Laat voor het eten

Fietstochten en fietsreizen

Winterfietsen

Het licht komt terug, langs het spoor naar Amersfoort

Geen woeste tocht, maar op de terugweg van een overleg in Utrecht, langs het spoor tussen Den Dolder en Amersfoort. Eind januari, het licht komt langzaam terug.

In een fietsroutegids las ik een keer dat die route van april tot eind oktober fietsbaar was. Dan wil ik weten waarom. Dus ik op de kaart kijken: in de andere maanden zal een bepaald deel van de route onbegaanbaar zijn door sneeuw (hooggelegen wegen, een pas) of door rivierwater (wegen die in natte periodes onder water staan, de Rhône heeft daar bijvoorbeeld last van). Maar als ik de hele gids doorgelezen heb en ook de kaart heb gezien blijkt de natuur tussen oktober en april nergens dwars te liggen. Het is de winter die de schrijver tot z’n advies brengt. De donkere, koudere maanden. Met respect voor de schrijver: ik vind dat onzin vreemd. En doodzonde. Niet onaardig bedoeld, maar waarom zou je jezelf dat opleggen? Als ik alleen van april tot oktober zou fietsen, sla ik elk jaar bijna een half jaar over. Terwijl ik, net als iedereen, maar zo kort op deze wereld rondloop. Ik wil de donkere maanden niet uitzitten, ik wil fietsen!

Het is natuurlijk flauw om te doen alsof er geen verschil is tussen fietsen in juli en fietsen in januari. Dat is er wel, maar het hoeft je geen huisarrest te geven. Over het omgaan met dat verschil gaat deze pagina.

De dag begint bij Modave, Waalse Ardennen

De dag begint, vlakbij Modave in de Waalse Ardennen, een week vóór Kerst.

Waarom zou je?
De wintermaanden hebben voor mij iets bijzonders. Om te beginnen de totale rust. Ga half oktober naar de Eifel en je komt een enkele fietser en nog aardig wat wandelaars tegen. Ga in december naar de Ardennen en er is niemand. Helemaal niemand. Geen nerveus gedoe van zoevende wielrenners met midlife-bandana’s en zonnebrillen (ook onder de donkerste regenluchten), er is altijd plaats op het spreekwoordelijke bankje bij de kerk, je bent alleen in het bos. Heerlijk. Het heeft iets against all odds om ’s avonds in je eentje met een hoofdlamp op je noedels te koken op een uitgestorven en donkere camping. Naar de sterren te kijken, de nevel over het veld te zien glijden. Het gevoel van avontuur en totale autonomie. Daarnaast – en ik geef toe, nu wordt het echt vreemd – heb ik altijd het idee dat ik de natuur in de winter niet in de steek wil laten. De bomen zijn kaal, maar ze staan er nog steeds, het bos blijft bos maar krijgt een heel andere sfeer. Ik wil niet wegblijven van de grijsheid van het landschap, ik wil er dwars doorheen en het meemaken. Dan zijn de eerste groene puntjes aan de takken en de blaadjes die zich in april uit de knoppen wringen bovendien een extra groot feest.

Fietstocht Rijn en IJssel

Fietstocht door het zuiden van de provincie Utrecht, tweede week februari. De zon gaat onder, de kou kruipt terug.

Fietsen, kou en winter
Aan kou kun je niets doen, Moeder Natuur doet waar ze zin in heeft (daar hebben we gelukkig geen controle over). Maar aan het koud hebben wel. Kou is niemands schuld, het koud hebben is je eigen schuld, dan heb je niet de juiste spullen aan of bij je.

‘Winter’ is wat anders dan ‘kou’. Wat dat betreft klopt de titel van deze pagina niet. De meteorologische winter (waarbij het weer de seizoensindeling bepaalt, niet de stand van de aarde, dat is de astronomische winter) loopt van 1 december tot 1 maart (daar zijn varianten op, maar dat voert te ver). Die verdeel ik zelf in twee perioden: de grijze winter en de koude winter.

