Laat voor het eten

Fietstochten en fietsreizen

Sittard-Eifel-Maastricht | Dag 1

Woensdag 18 oktober 2017, halverwege de herfstvakantie. Drie dagen ga ik fietsen, maar dit keer alleen. Zoon Dirk, waarmee ik in 2015 naar Luxemburg-stad fietste en vorig jaar van Arnhem naar Breda, kan deze herfst niet. Vioolkamp. Er zijn meer dingen anders, want ik wil langere dagafstanden gaan fietsen. Op mijn tocht door de Waalse Ardennen merkte ik dat ik nog teveel word afgeremd, wil ik die langere afstanden redden in heuvelachtig terrein. De belangrijkste remmer ben ik zelf. Ik stop vaak om plekken te ervaren en om foto’s en aantekeningen te maken voor deze pagina’s. Dat zal niet veranderen. Ik ben geen wielrenner met tassen, ik ben een reiziger op twee wielen. Wat ik wel kan veranderen is de zooi die ik meesleep. Dat kan compacter. Fast & Light, in outdoor-termen.

MSR WindBurner

De MSR WindBurner

Nieuwe dingen
Ik wil van m’n voortassen af. Op een langere tocht of op reis, als er meer meemoet, ontkom ik er niet aan. Maar nu kan het volgens mij zonder. Ik vind de oplossing. M’n kookspullen nemen relatief veel ruimte in. Benzinebrander, brandstoffles, pan. Als jarenlange fan van MSR voeg ik een nieuwe brander toe aan mijn verzameling: de WindBurner. Een gasbrander die hyperefficiënt met z’n warmte omgaat en in z’n eigen pan past. Compact, licht en op ‘t eerste gezicht bijzonder geschikt voor eenpersoonsgebruik. Normaal gesproken ben ik niet van de gasbranders, want benzine tank je overal op de wereld gewoon aan de pomp, maar op korte tochten heb ik aan een enkel mini-tankje waarschijnlijk genoeg. Het is een experiment. Door de vrijgekomen ruimte krijg ik alles met gemak in m’n beide achtertassen. Ook de vrij lompe Madden-tas waarin m’n waardevolle spullen zitten heb ik vervangen door een kleinere, lichtere en waterdichte versie van SealLine. Ook beertje Jaap past er weer in. Ik heb na m’n eerste lange tocht door Europa en Azië de stuurtas afgeschaft. Nooit meer. Wat een rotding. Op biljart-asfalt merk je weinig van een stuurtas (behalve het instabiel worden van je stuur, omdat je het zwaartepunt naar voren verlegt), maar op slechtere wegen met ribbels en gaten word ik helemaal simpel van het geklapper van zo’n ding aan je stuur. Hij had nog iets nuttigs in de tijd dat ik op papieren kaarten fietste, die ik op de klep vastmaakte of onder het doorzichtige venster schoof. Op m’n tweede lange reis verving ik ‘m door een losse tas op de achterdrager en verzon ik een andere truc voor de kaart. Die ging altijd en overal mee naartoe. Dat concept van één compact draagbaar ding met al je waardevolle spullen bevalt me nog steeds, maar met een nieuwe tas. Excuus beste lezer, maar dit moest even.

De nieuwe dingen blijven zich opstapelen. Ik maak zowaar een redelijke nacht voorafgaand aan m’n vertrek. Ik check in Amersfoort bij het juiste poortje in. En neem de trein naar Sittard.

Treindingen
Om 10:20 stap ik uit de intercity, die zonder mij verdergaat naar Maastricht. Vroeg beginnen op de eerste fietsdag blijft lastig als je niet thuis van start gaat. Ik ga het liefst met de trein naar het beginpunt. En voordat je je schrap zet voor een milieu-verhaal: ik heb simpelweg geen lol meer in autorijden. In de auto zitten confronteert me met datgene waar ik niet geschikt voor ben: het mierenhoop-gevoel. Ik vind weinig dingen erger. Soms komt de VW-bus nog van de oprit, soms ook met een fiets achterop, maar ik fiets en trein waar en wanneer ik kan, werk en niet-werk. Bij een fietstocht zit je met de auto vast aan een rondje (tenzij je vanaf het eindpunt de trein terugneemt naar je auto, maar waarom dan niet…), met de trein kun je een verschillend begin- en eindpunt kiezen. De adder in het gras: op doordeweekse dagen mag een niet-vouwfiets pas na 09:00 mee de trein in. Op zaterdag beginnen is een optie, maar als ik meer dan twee dagen ga fietsen, komt het thuis beter uit wanneer die derde dag een vrijdag is in plaats van een maandag. Vervoer is een puzzel, maar het is niet anders. Op station Sittard sla ik wat onderwegvoedsel in en ga op zoek naar een pinautomaat. Ik doe normaal gesproken niets met contant geld (ik heb alleen wat munten bij me voor als ik een veerpont tegenkom), maar we zijn net terug van een paar dagen Berlijn – oh heerlijk oord – waar bijna alles nog cash-only is, net als in heel de Bundesrepublik. Daar ga ik nu naartoe, dus er moeten ergens doekoe’s uit de muur komen. Dat is niet eenvoudig merk ik, en als ook nog eens een collega belt met een adviesvraag waarmee ik ‘m help, is het 12 uur als ik goed en wel aan de route begin.

