Laat voor het eten

Fietsverhalen en fietsadviezen

Winterfietsen

Hangbrug over de Rhône bij Rochemaure

Hangbrug over de Rhône bij Rochemaure, departement Drôme, 4 januari.

In een fietsroutegids las ik eens dat die route van april tot eind oktober fietsbaar was. Dan wil ik weten waarom. Dus ik op de kaart kijken: in de andere maanden zal een deel van de route onbegaanbaar zijn door sneeuw (een pas) of door rivierwater (wegen die soms onder water staan, de Rhône heeft daar bijvoorbeeld last van). Maar als ik de hele gids doorgelezen heb en ook de kaart heb gezien blijkt de natuur tussen oktober en april nergens dwars te liggen. Het is de winter die de schrijver tot z’n advies brengt. De donkere, koudere maanden. Met respect voor de schrijver: ik vind dat onzin vreemd. En doodzonde. Niet onaardig bedoeld, maar waarom zou je jezelf dat opleggen? Als ik alleen van april tot oktober zou fietsen, sla ik elk jaar bijna een half jaar over. Terwijl ik, net als iedereen, maar zo kort op deze wereld rondloop. Ik wil de donkere maanden niet uitzitten, ik wil fietsen!

Het is natuurlijk flauw om te doen alsof er geen verschil is tussen fietsen in juli en fietsen in januari. Dat is er wel, maar het hoeft je geen huisarrest te geven. Daarover gaat deze pagina.

De dag begint bij Modave, Waalse Ardennen

De dag begint, vlakbij Modave in de Waalse Ardennen, een week vóór Kerst.

Waarom zou je?
De wintermaanden hebben voor mij iets bijzonders. Om te beginnen de totale rust. Ga half oktober naar de Eifel en je komt een enkele fietser tegen. Ga in december naar de Ardennen en er is niemand. Helemaal niemand. Geen nerveus gedoe van zoevende wielrenners met midlife-bandana’s en zonnebrillen (ook onder de donkerste regenluchten), er is altijd plaats op het spreekwoordelijke bankje bij de kerk, je bent alleen in het bos. Heerlijk. Het heeft iets against all odds om ’s avonds in je eentje met een hoofdlamp op je noedels te koken op een uitgestorven en donkere camping. Naar de sterren te kijken, de nevel over het veld te zien glijden. Het gevoel van avontuur en totale autonomie. Daarnaast – en ik geef toe, nu wordt het echt vreemd – heb ik altijd het idee dat ik de natuur in de winter niet in de steek wil laten. De bomen zijn kaal, maar ze staan er nog steeds, het bos blijft bos maar krijgt een heel andere sfeer. Ik wil niet wegblijven van de grijsheid van het landschap, ik wil er dwars doorheen en het meemaken. Dan zijn de eerste groene puntjes aan de takken en de blaadjes die zich in april uit de knoppen wringen bovendien een extra groot feest.

Fietstocht Rijn en IJssel

Fietstocht door het zuiden van de provincie Utrecht, tweede week februari. De zon gaat onder, de kou kruipt terug.

Fietsen, kou en winter
Aan kou kun je niets doen, Moeder Natuur doet waar ze zin in heeft (daar hebben we gelukkig geen controle over). Maar aan het koud hebben wel. Kou is niemands schuld, het koud hebben is je eigen schuld, dan heb je niet de juiste spullen aan of bij je.

‘Winter’ is niet synoniem met ‘kou’. De meteorologische winter (waarbij het weer de seizoensindeling bepaalt, niet de stand van de aarde, dat is de astronomische winter) loopt van 1 december tot 1 maart (daar zijn varianten op, maar dat voert te ver). Die verdeel ik zelf in twee perioden: de grijze winter en de koude winter.

De grijze winter  …is de maand december en de eerste helft van januari. In die periode is de zon, die zwak en overdag maar kort aanwezig is, niet in staat om het vocht in de lucht te laten verdampen. De luchten zijn grijs van de wolken die maar niet weg lijken te gaan. Door die bewolking is het vaak niet koud: de temperaturen liggen tussen de 5 en 10 graden. Het noordelijk halfrond is in de grijze winter nog volop bezig met afkoelen, een proces dat nog even doorgaat ondanks het feit dat de zon rond 21 december de Steenbokskeerkring aantikt en daarna op de terugweg gaat: na 21 december worden de dagen weer langer. De eigenlijke kou moet nog komen. Vergelijk dat met de zomer: de opwarming gaat na 21 juni nog een hele tijd door, met de warmste dagen pas in juli en augustus. Fietsen in de grijze winter heeft (hoewel er hier en daar een laag extra aan moet) niet zoveel met kou te maken, maar meer met het vinden van de fietslol in de kale en donkere grijsheid van het landschap. Voor mij heeft dat landschap zijn eigen magie, ik wil het niet missen. Zie onder andere dit verhaal.