De grijze winter  De grijze winter is de maand december en de eerste helft van januari. In die periode is de zon, die zwak en maar kort aanwezig is, niet in staat om het vocht in de lucht te laten verdampen. De luchten zijn grijs van de wolken die maar niet weg lijken te gaan. Door die bewolking is het vaak niet koud: de temperaturen liggen tussen de 5 en 10 graden. Het noordelijk halfrond is in de grijze winter nog volop bezig met afkoelen, een proces dat nog even doorgaat ondanks het feit dat de zon rond 21 december de Steenbokskeerkring aantikt en daarna op de terugweg gaat: na 21 december worden de dagen weer langer. De eigenlijke kou moet nog komen. Vergelijk dat met de zomer: de opwarming gaat na 21 juni nog een hele tijd door, met de warmste dagen pas in juli en augustus. Fietsen in de grijze winter heeft (hoewel er hier en daar een laag extra aan moet) niet zoveel met kou te maken, maar meer met het vinden van de fietslol in de kale en donkere grijsheid van het landschap. Voor mij heeft dat landschap zijn eigen magie, ik wil het niet missen. Zie onder andere dit verhaal.

De koude winter  De koude winter is de tweede helft van januari en de maand februari. De zon wordt sterker en staat langer boven de horizon. Minder grijsheid in de lucht en de dagen worden langer. Maar de lucht wordt ondertussen kouder, steeds kouder. De koudste winterdagen vallen in deze periode, meestal in februari. Als er sneeuw valt (buiten een enkele dag eind november of begin december), is dat nu. Fietsen in deze periode vergt andere (en meer) kleding en, als je gaat kamperen, aandacht voor je uitrusting.

Kleding bij kou: factoren
Bij het fietsen in de kou moet kleding je warm houden. Bescherming tegen regen of andere nattigheid is bij echte kou geen factor. Als er neerslag valt, is het sneeuw (ijzel valt alleen rond het nulpunt). Als je voldoende isolerende kleding aan hebt, is die aan de buitenkant koud genoeg om sneeuw niet (meteen) te laten smelten. Je klopt de sneeuw van je af en blijft gewoon droog. Ideaal.

Om goed te snappen hoe je ‘warm blijven bij kou’ concreet vertaalt naar ‘wat moet ik aan en op’, is het handig om te weten dat daarbij drie factoren een rol spelen: isolatie, circulatie en transpiratie.

Isolatie  Een open deur, maar niettemin: kleding geeft geen warmte, maar houdt alleen vast wat er al is. Je lijf produceert warmte, kleding houdt die warmte vast. Dat is wat ‘isoleren’ betekent: zorgen dat iets niet weg kan, in dit geval warmte. Hoe? Doordat kleding

  1. lucht bevat. In kleding werkt lucht als isolator;
  2. dat wat eronder zit (andere kledinglagen) afschermt van wind en neerslag.

Lucht is een isolator. Op het eerste gezicht lijkt het logisch om te zeggen: hoe meer lucht, hoe meer isolatie. Dat klopt, maar onder voorwaarden. Hoe dikker je een luchtlaag namelijk maakt, hoe meer die gaat bewegen. Aan de ene kant van de luchtlaag is het warm (je huid), aan de andere kant koud (de buitenlucht). Dat is het hele idee van isoleren. Dat temperatuurverschil maakt dat de lucht gaat circuleren. Daarbij gebeurt precies wat je niet wilt, namelijk dat de lucht de warmte van je huid meeneemt en na circulatie aan de koude kant afgeeft. Je koelt af. Dat is wat er gebeurt in een lowtech luchtbed, de lucht circuleert waardoor de isolatie vrijwel nul is. De uitdrukking ‘kou komt van de grond’ klopt nergens zo goed als bij een luchtbed. En het ligt ook nog ruk. Enkele reis kringloopwinkel dus. Hoe krijg je dan toch een dikkere luchtlaag (dus meer isolatie) voor elkaar? Door dunne luchtlagen op elkaar te stapelen, met in elk daarvan zo min mogelijk luchtcirculatie. Dus door meerdere dunne lagen isolerende kleding over elkaar te dragen in plaats van één dikke. Daardoor kun je ook eenvoudig de dikte van je kleding aanpassen aan je inspanningsniveau en de buitentemperatuur. Dé oplossing, inmiddels dan ook een klassieker.

