, ‘had ik dan nu nog gefietst?’

Zonder doel zou ik ook het land zijn ingereden om een kampeerplek te zoeken, ik heb de hele dag nog geen camping gezien, ook niet op de kaart. Misschien zou ik eerder stoppen. Het is daarom goed om mezelf de vraag te stellen wat ik aan het doen ben, of dit doorfietsen niet een beetje teveel van het goede is. Zo voelt het niet. Ik maak nu heel aangename kilometers, ’s avonds fietsen heeft iets. De wegen zijn leeg, iedereen is aan het eten. De zon verliest kracht, het lage licht zorgt voor een prachtige sfeer. Ik vind het niet erg om nu nog wat kilometers te maken. Op de ideale fietsdag vind ik om zes uur een camping en breng daar de avond door. Maar zelfs al zou ik nu stoppen, die camping is er niet.

Landschap na Frauenfeld, avondfietsen.

Uitzicht bij Fimmelsberg, richting het oosten.

Verloren

Bij Hüttlingen verlaat ik de route, die verderop dicht langs de Thur gaat lopen. Ik ga het zekere voor het onzekere nemen. Geen ondergelopen fietspaden meer, die ik vrijwel zeker ga tegenkomen als ik de route blijf volgen. Ik neem de Geigenhofstrasse, via – verrassend – Geigenhof en Harenwilen. Daarmee verlaat ik het Thurdal en ga ik omhoog.

Het is de steilste klim van vandaag, zonder dat ik weet hoeveel klimmen er nog gaan komen. M’n stemming keldert, ik voel me ontheemd. Diep in m’n hart zou ik nu graag op die homely camping zijn waar ik aanspraak heb, misschien wel met andere fietsers zoals in Turckheim. Waar ik kan douchen en even een plek heb. Hier, voortduwend na een lange dag en zonder te weten waar ik ga slapen, voel ik me verloren.

Op 580 meter ben ik boven, na 150 hoogtemeters. Waar ik beducht op was gebeurt niet: geen heuvel-op-heuvel-af. Nog wat licht golven, maar het blijft bij deze klim. M’n zware stemming ebt weg, het plezier is weer terug. Op een hoogte bij Fimmelsberg kijk ik uit over het Zwitserse land. Een kerkklok luidt. Heel in de verte zie ik donkere hoge randen, zijn dat de Alpen?

Fijne dagen

Ik suis naar beneden, in de sfeer van de avond. Twee rode wouwen vliegen voorbij. Een passerende fietser groet me, Grüß Gott. Op een kruising bij Junkholz staat, bij het begin van de weg die ik op het oog heb, een afzetting met een bord dat de Thurbrücke bij Weinfelden gesperrt is. Na alle afsluitingen van vandaag had daar ook kunnen staan dat het einde der tijden wegens massale belangstelling vervroegd is naar vanavond 10 uur, dat de Frauenfelder weerwolf is ontsnapt of dat het jachtseizoen op bagagefietsers is begonnen. Ik ga daar hoe dan ook fietsen, die kant op, richting Weinfelden. Fijne dagen! aan de wegbeheerder, en de groeten van Piet. Het is nu gedaan met routeplannen die ik om moet gooien. Bovendien hoef ik de brug bij Weinfelden, gesperrt of niet, helemaal niet over. Het betekent wel dat als de brug eruit ligt, de paden langs de rivier (waarover de route gaat) ook ondergelopen zullen zijn. Dit rivier-vermijdplan lijkt een goede beslissing.

De plek

In Bussnang pik ik de track en de route weer op. Ik fiets nog een half uur door en heb m’n zinnen gezet op een klein bos na Istighofen. De plek-scanner staat aan, ik kijk naar elke kleine weg die het land in gaat. Kan ik die ongezien in fietsen, eindigt die bij iets kansrijks? Na het dorp zie ik links een bosrand, een eindje van de weg, aan een graanveld. Er loopt een smalle weg naartoe, die ga ik in. Bij de hoek van het bos zet ik m’n fiets neer en start de verkenning. De weg loopt door tot aan de Thur, maar het grasveldje aan de rivier is het niet. Ik loop terug, volg de bosrand en kom een bankje tegen met een paar vierkante meter ernaast. Zichtbaar vanaf de weg, al zit er een graanveld tussen. Dat moet dan maar, de plek is te mooi, hier ga ik slapen. Het is vijf voor half negen. Ik sla de rit van vandaag op: 126 kilometer en 1131 hoogtemeters. Toch nog, wow. Het zullen de vele kleine golvingen zijn geweest, op die laatste klim na voelde het beslist als een milde rivierdalen-dag.

Techniek

Voordat ik m’n tent ga opzetten moet er eerst iets anders gebeuren. En dringend ook. Ik loop richting de Thur, check of er echt geen hondenuitlaters in de buurt zijn en graaf met de hak van m’n schoen een kuiltje. Ik hurk en ontspan, meer is niet nodig. Handen wassen doe ik aan het vele natte gras in de bermen, er is overal een techniek voor.

Denk niet te licht over sanitaire stops in het wild, daar is literatuur over. Het standaardwerk op dat gebied is How to shit in the woods – an environmentally sound approach to a lost art, dat inmiddels aan de vierde editie toe is. Vroeger had ik een waardebon, gekregen van een stel vrienden, met de tekst ‘goed om 1 keer in het bos te schijten’ (excuus, zo stond het er), met een controlestrook voor de boswachter. Nooit gebruikt, die boswachter kwam ik trouwens liever niet tegen als ik ergens in de Ardennen m’n tent opzette.

Tijdelijk thuis bij Istighofen.

Maar dat terzijde. Nu niets een mooie avond meer in de weg zit, ga ik m’n thuis inrichten. Eerst denk ik nog ‘moet ik hier naast dat bankje gaan staan, lukt dat wel?’ Ik spreid m’n grondzeil uit en zet m’n binnentent op om te kijken of het past. Het past. Een kwartier later zit ik op de bank heel tevreden te zijn. Tent naast me, brander ruist, alle spullen op hun plaats. De zon zakt, een man met hond loopt voorbij op een avondwandeling, “grüezi”, hij vindt het zo te zien grappig dat hier zomaar iemand met z’n tent staat.

Ik Facetime met Elsbeth en de jongens, het is geweldig om hun gezichten te zien en hun stemmen te horen. Ik vertel haar het verhaal van vandaag en vanavond. “Vind je het nog leuk?” vraagt Elsbeth. Ondanks het moeilijke moment eerder op de avond kom ik er niet toe om “nee” te zeggen. Want het is goedgekomen.

Ik kook noedels en eet nog wat pinda’s om genoeg energie binnen te krijgen. Een mini-flesje merlot komt uit de fietstas. Hier zit ik dan, ’s avonds aan een bosrand buiten een Zwitsers dorp, te eten en wijn te drinken. ‘Potverdorie Piet Peeters’, zeg ik tegen mezelf, ‘jij zocht avontuur en je hebt het gevonden, je hebt het gekregen. En alles gaat goed. Ik maak m’n dagafstanden, vind m’n overnachtingsplekken, kampeer voor het eerst sinds de reis met Elsbeth weer in het wild. Het lukt, ik slaap goed en zorg voor mezelf.’ Met een beker wijn in de hand kijk ik uit over het veld en zit alleen maar gelukkig te zijn, heel gelukkig.

Het laatste dat ik hoor als ik in m’n slaapzak lig zijn twee wandelaars die voorbijlopen. “Du, da schläft einer!”. Zeker weten.

Dag 9 | Istighofen – Chur

Overzicht

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.