Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsinformatie

Overland naar Nepal | Hoofdstuk 8: Anadolu

De werkplaats.

Foto hierboven: bergen en graan, het open landschap tot Yenidoğan.

De familiecamping in Karahayıt is een oase waar we vrijaf nemen van het fietsen in de verschroeiende Turkse zon. Geen vrachtwagens, bobbelig asfalt of zweet dat op het frame blijft druppelen. Lezen in de schaduw, bij-eten en de accu opladen. Vakantie. Fietsers herkennen het. Reizen op de fiets is hard werken – de leukste manier van hard werken die ik ken. Altijd met de beloning van ervaringen die me bij zijn gebleven, zelden met spijt. Soms is het lekker als dat werken even niet hoeft. Als we de alertheid los kunnen laten, geen zorgen over een veilige overnachtingsplek of onze veiligheid in het verkeer. Zoals nu. We denken dat we hier twee dagen rust gaan houden. Het worden er vijf.

Helemaal thuis

Onze tentplek bij het zwembad wordt een thuis, een plek die een tijdje van ons wordt. Waar ons lijf kan bijtanken, waar we ons kunnen inlezen over wat er gaat komen, dagboek en brieven kunnen schrijven en voor onszelf en onze spullen kunnen zorgen. De w.c.’s zijn vies, maar de plek is perfect. Helemaal alleen zijn we niet, we worden omringd door zo’n tweehonderd barbecueënde en zwemmende vrouwen, mannen en kinderen. Grote families. Barbecue mee, gehakt en andere dingen klaarmaken en daarna met de hele familie eten. Een lól dat de zwemmers hebben. We leren de namen van alle fruit dat we blijven krijgen – karpuz, şeftali, kayısı. We leren het liefste woord voor ‘mama’ dat ik ken: anne“Net kregen we weer vlees en tomaten, een stuk meloen en fruit aangeboden. Het houdt niet op. Turkije is, wat er ook nog staat te gebeuren, top deze eerste maand.” schrijf ik in m’n dagboek. We zijn de enigen die hier niet vandaan komen, toch zijn we hier thuis.

Mocht je je afvragen of we zelf gezwommen hebben: nee. We hadden beiden geen zwemkleding bij ons (geen reden voor) en Elsbeth in onderbroek en sport-bh te water tussen alleen maar mannen en kinderen (de vrouwen bleven volledig bedekt op de kant) vonden we geen goed idee.

Werkplaats

Rustdagen hebben hun eigen programma. Kleren wassen en fietsen poetsen, het is weer tijd voor de 1500 kilometer-beurt. Een leeg plateau naast de tent wordt werkplaats. We vervangen beide achterbanden door de nieuwe exemplaren die m’n ouders mee naar Istanbul namen. De oude zijn op, niet na de 5189 kilometer die we sinds Amsterdam hebben gefietst, maar na veel meer kilometers, we zijn niet met nieuwe banden gestart.

Reserveband achterop, op weg naar de Noordkaap. Geen vouwband, dus groot en niet ideaal.

Vouwbanden

Buitenbanden zijn ondingen om als reserve mee te nemen, maar je kunt niet anders als je ver weg gaat. Of je moet het niet erg vinden om je reis een tijd te onderbreken voor iets knulligs als een kapotgereden band. De 28 inch wielen (622-velgen in het ETRTO-maatsysteem) die de meeste fietsen in Nederland hebben zijn buiten Europa allesbehalve standaard. Voor racefietsen zijn 622-velgen de internationale wedstrijdstandaard, dus wie op z’n koersfiets de wereld rond gaat kan rustig blijven ademen bij bandenpech, maar onze 37-622 banden (bagagefietsbanden) zijn in veel landen niet te krijgen. Onderweg opsturen kan, maar een reserveband neem je ook mee voor de grote pech: je band aan gort rijden op dágen fietsen van het eerstvolgende dorp waar je een vervanger naartoe kunt laten sturen. Dat pakketje is er de eerste dagen nog niet en ook de douane moet er zin in hebben. Gelukkig is er een alternatief voor zo’n bijna-niet-kleiner-te-maken buitenband: een opvouwbare versie, zonder die stugge randen waarmee hij om de velg gaat. Die hadden we onderweg bij ons, altijd eentje per fiets, onderin een achtertas. Heel goed bevallen, heel gemakkelijk mee te nemen. Die van ons waren Continental Top Touring’s (maar dat was toen).

De zon zakt achter de heuvels, de wereld buiten de camping.