Afscherming is de tweede vorm van isolatie. Wat al aan bod kwam is dat lucht stil moet staan om effectief te kunnen zijn als isolator. Dat kan alleen als de wind daar geen invloed op heeft. Daarom moet de buitenste laag kleding liefst winddicht zijn. Waterdicht mag, maar winddicht is voor afscherming genoeg. Het mooie is dat er veel stoffen bestaan die perfect winddicht zijn en toch niet benauwd aanvoelen. Winddichte stoffen zijn óf heel dicht geweven, of voorzien van een winddichte laag die vocht van binnen naar buiten doorlaat. Deze buitenste kledinglaag hoeft niet te isoleren – dat doen de laagjes eronder al. In outdoortermen heet deze laag dan ook een shell, verdeeld in softshells (winddicht en vochtdoorlatend) en hardshells (waterdicht en vochtdoorlatend).Bij kou kunnen isolatie en afscherming niet zonder elkaar. Doe wat dunne truien over elkaar heen en ga fietsen zonder jas. Van de isolatie blijft vrijwel niets over. Als fietser heb je altijd te maken met wind, al is het maar de rijwind. Die blaast alle opgewarmde lucht uit je isolerende laag, waardoor je net zo goed in je T-shirt kunt fietsen. Je jas uittrekken kan tijdelijk een strategie zijn, bijvoorbeeld omdat je wilt dat je een groot deel van de warmte kwijtraakt, maar normaal gesproken kan een isolerende laag niet zonder een winddichte shell. Het verschijnsel ‘winterjas’ – een jas die zowel winddicht als isolerend is – is bij de meeste outdoor-activiteiten erg onhandig. Als je een winterjas uittrekt ben je niet alleen je shell kwijt, maar ook een (groot) deel van de isolerende laag. Dat frustreert het goed afstemmen van je kledinglagen op je inspanningsniveau en het weer, omdat de stap te groot is – je trekt teveel in één keer uit. Andersom, alleen een shell maar geen isolatie, werkt ook niet. Een shell schermt alleen af, maar zonder isolatie valt er niets af te schermen.

Circulatie  Circulatie, je bloedsomloop, is een onderschatte factor bij de keuze van je kleding. Om bij kou ook je uiteinden warm te kunnen houden, mag je bloedsomloop niet gehinderd worden. Bij fietsen gaat het altijd om koude voeten, nogal eens om koude handen en niet zo vaak om een koude rest. Je voeten: zorg voor een dikke isolerende laag – dikke sokken, in stevige kou met ondersokken – en schoenen die niet strak om je voeten zitten. Strak zittende schoenen hinderen de bloedsomloop en drukken de lucht uit je sokken. Doe je schoenen daarom losser om je voeten dan je in de zomer zou doen. Dit staat op gespannen voet met fietsschoenen voor klikpedalen, die strak om je voeten moeten zitten voor de directe krachtoverbrenging tussen been en crank waar het bij klikpedalen om begonnen is. Het is niet voor niets dat wielrenners in de winter overschoenen dragen, een aansluitende neopreen hoes over je hele fietsschoen heen met onderin een uitsparing voor het pedaal: ze moeten wel, want de isolatie gaat niet van de sok-schoen combinatie komen. Je handen: een strak zittende handschoen isoleert slechter dan een handschoen die normaal op je handen aansluit.

Transpiratie  Vocht en kou zijn elkaars aartsvijanden. Dat komt omdat vochtige kleding minder, en natte kleding helemaal geen, lucht bevat en omdat het verdampen van vocht warmte aan je huid onttrekt. Vocht van buiten houd je tegen door de buitenste kledinglaag. Vocht van binnen, zweet, is een minder simpel verhaal. Dat verhaal heeft twee thema’s:

Voorkom bij kou dat je huid nat wordt van het zweet. Het geproduceerde vocht raak je namelijk lastig – en altijd ten koste van lichaamswarmte – weer kwijt. In de zomer is dat wat je wilt, het in de rijwind drogen van een natgezweet T-shirt werkt aangenaam verkoelend. Maar bij kou zul je het zweten echt moeten temmen. Stem om te beginnen je kleding af op het inspanningsniveau tijdens het fietsen, niet tijdens het stilstaan. Is bij de start in de ochtend even fris, maar tijdens het fietsen precies goed. Bij een pauze trek je een extra kledinglaag aan, ga je bijvoorbeeld klimmen dan trek je een extra laag uit. Ten tweede: stop als je voelt dat de warmte gaat stuwen of broeien en je gaat zweten. Gooi je jas open, laat de warmte eruit, rits ‘m weer dicht en in no-time heb je het weer aangenaam warm omdat je bloedsomloop nog op klim-niveau zit.

