Laat voor het eten

Fietstochten en fietsreizen

Wat zal het zijn, vriend?

Ik ben m’n eigen baas. Er is niemand die me tegenhoudt wanneer ik ‘s avonds of in het weekend doorwerk. Er is ook niemand die me terugroept als ik op een doordeweekse dag ‘s ochtends de trein pak naar Schiphol of Zwolle en een dag fiets door mijn eigen land, waarvan ik nog maar een fractie blijk te kennen. Soms moet ik even weg. Weg van het beeldscherm en binnenkomende berichten, weg van mensengefriemel. Kop in de wind, mijn gedachten die gaan stromen met het bewegen van mijn benen. Buiten zijn, want daar gebeurt het.

Ik stap uit op Schiphol (‘eindbestemming van deze trein, let u bij het verlaten…’) en ontvlucht zo snel mogelijk het perron met de omroepberichten in vier talen, die uitgesproken lijken te worden door een butler die minzaam de buitenlandse gasten attent maakt op de regels van het huis. Fiets aan de hand tussen alle talen, hoofddeksels en rolkoffers. Alsof je met je fiets door de lobby van een groot hotel loopt, het mag wel, maar het voelt gek. Als ik hier ben, wil ik de roltrap op, naar de incheckbalies, rugzak op m’n rug, e-ticket in m’n telefoon. Dan droom ik, dan wil ik weg. Altijd weer weg. Ver weg. Dat moet nu wachten, en ik ga richting de onverstoorbaar doormalende draaideuren. Een Japanner aarzelt alvorens de stap te nemen, ik bedenk me wat er gebeurt als m’n fiets klem komt te zitten. Ik schat de deursnelheid in, regel mijn ademhaling, mik op een gat dat groot genoeg is, en ga. Buiten kijken reizigers niet meer strak langs je heen naar de infoborden in de verte, maar drommen samen bij bus- en taxistops. Commotie, afhankelijkheid, wat gaat waarheen, help. Het glorieuze moment van de fietser die onderweg is. Van niets en niemand afhankelijk. Ik rijd weg en laat Schiphol snel achter me. Seconden later ben ik alleen op het fietspad, alleen met de stoeptegels en de geur van kerosine, de geur van het weggaan. Eerste stop: Badhoevedorp.

(wordt vervolgd)