We sleutelen en smeren, terwijl Massive Attack en Nusrat Fateh Ali Khan uit de campingspeakers komen. Ons bandje dat we van de campingbaas mochten draaien. De EHBO-set komt uit de tas voor een Turks-Oostenrijks meisje, een echte beauty, dat haar voet heeft ontveld op de glijbaan. Het is al donker als we klaar zijn, we gaan in het dorp börek eten, op kussens aan een lage tafel. Op de camping drinken we een fles Tekel Birası, de avond brengt koelte en rust. Ik voel heel helder waarom ik hier met Elsbeth ben, waarom ik met haar trouwen zo vanzelfsprekend vond. Ze is mijn lief en liefde.

Niet kunnen bedenken

We blijven nog een dag, en nog een. De haast verlaat ons. We hebben tijd genoeg, het is alleen maar goed dat de zomer vordert, des te later in het jaar zijn we in Iran en daarna in Pakistan. Des te koeler is het daar dan, want dat is wat we hopen. Rituelen ontstaan. Elke dag ontbijten met ieder een halve liter yoghurt, inkopen doen bij dezelfde winkel in Karahayıt, met een piepklein vlooierig zwart katje. Lezen in de Lonely Planet van Iran (en steeds meer zin krijgen in dat land), dagboek schrijven, brieven schrijven. Toch doodmoe zijn ’s avonds. “Deze dag was uitzonderlijk warm” schrijf ik, “37 graden in de schaduw terwijl ik dit dagboek zit te schrijven.” Dat is wat je thuis niet had kunnen bedenken: dat je soms maar beter kunt fietsen als je aan de ergste warmte wilt ontsnappen. Op de fiets is er altijd rijwind, terwijl op deze breedtegraad het verschil tussen zon en schaduw erg klein is. Daarvoor moet je de hoogte in.

Kriebels

We besluiten nog een laatste dag te blijven. Het is standaard: uitstellen. De strijd tussen de onrust van het verder willen en de Hobbit-weerstand om ons aangename thuis weer te verlaten voor de grote wereld, de weg en de elementen. Mijn kriebels richten zich op de omgeving, nu de veldjes overvol zijn met dagjesmensen die hun heilige vleesaltaar pal naast onze çadır (tent) willen aansteken. Eén afgedwaalde vonk is genoeg. Een blik en gebaar zijn voldoende. We krijgen weer eten aangeboden, ik voel me schuldig om m’n kriebels, die veel meer met mij dan met het brandgevaar te maken hebben. Tegen de avond hebben we gedaan wat we hier wilden doen. Een laatste douche zit er niet in, er is geen water omdat in het dorp een leiding is gesprongen. Opruimen en alvast inpakken, goed slapen voordat we beginnen aan een volgende reeks fietsdagen.

Door de necropolis van Hiërapolis.

Exit fietsbroek

We ontbijten een laatste keer in het dorp, met een grote pot yoghurt, zittend op het muurtje voor onze winkel. Elsbeth fietst niet langer in een fietsbroek, door de warmte had ze op het stuk tot Karahayıt de blaren op d’r achterwerk. Het polyester en de zeem sluiten teveel af en zijn in deze warmte erg onaangenaam. Het verbaast me niet, vriendin Berber droeg op een eerdere reis door Azië ook gewoon ondergoed, zelf draag ik fietsonderbroeken (zie ook het stukje over fietskleding in Turkije in het vorige hoofdstuk). Er gaat toch een rok of lange broek overheen, dus kun je dragen wat in de warmte het fijnste zit. Geen fietsbroek.

Indruk

Het is maar een paar kilometer tot de plek waarvoor we deze route door West-Turkije kozen: Pamukkale (‘katoenkasteel’) en de Romeinse ruïnes van Hiërapolis. We komen voor het eerste, maar het tweede maakt veel meer indruk. We zitten er meteen middenin, fietsend door de necropolis (dodenstad) van Hiërapolis. Een begraafplaats met een lint van tombes en stenen sarcofagen met scheefliggende deksels. Bemoste blokken steen liggen overal langs de weg alsof een reus ze heeft uitgestrooid, hier en daar is een tekst nog leesbaar.

De kalkrotsen met links een reeks aangelegde baden en rechts het dorp Pamukkale.

Het nog in gebruik zijnde amfitheater van Hiërapolis.

Niet per ongeluk

Next stop zijn de kalkrotsen waar Pamukkale zo beroemd om is. Al heel lang. Ook de Romeinen hadden deze plek ontdekt, een plateau waar groen en warm kalkrijk water opborrelt en op z’n weg naar beneden de kalk afzet die van de rotshellingen een pan overkokende witte rijst maakt. De ruïnes van Hiërapolis staan hier niet per ongeluk, dit was tweeduizend jaar geleden al een kuuroord.