De koude winter  …is de tweede helft van januari en de maand februari. De zon wordt sterker en staat langer boven de horizon. Minder grijsheid in de lucht en de dagen worden langer. Maar de lucht wordt ondertussen kouder, steeds kouder. De koudste winterdagen vallen in deze periode, meestal in februari. Als er sneeuw valt (buiten een enkele dag in november of december), is dat nu. Fietsen in deze periode vergt andere en meer kleding en, als je gaat kamperen, aandacht voor je uitrusting.

Kleding bij kou: factoren
Bij het fietsen in de kou hoeft kleding je alleen warm te houden. Bescherming tegen nattigheid is bij echte kou geen factor. Als er neerslag valt, is het sneeuw (hagel valt niet bij kou, ijzel is regen die bevriest bij het raken van de grond). Als je voldoende isolerende kleding aan hebt, is die aan de buitenkant koud genoeg om sneeuw niet (meteen) te laten smelten. Je klopt de sneeuw van je af en blijft droog. Ideaal.

Om te snappen hoe je ‘warm blijven bij kou’ concreet vertaalt naar ‘wat moet ik aan en op’ is eerst wat achtergrond nodig, waarin ik drie factoren onderscheid:

  1. isolatie;
  2. circulatie;
  3. transpiratie.
Luchtcirculatie onder een enkele kledinglaag

Luchtcirculatie onder een enkele kledinglaag.

Factor 1: Isolatie
Kleding geeft geen warmte, maar houdt alleen vast wat er al is: je lichaamswarmte. Kleding isoleert omdat het:

  • lucht bevat. In kleding werkt lucht als isolator;
  • de kledinglagen die eronder zitten afschermt van wind en neerslag.

Lucht is een isolator. Op het eerste gezicht lijkt het logisch om te zeggen: hoe meer lucht, hoe meer isolatie. Dat klopt alleen onder voorwaarden. In één dikke luchtlaag gaat de lucht namelijk bewegen. Aan de ene kant van de luchtlaag is het warm (je huid), aan de andere kant koud (de buitenlucht). Dat temperatuurverschil maakt dat de lucht gaat circuleren. Daarbij gebeurt precies wat je niet wilt, namelijk dat de lucht de warmte van je huid meeneemt en na circulatie aan de koude kant afgeeft. Je koelt af. Dat werkt zo in een lowtech luchtbed, de lucht circuleert, waardoor de isolatie vrijwel nul is. De uitdrukking ‘kou komt van de grond’ klopt nergens zo goed als bij een luchtbed. En het ligt ook nog ruk. Enkele reis kringloopwinkel dus. Hoe krijg je dan toch een dikkere luchtlaag, dus meer isolatie? Door dunne luchtlagen te stapelen, met in elk daarvan heel weinig luchtcirculatie. Dus door meerdere dunne lagen isolerende kleding over elkaar te dragen in plaats van één dikke. Daardoor kun je ook eenvoudig de dikte van je kleding aanpassen aan je inspanningsniveau en de buitentemperatuur.

Afscherming is de tweede vorm van isolatie. Lucht moet stilstaan om effectief te kunnen zijn als isolator. Dat kan alleen als de wind daar geen invloed op heeft. Daarom moet de buitenste kledinglaag winddicht zijn om optimaal te isoleren. Waterdicht mag, maar winddicht is voor afscherming genoeg en voor de vochtregulering beter. Deze buitenste kledinglaag hoeft zelf niet te isoleren – dat doen de laagjes eronder al. In outdoortermen heet deze laag dan ook een shell, verdeeld in softshells (winddicht en vochtdoorlatend) en hardshells (waterdicht en vochtdoorlatend).

Half december, tussen Doetinchem en Coesfeld (D).