Achtertuinen en verstoppingen
Ik heb de buitenwijken van Sittard nog maar net achter me gelaten of ik rijd Duitsland binnen. De zon staat laag, midden op de dag lijkt het 6 uur ‘s avonds. De turbulentie van voorbijrijdende vrachtwagens rukt bladeren los van de populieren langs de weg, die als geel-groene sneeuw ritselend neerdwarrelen en opstuiven. De herfst is er. Ik fiets door de achtertuinen van het landschap, door een gebied dat met een enkele keer links- of rechtsaf verandert in Nederland en weer terug in Duitsland. De weg wordt fietspad, een paadje, een stuk geasfalteerd karrespoor en weer een weg, door stukken park en voorbij weilanden waar schapen grazen. Buitenwijken met villa’s en vrijstaande woningen, waar mannen auto’s wassen, vrouwen bladeren vegen en de loop der dingen ongestoord z’n gang gaat. Bij Schinveld begint het te heuvelen, fietsend door het bos hoor ik een vliegtuig opstijgen van de NATO-basis Geilenkirchen, net over de grens. Dat zal een AWACS zijn, een Boeing 707 met zo’n ufo op het achterdek. Aan de noordrand van Brunssum doet het fietspad heel andere dingen dan de kaart in m’n GPS zegt. Verse aarde, tijdelijke omleggingen en gitzwart nieuw asfalt. De N300 in wording, de nieuwe weg rond Parkstad Limburg. Nodig omdat de steden en dorpen in deze oostelijke uitstulping van de voet van Limburg, de Oostelijke Mijnstreek, zijn gegroeid en samengeklonterd zonder dat het wegennet meegroeide. Economisch gezien een gebied met een bewogen geschiedenis. Succesvolle mijnen werden in de jaren zeventig troosteloze spookgebouwen, koempels werden werklozen. In de loop van de tijd gingen er zich nieuwe bedrijven vestigen, met nieuwe banen en een nieuwe groei. Parkstad Limburg werd geboren, maar de infrastructuur deed het gebied verstoppen. De nieuwe N300, waarvan inmiddels de eerste kilometers in gebruik zijn, moet daar verandering in brengen.Volkspark
Bomen en hei gaan over in plantsoenen en een vijver. Het Schutterspark, rond het stroomdal van de Roode Beek. Een bord legt de geschiedenis uit van ‘het oudste volkspark van Limburg’ (feitje uit de categorie ‘de oudste Zeeuwse straat met grijze putdeksels’, maar vooruit). Ooit een kado van de Staatsmijnen aan de inwoners van Brunssum, toen hier vetkool boven de grond werd gehaald uit mijnschachten waarvan de diepste een ontzagwekkende 1080 meter de grond inging. Hier ergens is mijn vader geboren, zoon van een Staatsmijner. Voorbestemd voor het priesterschap, maar tot teleurstelling van zijn ouders (die hem dat kwalijk namen) terechtgekomen als officier bij de luchtdoelartillerie. Mijn held, voor altijd mijn held. Te dikke kinderen en moeders met leggings voeren witbrood aan de eendjes. Zou mijn oma hier ooit met m’n vader hebben gewandeld, terwijl even verderop de grote wielen op de schachtbokken draaiden en mijnwerkers met zwarte gezichten uit de opgehaalde liftkooien kwamen. Ik kan het hem niet meer vragen, hij stierf jaren geleden, op een dinsdagmorgen in januari. Verderop kom ik op een rotonde een toegang naar militair terrein tegen. Overduidelijk. Vlaggen, poorten met matrixborden, slagbomen, een groot bord in de tuin. Uit mijn eigen defensieverleden weet ik dat er in Brunssum iets NATO-hoofdkwartierderigs staat, maar dat ik het tegenkom is een verrassing. Het is het JFC HQ, (Allied) joint force command headquarters, op het terrein waar vroeger de staatsmijn Hendrik stond. Genoeg geschiedenis. Fietsen nu.