Tot voor kort mocht je zwemmen in de warmwaterpoelen. Door de schade die de vele bezoekers veroorzaakten mogen we alleen op blote voeten over een pad langs de witte wanden lopen. Spectaculair is het allemaal niet, wel bijzonder, we begrijpen waarom mensen – waaronder ook wij – dit willen zien. Maar omdat het er zo veel zijn wordt de magie van dit soort plekken overschreeuwd en kaalgelopen. Terwijl we staan te kijken stoppen touringcars met toeristen, de meesten unverschämt in badpak of bikini, niet allemaal even geslaagd. Na weken in kuis Turkije is al dat blote vel zelfs voor ons shocking en niet op z’n plaats. Een gevoel van trots komt in me op, dat ik hier naartoe gefietst ben en niet uit zo’n bus kom rollen. Een andere wereld, die we snel laten voor wat hij is.

Overweldigend

Hiërapolis is overweldigend mooi. Het amfitheater is nog steeds in gebruik, we fietsen langs het grote noordelijke bad en de hoofdstraat met colonnades en poorten. Een jaartelling oud en van een kwaliteit die me aan Pompeii doet denken, de archeoloog in me viert feest.

Ook hier zijn dingen aan het veranderen. De Romeinse stad en de kalkrotsen zijn beschermd en staan op de UNESCO-werelderfgoedlijst. De Turkse regering heeft daarom vorig jaar alle hotels die hier stonden gesloten en gesloopt. Maar het plan is nog maar half uitgevoerd, waardoor tussen de ruïnes overal kale tegel- en betonplateau’s liggen met kromgeslagen stukken pijp die uit de grond steken. Ook de zwembaden zijn leeg en gesloopt. De mensen die we spreken vragen zich af waarom dat allemaal moet.

Hiërapolis.

Het middelpunt van de thermaalbaden, het originele oude Romeinse bad met stukken pilaar erin (‘waarin Cleopatra nog met de keizer heeft zitten vozen’ en zo) is echter niet van bebouwing ontdaan – wat je toch op z’n minst zou verwachten. In het kader van ‘hard voor het volk, zacht voor zichzelf’ is het nu het centrum van een regerings-thermaalbad. Het kost bijna een dagbudget om er te mogen zwemmen, zelfs voor de plattegrondjes van de ruïnes moet je betalen. Wij dachten van niet.

Chaos

We hebben alles gezien en gaan op zoek naar het dorp Pamukkale om daar een slaapplek te zoeken. Er is niets aangegeven en de weg die naar het dorp loopt is onvindbaar en – horen we – afgesloten. We hebben het helemaal gehad met de republiek Turkije die door haar bemoeienis er een bende van heeft gemaakt. De uitgang die we zoeken blijkt gelukkig nog te bestaan en is inderdaad geblokkeerd voor auto’s. Met de fiets kunnen we er doorheen, we ontdekken het pad temidden van een chaos van braakliggend beton en doodlopende zandstukken. In het dorp vinden we een camping in de tuin van een hotel-restaurant, naast vijgenbomen en na een korte felle regenbui. Ik ben moe, vies en zelfs verbrand in m’n gezicht, nu nog, zo heet was het vandaag. Maar… de douche is OK en de lahmacun’s in het dorp meer dan OK, als we zitten te eten zien we een Van-kat met een blauw en een zeegroen oog. Na de korte sightseeing-etappe van vandaag gaan we morgen weer echt fietsen.

Wild-westrotsen langs de weg na Çardak.

Onverwacht

M’n lijf wil nog niet, de weg is van energievretend grindasfalt, het zoute zweet loopt in m’n ogen. Het eerste stuk gaat naar de rand van Denizli, waar we linksaf slaan en vanaf daar definitief richting het oosten gaan. De brede 320 klimt niet heftig maar wel onverwacht veel, we ontdekken pas achteraf dat we naar 865 meter geklommen zijn, 650 meter omhoog. Ik heb m’n dag, het gaat als een trein. Warm en veel verkeer, maar mooie uitzichten. Bij de lunchstop in Bozkurt hebben we al 60 kilometer gedaan. Een jongetje dat goed Engels spreekt weet waar ze tomaten verkopen, ze hebben er ook sucuk (droge, gekruide runderworst) die in de herkansing gaat nadat we de vorige aan de familie Tütün gaven. De weg wordt vlak en blijft op hoogte over een valley floor, met links naast ons Wild-westrotsen (‘Hanging Rock’, denk ik bij mezelf, uit de film van Peter Weir. Geen film heeft me als kind zo ontregeld) en rechts het Acıgölmeer, een zoutmeer vol natriumsulfaat.