Bij kou kunnen isolatie en afscherming niet zonder elkaar. Doe wat dunne truien over elkaar heen en ga fietsen zonder jas. Van de isolatie blijft vrijwel niets over. Als fietser heb je altijd te maken met wind, al is het maar de rijwind. Die blaast alle opgewarmde lucht uit je isolerende laag, waardoor je net zo goed in je T-shirt kunt fietsen. Je jas uittrekken kan tijdelijk een strategie zijn, bijvoorbeeld omdat je wilt dat je een groot deel van de warmte kwijtraakt, maar normaal gesproken kan een isolerende laag niet zonder een winddichte shell. Het verschijnsel ‘winterjas’ – een jas die zowel winddicht als isolerend is – is bij de meeste outdoor-activiteiten erg onhandig. Als je een winterjas uittrekt ben je niet alleen je shell kwijt, maar ook een (groot) deel van de isolerende laag. Dat frustreert het goed afstemmen van je kledinglagen op je inspanningsniveau en het weer, omdat de stap te groot is – je trekt teveel in één keer uit.

Factor 2: Circulatie
Circulatie, je bloedsomloop, is een onderschatte factor bij de keuze van kleding. Om bij kou je uiteinden warm te kunnen houden mag je bloedsomloop niet worden gehinderd. Bij fietsen gaat het altijd om koude voeten, nogal eens om koude handen en niet zo vaak om een koude rest.
Voeten: draag dikke sokken, eventueel met ondersokken, en schoenen die ruimer om je voeten zitten. Strak zittende schoenen hinderen de bloedsomloop en drukken de lucht uit je sokken. Doe je schoenen daarom losser om je voeten dan je in de zomer zou doen. Dit staat op gespannen voet met fietsschoenen voor klikpedalen, die strak om je voeten moeten zitten om nut (een directe krachtoverbrenging tussen been en crank) te hebben. Het is niet voor niets dat wielrenners in de winter overschoenen (een neopreen hoes over je fietsschoen heen) dragen: ze moeten wel, want de isolatie komt niet van sokken en schoenen.
Handen: een strak zittende handschoen isoleert slechter dan een handschoen die normaal op je handen aansluit.

Factor 3: Transpiratie
Vocht en kou zijn aartsvijanden. Dat komt omdat vochtige kleding minder, en natte kleding helemaal geen, lucht bevat en omdat het verdampen van vocht warmte aan je huid onttrekt. Vocht van buiten houd je tegen door de buitenste kledinglaag. Vocht van binnen, zweet, is een lastiger verhaal. Dat verhaal heeft twee thema’s: niet teveel zweten en het juiste ondergoed dragen.

Voorkom bij kou dat je het te warm krijgt. Je huid wordt dan nat van het zweet, dat je lastig – en altijd ten koste van lichaamswarmte – weer kwijtraakt. In de zomer is het in de rijwind drogen van een natgezweet T-shirt aangenaam verkoelend. Maar bij kou zul je het zweten echt moeten temmen. Stem je kleding af op het inspanningsniveau tijdens het fietsen, niet tijdens het stilstaan. Dat is bij de start in de ochtend even fris, maar tijdens het fietsen precies goed. Bij een pauze trek je een extra kledinglaag aan, ga je de berg op dan trek je een laag uit. Verder: stop als je voelt dat de warmte gaat stuwen of broeien en je gaat zweten. Gooi je jas open, laat de warmte eruit, rits ‘m weer dicht en in no-time heb je het weer aangenaam warm omdat je bloedsomloop nog op klim-niveau zit.