Ondergoed dragen dat goed overweg kan met het zweet dat je ondanks alles toch produceert. Ondergoed voor in de kou moet perfect aansluiten op je lijf, zodat dit overal in contact staat met je huid. Niet strak, wel aansluitend. Kies een materiaal dat je huid droog houdt. Vermijd katoen. Dat neemt vocht op als een dolle, maar laat het nooit meer los. Het droogt dramatisch slecht, en al die tijd heb jij een klamme, koude laag op je huid. Kies in plaats daarvan voor wol of polyester. Als je 25 jaar geleden ‘wol’ had geroepen, had de outdoor-politie je direct opgesloten. Hightech polyester ondergoed was heel lang de norm, met geavanceerde brei-technieken en behandelingen zodat vocht snel van je huid werd opgenomen en werd doorgegeven aan de volgende kledinglaag. Gaat het alleen tussen polyester en katoen, dan is polyester een afgetekende winnaar. Polyester ondergoed neemt vocht op, droogt snel, voelt goed aan op de huid en is (door de breitechniek) licht isolerend. Katoen neemt nog beter vocht op, droogt niet bij kou, voelt daarom vervelend aan en isoleert dan nauwelijks meer. Nadelen van polyester ondergoed zijn de prijs en het gaat heel snel stinken.
Anno nu is wollen ondergoed een volwaardig alternatief. Niet die ruwe kriebelende schapenvacht waar je dikke truien van breidt, maar merinowol. Dat is zachte (niet kriebelende), warme – maar wel kwetsbare – wol van het merinoschaap. In ondergoed is merinowol de nieuwe polyester. Wat de Batavieren al wisten hebben we namelijk opnieuw ontdekt: als wol nat is, behoudt het een groot deel van z’n isolerend vermogen. Wol heeft bovendien een groter temperatuurbereik dan polyester. Je kunt dat vergelijken met het verschil tussen dons en synthetische vulling in slaapzakken, zie deze pagina. Polyester ondergoed dat te warm is gaat snel broeien en benauwd aanvoelen. Wol heeft daar weinig last van. Wol neemt vocht goed op, maar droogt minder snel dan polyester (maar veel sneller dan katoen) en blijft ondertussen wel isoleren. Er gaan stemmen op dat het langzamer drogen van wol gunstig is, omdat het op die manier minder warmte aan je huid onttrekt, al is dat gedurende langere tijd. Tot slot gaat wol vrijwel niet stinken. Als je liefst meerdere dagen doet met een ondershirt is dat erg prettig.