Mooiste plek

Naast Sarıkavak vinden we de mooiste wildkampeerplek tot nu toe. Een bak met schoon water, schaduwbomen, een tentgrasje, veilig bij een dorp en niet ver van de weg. Er zijn een paar mensen aan het werk, ze heten ons hoş geldiniz en we moeten meteen húp achter moeder aan de moestuin in om groenten uit te zoeken. Peterselie, een groene peper, een ui, pruimen. Van mensen die we niet kennen, die óns niet kenden, en meteen voor ons zorgen. Wat een land, wat een ongekend land.

Overnachten in Turkije

In heel Turkije zijn er net zoveel campings als rond een gemiddeld dorp in de Ardèche. Het wordt dus meestal een hotel of wild kamperen. Beide hebben voors en tegens. Een hotel is veel minder werk na aankomst en bij vertrek: geen tent, geen slaapmatten, geen kookspullen die uit en in de tassen moeten. Scheelt je ’s morgens moeiteloos 30 minuten vertrektijd (of slaaptijd). Tassen eraf, fiets de trap op sjouwen en in de kamer zetten, strippen en onder de douche. Daarna de schone set avondkleren aan en kebab eten aan de overkant. Klaar. Maar hotels, ook de goedkope versies, knagen aan het reisbudget. In hotelkamers blijft de warmte hangen, onder de sterrenhemel vervliegt die bij het vallen van de avond in het hoge Turkse binnenland. Airconditioning in onze prijsklasse en op het platteland was meestal van het type ‘niet’. Wild kamperen is bewerkelijker, maar als je de juiste plek vindt is er niets mooiers dan dat. Er gaat niets boven dat gevoel van vrijheid en – vooral – van rust na een dag fietsen tussen het autoverkeer. Turkije is ongelooflijk gastvrij, niemand heeft er bezwaar tegen dat je een tent opzet. Wij deden dat altijd in de buurt van bewoning, omdat we het een prettig en veilig idee vonden dat mensen wisten dat we er waren. In Turkije (maar eigenlijk geldt dat voor veel landen) hadden we het gevoel dat mensen dan ook over ons waakten. Te gast zijn is een bijna heilig beginsel in Turkije en veel andere islamitische landen. Bekijk het ook van de andere kant: als je onverwacht een onbekende tent op je land ziet staan is dat anders dan wanneer je de bewoners ervan hebt ontmoet. Ook al ben je als fietser voor niemand een bedreiging, onbekend maakt eerder onbemind.

Wonderbaarlijk

Op de brander doen we iets nieuws. De sucuk gaat in plakjes in de titanium-pannendeksel-annex-braadpan, de tomaten snijden we klein en koken er een prut van. Het wonder voltrekt zich. Kook Nederlandse tomaten en je krijgt een pannetje water dat naar tomaten smaakt en waarin schillen drijven. Deze tomaten transformeren voor onze ogen tot een tomatensaus waar je lepel in blijft staan. Met de peterselie, de peper en de gebakken worst levert dat een pastasaus op die ik me nog steeds herinner als een hoogtepunt in wat onze MSR-brander in combinatie met onze onnavolgbare kookkunst heeft voortgebracht. Van voorbijgangers krijgen we het toetje, twee trossen druiven. Om ons heen onweert het inmiddels apocalyptisch, in de verte regent het maar boven ons blijft het droog. De hoogte (bijna 900 meter) laat ons niet in de steek, ’s nachts krijgen we het koud en kruipen tegen elkaar aan. Slaapzakkentijd.

Kampeerplek bij Sarıkavak.

Graanland tot Dinar.

Welkome afwisseling

Bij vertrek is het lenteweer. “Wel zweten, niet gutsen. Een welkome afwisseling” volgens m’n dagboek. Om ons heen verschijnt het landschap dat ik me na het lezen van de Lonely Planet van Turkije voorstelde bij Centraal-Anatolië: vlakten met geelbruin golvend graan, aan de horizon grijze bergranden, hier en daar een berg. De weg is vrijwel vlak, het gaat iets omhoog en omlaag tot aan Dinar. Easy fietsen. “Ook omdat”, schrijf ik in m’n dagboek, “het vandaag tot ongeveer drie uur niet écht heet was. Ik denk dat dat betekent dat ’t onder de 35 graden bleef, want als je nu direct uit NL zou komen, zou je waarschijnlijk nog steeds niet goed worden. Die aandacht voor de temperatuur zegt iets over hoe zwaar ’t normaal gesproken is. Ieder verschil maakt ’n dag al bijna goed.”