Ondergoed dragen dat goed overweg kan met het zweet dat je alsnog produceert. Ondergoed voor in de kou moet perfect aansluiten op je lijf en overal in contact staan met je huid. Kies een materiaal dat je huid droog houdt. Vermijd katoen. Dat neemt vocht op als een dolle, maar laat het nooit meer los. Het droogt dramatisch slecht, en al die tijd heb jij een klamme, slecht isolerende laag op je huid. Kies in plaats daarvan voor wol of polyester.
Polyester ondergoed was lang de norm. Het neemt vocht goed op en staat dat weer af aan de volgende kledinglaag. Het droogt snel, is sterk, voelt goed aan op de huid en is (door de breitechniek) licht isolerend. Een nadeel van polyester ondergoed is dat het heel snel gaat stinken. Elke behandeling die dat tegengaat was je er uiteindelijk uit.
Wol Als je 25 jaar geleden ‘wol’ had geroepen, had de outdoor-politie je direct opgesloten. Anno nu is wollen ondergoed een volwaardige optie voor actievelingen. Niet die ruwe jeukveroorzakende schapenvacht waar antroposofen dikke truien van breien, maar merinowol. Dat is zachte (niet kriebelende), warme – maar wel kwetsbare – wol van het merinoschaap. In ondergoed is merinowol de nieuwe polyester. Wat de Batavieren al wisten hebben we namelijk opnieuw ontdekt: als wol nat is, behoudt het een groot deel van z’n isolerend vermogen. Wol heeft bovendien een groter temperatuurbereik dan polyester. Je kunt dat vergelijken met het verschil tussen dons en synthetische vulling in slaapzakken, zie deze pagina. Polyester ondergoed dat te warm is gaat broeien en benauwd aanvoelen. Wol heeft daar weinig last van. Wol neemt vocht goed op, maar droogt minder snel dan polyester (maar veel sneller dan katoen) en blijft ondertussen wel isoleren. Er gaan stemmen op dat het langzamer drogen van wol gunstig is, omdat het op die manier minder warmte aan je huid onttrekt, al is dat gedurende langere tijd. Tot slot gaat wol vrijwel niet stinken. Als je liefst meerdere dagen doet met een ondershirt is dat erg prettig.

Kleding bij kou: wielrenners als voorbeeld (of niet)
Waarom niet gewoon aantrekken wat wielrenners dragen? Omdat wielrenners andere dingen doen dan bagagefietsers. Hun inspanningsniveau ligt een stuk hoger. Je kunt een wielrenner vergelijken met een hardloper. In mijn atletiekperiode trainde ik het hele jaar door, zes dagen in de week. Als het onder nul was, ging ik de weg op in een tight, een of twee ondershirt(s), een sweater, een muts en dunne handschoenen. Fris bij het de deur uitgaan, maar als je ruim 14 km/uur loopt heb je het na een kwartier door en door warm en kan de muts achter de broekband. Afkoelen deed ik niet, want (op een verkeerslicht na) stilstaan deed ik niet. Ik was aan het trainen. Zo gaat het bij wielrenners ook. Ze fietsen een aantal uren achter elkaar met een snelheid van (ruim) boven de 30 km/uur. Hun kleding is precies dik genoeg om het tijdens die training warm te hebben, voert vocht goed af en sluit nauw aan om zo min mogelijk luchtweerstand te ondervinden. Stilstaan doen ze niet omdat ze trainen en niet af willen koelen. Wanneer ze bezweet thuiskomen staan daar de douche en de wasmachine klaar.
Als ik een fietstocht maak is mijn doel niet het urenlang vasthouden van een hoge trainingsinspanning. Dat laatste kan zo uitkomen – bijvoorbeeld als ik een pas over ga – maar het is niet het thema. Mijn doel is ontdekken en reizen, en ondertussen een inspanning leveren. In vlak terrein en zonder tegenwind fiets ik met bagage zo’n 18-20 km/uur. Niet hard, wel ver. Tijdens een klim stop ik af en toe om wat te drinken, om me heen te kijken en af te koelen. Door het gemiddeld lagere inspanningsniveau heb ik meer aan dan een wielrenner. En andere dingen. Op een fietstocht vind ik een broek met zakken veel nuttiger dan iets straks om m’n benen. Fietsen in een tight op een niet-ligfiets, met windvangende fietstassen en een zit die redelijk rechtop is, is hetzelfde als met een Formule 1-outfit in een Volkswagenbus met aanhanger stappen: doe het als je dat leuk vindt, maar heb niet teveel illusies over het nut.
Maar… dat is persoonlijk. Er zijn bagagefietsers die hun tocht vooral als sportactiviteit zien. Het gaat hen om het fietsen, minder om de omgeving. We zijn midden in Pakistan een Nederlands stel tegengekomen dat elke dag ver over de 100 km reed, zonder rustdagen. Ze hadden het hele stuk, net als wij via Turkije en Iran, in drie maanden gedaan. Maar ze hadden geen idee van waar ze geweest waren en zaten nog steeds in een Nederlandse bubbel. Ze konden straks thuis een ongehoord stoer verhaal vertellen, dat ze Nederland – Nepal in (schat ik) ruim vier maanden hadden gefietst. Dat verhaal zat er bij ons niet in, zowel in Istanbul als in Esfahan waren we bijvoorbeeld 2,5 week gestopt, over die 13.000 km hadden we 9,5 maand gedaan. Maar we hadden een hele vracht aan verhalen. Ieder het zijne.