Monument
Het is prachtig weer, met een wereld die bestaat uit oranje bladeren, laag licht en een zachtblauwe lucht. Ik fiets in m’n T-shirt, het is boven de 20 graden. Voorjaarsweer in de derde week van oktober. Ik kom de grote werken aan de N300 weer tegen, waarbij alle goede bedoelingen van de wegenbouwers niet leiden tot duidelijkheid over waar ik kan fietsen. Op een rommelig fietspad van hard aangereden zand, langs hopen zand en uitgegraven boomstronken met wortels als bruine heksenvingers. Schrikhekken sluiten nutteloos geworden asfalt af, het fietspad houdt op en blijkt na wat speurwerk en hobbelen door het gras verder te gaan over een parallelweg. Waarop ik voordat ik het weet op 130 meter hoogte zit, met het zweet op de bovenlip. Het pad wordt weer fietspad en steekt een natuurgebied in, de Brunssummerheide. Links passeer ik een bank aan de bosrand waarnaast een paal staat, met letters, als een gedenkteken. Normaal gesproken stop ik en wil ik alles weten, maar ik zit in de meters-maken-modus en rijd door. Pas bij het schrijven van dit verhaal, als het grootschalige DNA-onderzoek in het nieuws is, realiseer ik me dat dit een monument voor Nicky Verstappen is. De jongen die in augustus 1998 op kamp ging op de Brunssummerheide, uit zijn tent verdween en een dag later levenloos werd gevonden. Op een veldje aan de overkant van het fietspad. Voor de ouders werd de pijn nog rauwer door het niet-weten wat er gebeurd was. Met hun kind. Hun kind. Mensen rond Nicky, onderzoekers, wildvreemden, iedereen heeft een eigen theorie. Maar het mysterie blijft. Temidden daarvan een vader en een moeder in een zee van pijn, die nooit meer met dezelfde ogen naar de wereld kunnen kijken. Omdat ze om te beginnen niet weten of de mensen in die wereld, dorpsgenoten waarmee ze zijn opgegroeid, een geheim bewaren. Ze verhuisden. Naast de vertrapte onschuld van een kind heeft dat het meeste indruk op me gemaakt. De terreur van het sociale. In alle community-denken om ons heen zou je vergeten wat de andere kant van een leefgemeenschap kan zijn. Ik wens iedereen die erdoor geraakt is toe dat de dader wordt gevonden. Ik wens hen bovendien toe dat, als het moment komt dat het raadsel is opgelost, ze de kracht vinden om elkaar te vergeven om wat er niét gebeurd, maar wel gezegd en gedacht is. Dat ze elkaar weer durven vasthouden. Dat ze voor elkaar zorgen en misschien ooit, ooit, de pijn samen kunnen dragen.

Onvoorwaardelijk
In Kerkrade eet ik een broodje kroket, in een cafetaria langs de weg, met de polsslag van de buurt. Mensen die even binnenkomen en de eigenaar gedag zeggen, nieuws uitwisselen. Aan de overkant een lange rij met dezelfde fantasieloze flats. Het doet me denken aan de troosteloze socialistische bouw aan de Alexanderplatz in Berlijn, drie dagen geleden. De nieuwe energie doet me goed, de zon blijft schijnen, de route blijft mooi en afwisselend. Buiten Kerkrade, in het laatste randje Nederland, kom ik een groot gebouw tegen, statig en gevestigd. Ik stop even. Is dit misschien..? Het is inderdaad Rolduc. Nooit in het echt gezien, tot nu. In de gesprekken die ik me van vroeger herinner, in mijn Limburgse familie, was Rolduc hét symbool van de Limburgse katholieke orthodoxie. De orthodoxie waar mijn familie geen goed woord voor over had. De boodschap van onvoorwaardelijke liefde en mededogen, verdraaid tot de selectieve liefde van bange mensen die beweerden namens God te spreken. De boosheid van m’n vader, om het te schande maken van een geloof waarin ook veel mooie dingen gebeurden. Zijn eigen zoektocht, van een man die diep in zijn hart de priester bleef die hij in zijn jeugd niet werd. Dat verhaal vertel ik een andere keer. Ik moet vandaag nog naar Camping Rurthal von Abercron, deze pagina moet ook nog over fietsen gaan.