Mooi

Na Dinar moeten we heftig omhoog, een rand over, na de afdaling fietsen we door een lang stijgend dal. We verliezen onze energie, tegenliggers veroorzaken een regen van oliegrind op een stuk vernieuwde weg, de temperatuur loopt op. Om Uluborlu te halen moeten we het dal uit, onverwacht steil omhoog naar 1330 meter. Boven ons klonteren dikke grijze wolken samen, het wordt zelfs koel, de trui blijft maar net in de tas. Maar mooi is het, mooi.

Valley floor na Dinar.

De avond gaat vallen, met Barla Dağı in de verte.

Beloond

Het land beloont ons, aan de horizon staat Barla Dağı (2798 meter) kaal en eenzaam boven het landschap uit te torenen. De weg golft uit beeld, bergranden staan rondom. We zijn leeg, kijkend naar de weg lijkt Uluborlu buiten ons bereik vandaag. Maar de weg blijkt onze vriend, precies op het goede moment. Nog even omhoog, dan alleen maar dalen door een schitterend landschap. Schapen- en geitenkuddes, eenzame bergen aan de horizon. Het lijkt wel Noorwegen, inclusief de regen die begint te druppelen uit de wolken die zich volledig hebben gesloten.

In Uluborlu, op 1025 meter, vinden we een goedkoop (van 5 naar 3 miljon lira, 7 euro) hotel. “Wat een dag” schrijf ik, zittend op het balkon, “Prachtig, maar ik moet moeite doen om nu te schrijven, zo moe ben ik. Nog drie dagen tot Konya.”

Gunstig gezind

De dag begint met de vermoeidheid van gisteren nog in onze benen, al na 11 kilometer drinken we thee in een çay bahçesi (theetuin) in Senirkent. De fietsgoden zijn ons vandaag niet zomaar gunstig, maar zeer gunstig gezind. De weg is bijna een biljartlaken, met fruitbomen langs de kant, prachtige horizonnen en de grote berg nog steeds rechts naast ons. Het is alweer niet heet, als zomerweer in Nederland.

Senirkent.

We fietsen langs een groot meer, het Hoyran Gölü dat één geheel vormt met het Eğirdir Gölü. De weg golft, de bruine hellingen golven, de berghorizon is donkergrijs, de uitzichten prachtig. Van een herder krijgen we de vier pruimen die hij voor z’n middageten had bedoeld. We mogen niet weigeren. “Ongelooflijk. Iemand heeft zo weinig, maar geeft dat weg. Hij wilde ons zelfs z’n water aanbieden.” Elsbeth is onder de indruk. Dat iemand als deze herder zo blij kan zijn met zo weinig. Zijn wereld bestaat uit een rugzak, z’n geiten en het vrije land. Wat later móeten we komen eten met een druivenplukker. Hij wil zijn lunch met ons delen, yoghurt, kaas met mieren en (zo lijkt het) muizenkeutels, dunne lappen opgevouwen brood en de druiven die hij net geplukt heeft. Wij bieden hem aan wat we aan eten hebben. Het aanbod om te blijven slaan we af, we bedanken hem en fietsen verder langs het meer, het meerdal uit naar een hogergelegen, smaller dal.

Tentplek?

Het is nog een heftige 200-meter klim en groot golvend wasbord tot aan Yalvaç, met geelbruin graan zover je kunt kijken. Net vóór de stad begint het te regenen en schuilen we bij een winkel. Tentplek zoeken? Een man biedt ons aan bij hem te komen eten en te logeren. Yalvaç is een stad, kamperen gaat hier niet en het regent nu keihard. We nemen zijn uitnodiging aan.

Weg naar Yalvaç, boven ons wordt het donker.

De avond is leuk, maar niet onbezorgd. Het gesprek komt (nee!) op geld. Wat we thuis verdienden. Dat was voor Nederlandse begrippen allesbehalve spannend, maar we zwakken het af en geven het context door kosten en prijzen te noemen. Hij is truckchauffeur zonder werk, zijn vrouw moet hard werken voor heel weinig. We bieden de familie een worst aan die zich inmiddels als kado bewezen heeft, de kinderen beginnen te juichen, er is straks vlees. Dat komt aan. Ik voel me op m’n plaats gezet, bezwaard, het kan eigenlijk niet dat we hier zitten en hun koekjes en eten opeten. Ik vind het moeilijk. “We zijn niet rijk”, schrijf ik in m’n dagboek. “Opgeteld hebben we verdorie net zoveel geld als één rottige VW Golf kost, that’s all op wat IKEA-meubels en een computer na.” We hebben geen huis en geen auto, onze beide inboedels pasten in de kleinste slaapkamer bij m’n oudste zus thuis. Maar hier verliest die nuance elke betekenis, hier zijn we rijk.