Kleding bij kou: adviezen
Bovenlijf  Draag tijdens het fietsen lagen met verschillende functies:

  • Aansluitend op je huid een wollen of polyester ondershirt. Dun bij milde kou, dik bij echte kou. Een korte rits aan de bovenkant hoeft bij deze laag niet. Het ondershirt houdt je huid droog, ook bij licht zweten, door het vocht op te nemen en (door de stuwende werking van je lichaamswarmte) door te geven aan de lagen erboven. In verhouding tot de dikte ervan isoleert deze eerste laag erg goed door de aansluiting op de huid.
  • Daar overheen een of twee isolerende lagen van wol of kunststof. Polyester truien worden fleece (‘vacht’) genoemd. Dunne wollen truien/shirts van merinowol zijn iets zwaarder (en duurder), maar ik vind het soort warmte en daarom het draagcomfort stukken fijner. Kies altijd voor een korte rits aan de bovenkant, de isolerende lagen moet je kunnen reguleren. Een volledige rits maakt de laag zwaarder en vormt een onderbreking van de isolatie (een kou-brug als je van dramatische taal houdt).
  • Als buitenste laag een winddichte (softshell) of waterdichte (hardshell) jas die vocht van binnen naar buiten doorlaat. Het vocht dat je al fietsend produceert moet weg kunnen, in kou mag onder je jas geen vochtig klimaat ontstaan, dan koel je af. Vocht doorlaten en toch wind- of waterdicht zijn is kenmerkend voor soft- en hardshells. Als het alleen om waterdichtheid gaat ben je immers al klaar met een vuilniszak. Maar waarom dat onderscheid? Een waterdichte jas is toch ook meteen winddicht? Omdat waterdichtheid een prijs heeft: het vochtdoorlatend vermogen is minder dan bij een winddichte jas. Voor een visser die stil zit op z’n kruk maakt dat niet uit. Maar lever je een flinke inspanning, dan is het verschil in vochtdoorlatendheid merkbaar. Zie het aparte tekstkader over de techniek achter winddichte en waterdichte kleding.
Winddicht, waterdicht en vochtdoorlatend: wonderbaarlijk, maar geen magie
Winddichtheid  bereik je op twee manieren. De eerste is door een stof heel dicht te weven. De wind kan nauwelijks door het weefsel heen, terwijl vocht daar geen moeite mee heeft. Dit levert soepele, lichte en zeer goed vochtdoorlatende kleding op die behoorlijk winddicht is. De andere manier is door een speciale laag in de stof te verwerken. Deze laag is volledig winddicht, terwijl vocht van binnen naar buiten toch wordt doorgelaten. Een voorbeeld daarvan is Gore Windstopper. Daarin is een laag uitgerekt PTFE (polytetrafluoretheen, bekend van de merknaam Teflon) verwerkt. Door het uitrekken zijn minuscule gaatjes in het materiaal ontstaan die groot genoeg zijn om waterdamp door te laten, maar klein genoeg om wind tegen te houden. De laag is aan de ene kant verlijmd (dat heet een laminaat) met een slijtvaste buitenstof en aan de andere kant met een licht isolerende binnenstof. De winddichtheid van dit type – iets stuggere en zwaardere – kleding is onovertroffen, terwijl de vochtdoorlatendheid ook bij stevige inspanning goed is. De stof van winddichte kleding met een laminaat is – gek genoeg misschien – meestal waterdicht genoeg voor lichte regen. Maar, belangrijk, de naden zijn dat niet omdat ze niet zijn afgedicht. Bovendien is bij een grotere waterdruk, zoals onder de schouderbanden van je rugzak of wanneer je op je knieën zit op een natte ondergrond, de waterdichtheid van de winddichte stof ontoereikend en krijg je natte schouders of knieën. De stof van waterdichte kleding blijft ook bij grotere waterdruk waterdicht.
Waterdichtheid  ontstaat door toepassing van een laminaat of coating. Een laminaat is een kant en klare laag die je verlijmt met lagen stof (zie hierboven). Een coating wordt in vloeibare vorm aan de binnenkant van de dragende stof aangebracht. Lamineren is een duurder proces dan coaten, maar een laminaat is slijtvaster en behoudt langer z’n waterdichtheid. Het doorlaten van vocht is mogelijk doordat het laminaat of de coating (a) minuscule gaatjes bevat, zie het Windstopper-voorbeeld of (b) door een scheikundige werking watermoleculen doorlaat zonder dat sprake is van openingen in de laag. Het transport van vocht van binnen naar buiten is evenmin tovenarij: dat gebeurt door overdruk. Binnen de jas is het warmer dan erbuiten, waardoor vocht naar buiten wordt gestuwd. Als dat drukverschil er niet is, is er ook geen vochttransport. Tijdens een regenbui op een warme dag heb je op dat vlak niets te verwachten. Bij felle kou ligt de vorstgrens binnen je jas en bevriest je lichaamsvocht aan de binnenkant. Dan moet je om de zoveel tijd ‘vlokken schudden’. Om volledig waterdicht te kunnen zijn, is de waterdichtheid van de stof niet genoeg. Daarom worden de naden van waterdichte kleding afgedicht met tape. Ook wordt extra aandacht besteed aan ritsen (afdekken of een waterdicht type gebruiken) en het afdekken van zakken en andere openingen.
De Kathedraal, zendgebouw van het voormalig radiostation Radio Kootwijk