Kleding bij kou: wielrenners als voorbeeld (of niet)
Waarom niet gewoon aantrekken wat wielrenners in de winter dragen? Omdat wielrenners andere dingen doen dan bagagefietsers. Dat geldt in de zomer trouwens ook. Je kunt een wielrenner vergelijken met een hardloper. In mijn atletiekperiode trainde ik zes keer per week, het hele jaar door. Als het rond of onder nul was, ging ik de weg op in een tight, een of twee ondershirt(s), een sweater, een muts en dunne handschoenen. Fris bij het de deur uitgaan, maar als je ruim 14 km/uur loopt heb je het na een kwartier door en door warm en kan de muts achter de broekband. Afkoelen doe je niet, want (op een enkel verkeerslicht na) stilstaan doe je niet. Je bent namelijk aan het trainen, verschuift grenzen en bouwt je conditie uit. Zo gaat het bij wielrenners ook. Ze fietsen een aantal uren achter elkaar met een snelheid van (ruim) boven de 30 km/uur. Ze zweten en produceren veel warmte, want ze trainen. Hun kleding is precies dik genoeg om het tijdens die training aangenaam warm te hebben en volledig gericht op het afvoeren van zweet, zodat ze in de (rij)wind niet afkoelen. De kleding sluit nauw op het lichaam aan, om zo min mogelijk luchtweerstand te ondervinden. Na de cooling-down trekken ze hun nat gezwete kleren uit en staan ze binnen no-time onder de douche.
Als ik een fietstocht maak ben ik niet aan het trainen. De inspanning is, de hele dagetappe opgeteld, flink. Dat geldt ook voor een klim of het fietsen in zand of grind. Maar mijn doel is niet het urenlang vasthouden van een hoge trainingsinspanning. Mijn doel is ontdekken, reizen, om me heen kijken en daarbij een aangename en langdurige inspanning leveren. In vlak terrein en zonder tegenwind fiets ik zo’n 20 km/uur. Niet hard, wel lang, wel ver. Tijdens een klim stop ik meerdere keren, om even wat te drinken, om me heen te kijken en – in de kou, zie hierboven – m’n warmte- en zweetproductie te reguleren. Door het gemiddeld lagere inspanningsniveau is m’n kleding meer gericht op isolatie dan op vochtafvoer. Ik heb meer aan. Een flapperende jas is bij geen enkele snelheid fijn, maar verder is op een bagagefiets de extra luchtweerstand door minder strakke kleding nauwelijks een factor.
Dat laat onverlet dat er bagagefietsers zijn die hun tocht wel degelijk primair als fysieke uitdaging zien. Het gaat hen om het fietsen, niet zozeer om de omgeving. We zijn midden in Pakistan eens een Nederlands stel tegengekomen dat elke dag ver over de 100 km reed, zonder rustdagen. Ze hadden het hele stuk, net als wij via Turkije en Iran, in drie maanden gedaan. Maar ze hadden geen idee van waar ze geweest waren, spraken geen woord Turks of Urdu en zaten nog steeds in een Nederlandse cocon. Ze konden straks thuis een ongehoord stoer verhaal vertellen, dat ze Nederland – Nepal in (schat ik) ruim vier maanden hadden gefietst. Dat verhaal zat er bij ons niet in, alleen al in Istanbul en Esfahan waren we elk 18 dagen gestopt, over die 13.000 km hadden we 9,5 maand gedaan. Maar we hadden een hele vracht aan verhalen en het gevoel dat we iets van de landen begrepen hadden waar we geweest waren. Ieder het zijne.

Kleding bij kou: adviezen
Bovenlijf  Draag tijdens het fietsen meerdere lagen, met de functie zoals hierboven uitgelegd:

  1. Aansluitend op je huid een wollen of polyester ondershirt. Dun bij milde kou, dik bij intense kou. Een korte rits aan de bovenkant helpt bij het reguleren, maar is voor deze laag geen must. Het ondershirt houdt je huid droog, ook bij licht zweten, door het vocht op te nemen en (door de stuwende werking van je lichaamswarmte) dit weer af te staan aan de lagen erboven.
  2. Daar overheen een of meerdere isolerende lagen van wol of kunststof. Lichte en warme polyester truien worden fleece (‘vacht’) genoemd. Dunne wollen truien/shirts van merinowol zijn iets zwaarder (en duurder), maar ik vind het soort warmte en daarom het draagcomfort stukken fijner. Kies altijd voor een korte rits aan de bovenkant, de isolerende laag/lagen moet je kunnen reguleren. Een volledige rits maakt de laag zwaarder en vormt een onderbreking van de isolatie (een kou-brug als je van dramatische taal houdt).
  3. Als buitenste laag een winddichte (soft shell) of waterdichte (hard shell) jas die van binnen naar buiten vocht doorlaat. Er zijn meerdere verschillen tussen wind- en waterdicht. Een winddichte laag laat vocht beter door dan een waterdichte laag. Bij een normale regenbui is de stof van bijvoorbeeld een WindStopper jas ook waterdicht, maar – belangrijk – de naden zijn dat niet, omdat ze niet met tape afgedicht zijn zoals bij een waterdichte jas. Bij een grotere waterdruk, bijvoorbeeld de plekken onder je schouderbanden van een zware rugzak of wanneer je op je knieën zit op een natte ondergrond, is de waterdichtheid van de winddichte laag ontoereikend en krijg je natte schouders of knieën. Een hard shell heeft daar geen last van, die blijft ook bij grotere waterdruk waterdicht. Al met al is het bijzondere aan een soft of hard shell niet de wind- of waterdichtheid (dat is een vuilniszak ook), maar het feit dat deze shells tegelijkertijd vocht doorlaten, waardoor er onder je kleding geen benauwd en steeds vochtiger wordend klimaat ontstaat.
Geen magie
Winddicht, waterdicht en toch vochtdoorlatend (‘ademend’ was in de begindagen van dit soort kleding het woord) lijkt een wonderlijke combi. Toch komt daar weinig magie bij kijken. In een wind- of waterdicht kledingstuk zit een speciale kunststof laag. Bij WindStopper (winddicht) en Gore-Tex (waterdicht), twee bekende stof-merknamen, is dat PTFE (polytetrafluorethyleen, bekend van de merknaam Teflon). De laag is bij de productie uitgerekt, waardoor poriën (minuscule gaatjes) in het materiaal ontstaan die groot genoeg zijn om waterdamp door te laten, maar klein genoeg om water in vloeibare vorm tegen te houden. Dat vochttransport van binnen naar buiten is evenmin tovenarij, maar ontstaat door overdruk: binnen de jas is het warmer dan erbuiten, waardoor vocht naar buiten wordt geduwd. Als dat drukverschil er niet is, is er ook geen vochttransport. Bij felle kou bevriest je lichaamsvocht dan ook aan de binnenkant van je jas. Dan moet je om de zoveel tijd ‘vlokken schudden’.