Ingewikkeld

Elsbeth koopt een mooie hoofddoek die een nichtje van de familie zelf met kraaltjes heeft afgewerkt. Als we vragen hoe dat vannacht met de fietsen gaat (ze hebben al die tijd onbeheerd beneden gestaan) zegt de man dat als daar iets mee zou gebeuren, de politie hem erop zou aanspreken. Hij is zichtbaar bang voor dat scenario. We kunnen vannacht in een hotel slapen en morgen om 9 uur met hem de ruïnes van Antiochia in Pisidia (hier vlakbij) bekijken. Die zagen we, het is inmiddels 10 uur ’s avonds, niet aankomen. Het hotel is gelukkig niet al te duur, als de fietsen veilig staan en we in bed stappen denken we terug aan wat er gebeurd is. Het is in zekere zin een les. Dat het aannemen van een uitnodiging het risico in zich heeft dat dingen anders lopen, zonder dat je in een positie bent om daar iets over te zeggen. Ik heb het gevoel dat de man teruggeroepen is door z’n vrouw, een overnachting en een ontbijt zou een nieuwe aanslag doen op het weinige dat ze hadden. Op een bepaalde manier is het ook een opluchting, we voelen ons niet langer bezwaard en hebben onze autonomie terug. Het doet niets af aan de vriendelijkheid van de hulp-in-regennood, de gastvrijheid terwijl ze zelf zo weinig hebben en het leuke van de avond. Ingewikkeld, intensief, leerzaam. Ik ben doodmoe als ik ga slapen.

Resten van de Pauluskerk uit 325 in Antiochia in Pisidia.

De plek en de leer

Onze gastheer van gisteravond komt niet opdagen. We fietsen naar de archeologische site van Antiochia in Pisidia, tegen Yalvaç aan. Een Romeins bad, theater, stadsmuur en poort, weg met karrewielsporen en… de resten van een kerk uit 325 die gewijd is aan de apostel Paulus. Gebouwd op de fundamenten van een joodse synagoge waarin Paulus op zijn eerste zendingsreis (waarschijnlijk rond het jaar 46) preekte voor de joodse gemeenschap. Die preek veroorzaakte nogal wat ophef, het conflict liep zo hoog op dat Paulus en zijn reisgenoot de stad uit werden gezet. Omdat Antiochia in Pisidia destijds een belangrijke Romeinse kolonie was keerde Paulus hier op zijn tweede en derde reis terug. De leer die hij verspreidde kreeg hier en in de door hem gestichte christelijke gemeenschappen voet aan de grond. Veel van wat christenen ook nu nog belijden is terug te voeren op Paulus, zijn brieven en zijn reizen. Op een van die plekken staan we nu, het maakt indruk op me, de vroegste geschiedenis van het christendom houdt me al jaren bezig.

Paulus en het vroege christendom

Het verhaal van Paulus is een bijzonder verhaal. Omdat hij een apostel is dacht ik als kind dat hij een van de twaalf was, de inner circle rondom Jezus. Maar Leonardo schilderde hem niet aan de tafel van het Laatste Avondmaal, omdat Paulus daar niet gezeten heeft. Hij heeft Jezus zelfs nooit ontmoet, die al gestorven was toen hij een volgeling werd. Juist die Paulus heeft een grote rol gespeeld bij de verspreiding van de christelijke leer.

De Romeinse provincie Judea, het jaar 33. Jeruzalem is veranderd door de gebeurtenissen van drie jaar geleden. De dag waarop Yeshua bar (zoon van in het Aramees) Yosef, volgens z’n aanhangers de man die het Joodse volk weer bij elkaar zou brengen, werd vernederd en vermoord. Als afschrikwekkend voorbeeld hing zijn toegetakelde lichaam aan een balk op een paal buiten de stadsmuren. Zodat niemand het nog zou wagen om het gezag van het Joodse bestuur en de Romeinse prefect in twijfel te trekken, of om verkopers en wisselaars van het tempelplein te verdrijven. Dat was de druppel geweest. In het bezette Joodse land waren vaker protestsprekers opgestaan, maar nooit zoals hij. Er was iets met hem, iets dat was gebleven toen hij stierf, alsof hij z’n menszijn was ontstegen. Hij was ferm geweest, maar liefdevol. Hij sprak niet over verzet tegen de wereldlijke macht maar van overgave aan de geestelijke, door verbondenheid met God. Zijn boodschap was mededogen, z’n stem was z’n wapen, een ezel z’n strijdwagen. Die geweldloze profeet had het hoofd moeten buigen voor het geweld van de mannen die eerst niet wisten wat ze aanmoesten met deze rebel zonder zwaard die zich zonder verzet had overgegeven. Zelfs de anders zo wrede Pilatus had zich ongemakkelijk gevoeld. En nu was hij er niet meer, een leegte die elke dag meer gevoeld werd. Sommigen wilden er niet aan dat hij dood was, anderen spraken van een verschijning, van een roeping die ze gevoeld hadden alsof hij levend voor hen stond. Een van hen was Saul van Tarsus.