‘de Kathedraal’, zendgebouw van het voormalig radiostation Radio Kootwijk. Mijn fiets had even een moment voor zichzelf nodig.

Onderlijf  Hier valt veel winst te behalen. Er is niemand die in de kou met maar één laag om zijn of haar bovenlijf op de fiets stapt. Er zijn wél veel fietsers die met maar één laag om hun benen van huis gaan, meestal een broek, soms een tight. Doe bij kou hetzelfde met je benen als je ook met je bovenlijf doet: zorg voor zowel een isolerende als een beschermende laag. Dat kan door een lange onderbroek (wol of polyester) onder je gewone (trekking)broek te dragen. Met dat laatste heb je er in één klap een enorme isolator bij. Een lange onderbroek heeft grote invloed op het warm hebben van je hele lichaam. En, nog meer winst, doordat je benen warm blijven heb je ook minder snel last van koude voeten. Erover draag ik een redelijk winddichte nylon outdoorbroek (Haglöfs is mijn broekenmerk) met zakken. Onder de lange onderbroek draag ik bij meerdaagse tochten een onderbroek met zeem. Comfortabel en sneldrogend na het uitwassen (elke dag! Daarom heb ik er twee bij me). Bij kortere (de grens ligt ongeveer bij 80 kilometer) dagafstanden een gewone onderbroek, want uiteindelijk komt de demping van m’n zadel – dat is bij wielrenners anders, die kunnen niet zonder zeem.

Handschoenen  Een gevoerde winddichte (voor mij moeten het Windstopper handschoenen van Gore Bikewear zijn) handschoen combineert isolatie met winddichtheid. Kies een niet te dikke handschoen. Die is ook te gebruiken bij lichte kou en combineer je bij felle kou met een dunne onderhandschoen. Bij temperaturen tussen nul en tien graden en een substantiële kans op regen draag ik Gore-Tex handschoenen: hardshells voor je handen. Die mogen niet te dik gevoerd zijn, want in te warme waterdichte handschoenen krijg je relatief snel zweethanden.

Voeten  Ik draag dikke sokken van een wol-kunststof mengsel, in halfhoge wandelschoenen. Die zijn door een Gore-Tex voering waterdicht, hebben een goede zool voor op een plateau-pedaal én voor tijdens het kamperen, houden ook m’n enkels warm – maar hinderen de fietsbeweging niet. Voor mij niets anders. Ik heb geen klikpedalen. Als hulptrainer bij een wielervereniging ken ik de voordelen ervan, maar die missen elke relevantie voor wat ik tijdens fietstochten doe. Ik kan elke schoen kiezen die ik wil, hoef maar één paar schoenen mee te nemen en kom ook zonder aan m’n pedalen te trekken probleemloos over elke pas. Tijdens kou, als circulatie een issue is, kan ik bovendien regelmatig m’n voeten een andere positie geven, met dikkere sokken in een losser zittende schoen die daarom beter isoleert.

Geheime wapens  Draag een muts. Het warmteverlies via je hoofd is groot, groter dan je denkt. Een muts gaat dat tegen. Een wollen col doet eveneens wonderen. Niet tobben met sjaals. Die zitten voor een groot deel buiten je jas, waardoor de wind erdoorheen giert en de isolatie nul is (en de bewegingsvrijheid van je nek ook). Een col draag je tussen nek en kraag, is erg warmte-efficiënt en belemmert je bewegingen nauwelijks.

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.