Ik kijk nog een enkel moment naar het gebouw, stap weer op en fiets verder. Duitsland in.

Nu gaat het beginnen?
In Herzogenrath (destijds verfranst tot Rode-le-Duc, dat Rolduc werd) kijk ik uit over het land, met aan de horizon heuvels met een dikke groene bedekking. Dat is waar ik naartoe ga, de Eifel. Zo te zien niet al te ver meer. Ik kan niet wachten, maar moet geduld hebben. Fietsen in Duitsland is wennen. In Nederland geeft een stippellijn of een andere kleur asfalt het fietsgedeelte van een weg aan. Niet in Duitsland, waardoor het lijkt of er voor fietsers niets geregeld is. Dat is niet waar, maar het werkt anders. Op veel weggedeelten ligt het fietspad naast de weg, op een verhoogd gedeelte dat ook voor voetgangers bestemd is. Het voelt als fietsen op de stoep, dat voor een Nederlander heel vreemd is, maar toch echt de bedoeling. Net zo wennen is dat het fietspad zomaar kan ophouden of beginnen. Soms is fietsen op de weg frei, dan weer geeft een dunne kleur rood aan dat het fietspad op de stoep weer begonnen is. Het heeft iets van spoorzoeken, het is maar net hoe het de wegenbouwer uitkwam. Het patroon van natuur-huizen-natuur-huizen dat zo bijzonder was aan het stuk Sittard-Kerkrade gaat ook in Duitsland verder. Bij het verlaten van een dorp zit ik meteen in een klein natuurgebied waar ik me ver weg waan van de bebouwing, die niet lang daarna al weer begint. Herzogenrath. Bardenberg. Würselen. Iedere keer als ik een dorp of wijk achter me laat denk ik: nu gaat het echt beginnen. Maar dan herken ik een kruising van de online fietskaart waarop ik de route heb uitgezet, en weet ik dat het nog niet zover is. Eifel, waar ben je. Stoep op, stoep af, hobbelpad links, tegelpad rechts, stuk door het bos, halfverhard, slecht verhard. Een stuk klimmend omhoog, naar beneden door een dal, langs een park, een zandweg, wachten voor een stoplicht. Heel afwisselend en ik zit me prima te vermaken, maar het schiet niet op. Echt totaal niet.Rivier zonder brug
Ik kom een klaverblad van snelwegen tegen waar de route onderdoor gaat. Bij de onderdoorgang is de weg afgezet, bij een gapend gat waaraan gewerkt wordt. Als fietser is een snelweg dan niet anders dan een rivier zonder brug. Een half uur later heb ik de oksels van alle afslagen gecheckt, via twijfelachtige landbouwwegen achter industrie langs en in vergeten hoekjes in het landschap. Niets, terwijl de schemer op de loer ligt. Gek word ik ervan. Een dikke provinciale weg waarop je in Nederland niet zou mogen fietsen is uiteindelijk de enige overgang. Met het zweet in m’n handen kom ik via een wijde boog alsnog op de route. Waar het meteen lijkt of er nooit een snelweg geweest is. Oudere mensen met wandelstokken, grijze pluisharen en korte broeken wandelen een route. De eerste eikels liggen op de paden, ik hoor het knerpen onder m’n banden. Ik rijd Stolberg binnen, dat een Turkse enclave lijkt en waar foute auto’s met keiharde muziek het testosterongehalte feilloos duidelijk maken. Dan houdt de bebouwing voor het laatst op en begint het bos.

In het wegkwijnende avondlicht ben ik op een enkele passerende auto na alleen met de bomen. De weg gaat steil omhoog, een rug over. Het wordt koeler, de frisse lucht zit vol geuren van grond en bladeren. Motorrijders scheuren de rust aan flarden. Eigenlijk bijzonder dat iemands lol nog steeds zwaarder weegt dan de stank en de herrie die om motoren hangt. Ik ga even de berm in om m’n verlichting aan te zetten. Een motorrijder stopt en vraagt of het goed gaat. Ik ben verrast en bedank hem, Alles in Ordnung, danke. De kosmos leert me een les over te snel oordelen. Ik bel de camping om, met zelfbedachte Duitse naamvallen, te zeggen dat ik wat later kom. Een vriendelijke stem zegt dat dat geen probleem is. De weg bereikt z’n hoogste punt en daalt vervolgens door bos en buitengebied naar het Rurdal.