Sint-Paulus buiten de Muren, Rome.

Discussie

Saul, of (op z’n Romeins) Paulus had een wonderlijke verandering doorgemaakt. Hij was tentenmaker, geboren in Tarsus in Klein-Azië (het midden en westen van het huidige Turkije) en daardoor Romeins staatsburger. Van de volgelingen van Jèsous, zoals hij in het Grieks werd genoemd, moest hij eerst niets hebben. Hij had ze zelfs met de dood bedreigd. Totdat deze Jèsous aan hem was verschenen en hij zelf een volgeling werd. Hij noemde zich, menend dat hij door de verschijning was uitverkoren, voortaan apostel. Als bekeerling was hij fanatieker dan wie ook. Zonder Jezus meegemaakt te hebben, zelfs zonder een van z’n twaalf leerlingen gesproken te hebben, begon hij te preken. Die eigenzinnigheid leverde hem confrontaties op met Jezus’ vrienden die wel alles van dichtbij hadden meegemaakt. Toch drong Paulus door tot de groep volgelingen die nadacht over de erfenis van Jezus. Anderen moesten kennismaken met zijn boodschap, maar wie en hoe? Jezus was joods, net als al z’n volgelingen – die afweken van de bestaande joodse leer doordat ze in Jezus de langverwachte Messias (Grieks: χριστός, christos, ‘gezalfde’) zagen. Maar als je geen jood was of werd, kon je Jezus dan wel volgen? Die – volgens historici onbeslechte – discussie liep hoog op. Petrus en onder andere Jezus’ oudste broer Jakobus meenden dat Jezus een profeet was wiens boodschap en het messias-zijn alleen voor joden bestemd was (bepaalde bijbelteksten lijken daarop te wijzen). Zij gingen zich richten op de Joodse gemeenschappen. Paulus was het daar niet mee eens en wilde zijn overtuigingen ook aan niet-joodse (‘heidense’) volkeren overbrengen. Hij ging op zendingsreis. Naar het noorden, richting de streek waar hij vandaan kwam: het huidige Turkije.

Paulus’ (drie) reizen en de preken die hij hield gaven mede vorm aan de vroege christelijke leer. Die leer was er de eerste decennia niet. Paulus was de eerste die wat opschreef, zijn brieven naar de christelijke gemeenschappen die hij gesticht had vormen de oudste teksten van het Nieuwe Testament. De vier canonieke evangeliën (de evangeliën die later geselecteerd werden voor het Nieuwe Testament) waren, behalve op Bron Q (van Quelle, bron), gebaseerd op de brieven van Paulus en zouden pas veertig tot zestig jaar na Jezus’ dood worden geschreven, door schrijvers die geen ooggetuigen waren geweest van de gebeurtenissen in Galilea en Judea.

Kruismotief (met – vreemd genoeg – de omega links van de alfa) op de overblijfselen van de Sint-Pauluskerk, Antiochia in Pisidia.

Paulijns christendom

In de brieven van Paulus stelt hij Jezus voor als een goddelijke boodschapper, die uit de dood verrezen is en de toegang tot God vormt. Een belangrijke vraag onder bijbelonderzoekers en historici is in hoeverre dit beeld van Jezus ook al bestond onder Jezus’ leerlingen van het eerste uur. Zagen de ooggetuigen van Jezus’ leven hem ook als goddelijke gezant of was hij voor hen een menselijke messias? Sommige onderzoekers menen dat de delen van de – decennia later geschreven – evangeliën waarin Jezus als goddelijk wordt voorgesteld gebaseerd zijn op de brieven van Paulus. In de delen die het karakter hebben van een ooggetuigenverslag van Jezus’ leven komt de weergave van Jezus als God of goddelijk echter niet voor. Deze delen hebben grote overeenkomsten in de evangeliën van Marcus, Matteüs en Lucas – de synoptische evangeliën – en hebben daarom mogelijk dezelfde bron, de verloren gegane Bron Q. Maar of het beeld van Jezus als goddelijk nu bij Paulus begonnen is of al sinds Jezus’ leven bestond, vaststaat dat Paulus grote invloed heeft gehad op de verspreiding van de christelijke leer – en mogelijk ook op de inhoud ervan. Historici en theologen spreken soms van een Paulijns christendom. Of Jezus de zoon van God was bleef lang een theologisch vraagstuk, dat z’n hamerslag pas kreeg in Nicea, drie eeuwen na de dood van die bijzondere mens wiens leven en leer zo velen tot op de dag van vandaag hebben geïnspireerd.

En Paulus? Over zijn dood en martelaarschap gaan verschillende verhalen. De gangbare versie is dat hij in Rome zou zijn onthoofd, op zijn graf zou de basiliek van Sint-Paulus buiten de Muren (buiten de Aureliaanse stadsmuur) zijn gebouwd. De kerk in Rome waar we ruim tien weken geleden langsfietsten.

Kamperen achter een tankstation.

Na een kort stuk door het golvende land kamperen we achter een tankstation. In de avond koelt het behaaglijk af, voor het eerst in drie dagen regent het niet. Nog 145 tot Konya.

Mineraalwater

De mooie dagen blijven komen. Om ons heen blijven de grijs-met-bruine kale rotsbergen de randen van het landschap vormen. Het land en de weg golven, de hemel is blauw. Hier en daar een hogere top met een veldje sneeuw. Via een kleinere weg nemen we een shortcut naar de hoofdweg naar Konya, zodat we niet via Beyşehir hoeven. Steil omhoog, een stuk naar beneden, opnieuw omhoog, groot wasbord in de gloria. Maar prachtig mooi. In Görünmez loopt het halve dorp uit als we even gaan zitten om wat te eten. Een reeks mensen komt ons welkom heten, we krijgen lahmacun die bij een bruiloftsfeest wordt gehaald en we moeten ons verhaal vertellen aan iedereen die in Duitsland gewerkt heeft en ons Duits kan verstaan. We krijgen water uit de dorpspomp, mousserend mineraalwater dat zoet-zout smaakt.

Openlucht

Na Selki gaat het heftig omhoog, de kilometers erna behoren tot de mooiste in Turkije tot nu toe. Steeds iets hoger, steeds een nieuw uitzicht, naar 1355 meter. Een forse dip naar een rivierbedding en wat dalen naar Yenidoğan, waar we in de openlucht slapen op een betonnen plateautje naast een gesloopt schoolgebouw. De nieuwsgierige mannen en jochies gaan gelukkig weg voordat we gaan liggen. ’s Nachts word ik wakker. Koele lucht strijkt langs me heen, de maansikkel staat in een zwarte hemel. De muezzin roept op tot gebed wanneer een dunne streep geel boven de bergranden in het oosten verschijnt.

Rotsen naast een droge rivierbedding, de eerste kilometers na Yenidoğan.

(Klik om te vergroten) Onze route tussen Istanbul en Konya.

De twee passen

De eerste twintig kilometers van de laatste dag naar Konya zijn wonderschoon. Langs een droge bedding van een kleine rivier, met grillig gevormde rotsen aan weerszijden waarin je een gorge zou kunnen zien. We passeren de ruïnes van een kervansaray (een stop- en rustplaats voor karavanen) en klimmen naar 1548 meter op de eerste pas van vandaag, de Hanönü Beli. We dalen door een dennenlandschap dat allengs kaler wordt, de weg een ondiepe groef in het landschap, tot een meertje op het laagste punt.

Na een paar minder warme dagen is de Turkse zon op volle kracht terug en brandt gaten in onze hoofden en ruggen. We gaan opnieuw steil omhoog, direct naar een tweede pas op 1460 meter die we veel eerder bereiken dan de kaart aangeeft. Tot Konya is het dan nog 15 kilometer dalen, soms steil naar beneden, met een prachtig uitzicht op de grote stad aan de rand van een steppengebied in Midden-Turkije. Bij het binnenrijden van Konya krijg ik een lekke band, de derde sinds ons vertrek uit Amsterdam, nu 5628 kilometer en 4 maanden en 9 dagen geleden. In Konya zullen we een pauze nemen om ons voor te bereiden op de rest van Turkije, op de weg door het oosten.

Konya, aan de rand van de steppe.

Hoofdstuk 9 | Het Oosten (in de maak)

Overzicht hoofdstukken