Een bericht in het donker
Als ik in het halfdonker de rivier stroomopwaarts volg trilt m’n pols. Iemand belt me. Op een zandpad in een weiland langs de Rur hoor ik in de avondstilte dat mijn oom Gerard is overleden. Z’n zoon heeft hem naast zijn bed gevonden. De oom die zo op m’n vader lijkt. Ik voel wat z’n zoon nu voelt. Over een paar dagen zal z’n foto op de kist staan, als ik m’n vader opnieuw een stukje zal begraven. Ik schud het van me af, hier in dat schemerige dal in de Eifel. Ik wil het niet, niet nu. Ik heb na de dood van m’n vader gezwommen in een donker gat van verdriet, uit alle macht om weer vaste grond te bereiken. Ik ben het vertrouwen in het leven kwijtgeraakt, ik vertrouw er niet meer op dat alles goed komt. Ik ben bij de dag gaan leven, alsof ik morgen zelf zal sterven. Heel langzaam heb ik weer gedurfd om de toekomst te plannen, om te denken dat ik misschien volgende maand nog leef. Ik wil nu vooruit, leven naar de toekomst, met alle pijn en geluk in m’n broekzakken. Dicht bij me, maar ik hoef ze niet altijd in m’n handen te hebben. Rust zacht, oom Gerard, ik kom naast je staan, over een paar dagen, ik kom je kist aanraken, ook namens je broer die je voorging. Het is nu aardedonker in de dorpen langs de rivier.

Met m’n GPS en de lichtkegel van m’n lamp als gidsen volg ik het fietspad langs de Rur. Bij licht moet dit een prachtige route zijn. Een microseconde denk ik ‘als ik vandaag korter had gestopt dan…’, om meteen daarna de gedachte uit mijn hoofd te bannen. Niet doen. Dingen gaan zoals ze gaan, ‘als’-vragen maken mensen nodeloos ongelukkig. Het hier en nu is het enige dat telt. Op een parkeerplaats ben ik het pad kwijt, een uit het duister opdoemend groepje mountainbikers laat zien waar het spoor loopt en weer verdergaat. Een oranje-gele vlek in de verte wordt een perron langs het spoor dat ik oversteek. Een trein verschijnt uit het donker. Een enkele reiziger stapt uit, de trein claxonneert kort en verdwijnt weer in het zwart. Een doodstil dorp met vakwerkhuizen verraadt dat ik er bijna ben.

Zorgzaam
De camping is in diepe rust, het is half negen als ik na 102 kilometers camping Rurthal von Abercron oprijd. Ik bel de eigenaar dat ik er nu echt ben, met de excuses. Die komt even later aanrijden. Terwijl hij met geldkistjes en formulieren rommelt biedt hij me een stoel aan achter de receptie. Het kampwinkeltje lijkt op een Oost-Duitse supermarkt na de val van de muur. Zelfs de Spreewaldgurken zijn op. Op de grotendeels lege schappen staan pakjes instantsoep en een enkele fles ketchup, met zelfgemaakte prijsstickers. Het is een lieve man, zijn zorgzaamheid is warm en oprecht. Ik krijg het hele verhaal te horen van de camping die hij van z’n ouders erfde, de campinggasten die meer luxe willen, de camping die stiller is dan vroeger. De investering die met vernieuwingen gemoeid zou zijn, de lening die de bank hem op zijn leeftijd niet meer wil verstrekken. Hij geeft me korting. Ik betaal nog geen 7 euro. Als ik m’n tent opzet parkeert hij z’n auto zó dat de koplampen m’n plek beschijnen. Zodat ik niet in het donker hoef te tasten. Ik verzeker hem drie keer dat het nu allemaal gaat lukken. En ik wil inderdaad best een paar broodjes, morgenvroeg. Alles komt in orde en na een paar keer zwaaien rijdt hij weg. Deze man verdient elke campinggast in de hele Eifel. Ik ga op een bankje zitten en kook m’n noedels. Op m’n nieuwe WindBurner. Razendsnel, wat een gaaf ding. Ik ben moederziel alleen, maar ik voel me een koning. Het was een intense dag, vol afwisseling, vol gedachten. Dit, hier in de stilte van de Eifel, is waar ik voor kom. Ik raak de wereld aan, de lucht, het gras, een mens die me welkom heette. Ik voel me op m’n plaats als ik de rits van m’n slaapzak dichttrek.

Dag 2: Hausen – Robertville

Dag 3: Robertville – Maastricht

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.