Onderlijf  Hier valt de meeste winst te halen. Er is niemand die in de kou zonder trui op de fiets stapt. Veel fietsers gaan echter van huis zonder een isolerende laag om hun benen. Een tight (isoleert nauwelijks) of een broek (winddicht, maar net zo weinig isolerend) is alles. Door een lange onderbroek (wol of polyester, hetzelfde verhaal) onder je broek te dragen, heb je er in één klap een enorme isolator bij. Een lange onderbroek heeft grote invloed op het warm hebben van je hele lichaam. En, nog meer winst, doordat je benen warm blijven heb je ook minder snel last van koude voeten. Erover draag ik een redelijk winddichte nylon outdoorbroek (Haglöfs is mijn broekenmerk) met zakken. Onder de lange onderbroek draag ik bij meerdaagse tochten een onderbroek met zeem. Comfortabel en sneldrogend na het uitwassen (elke dag! Daarom heb ik er twee bij me). Bij kortere (de grens ligt ongeveer bij 80 kilometer) dagafstanden een gewone onderbroek, want uiteindelijk komt de demping van m’n zadel – dat is bij wielrenners anders, die kunnen niet zonder zeem.

Handschoenen  Een gevoerde winddichte (voor mij moeten het WindStopper handschoenen van Gore Bikewear zijn) handschoen combineert isolatie met winddichtheid. Kies een niet te dikke handschoen. Die is ook te gebruiken bij lichte kou en combineer je bij felle kou met een dunne onderhandschoen. Bij temperaturen tussen nul en tien graden en een substantiële kans op regen draag ik Gore-Tex handschoenen: hard shells voor je handen. Die mogen niet te dik gevoerd zijn, want in waterdichte + vochtdoorlatende handschoenen krijg je sneller zweethanden.

Voeten  Ik draag dikke sokken van een wol-kunststof mengsel, in halfhoge Gore-Tex wandelschoenen. Wind- en waterdicht, goede zool voor op een plateau-pedaal en ernaast, houden ook m’n enkels warm – maar hinderen de fietsbeweging niet. Voor mij niets anders. Ik heb geen klikpedalen. Als hulptrainer bij een wielrenvereniging ken ik de voordelen ervan, maar die missen elke relevantie voor wat ik tijdens fietstochten doe. Ik kan elke schoen kiezen die ik wil, hoef maar één paar schoenen mee te nemen en kom zonder aan m’n pedalen te trekken probleemloos over elke pas heen. Tijdens kou, als circulatie een issue is, kan ik bovendien regelmatig m’n voeten een andere positie geven, met dikkere sokken in een losser zittende schoen die daarom (veel) beter isoleert.

Geheime wapens  Draag een muts. Het warmteverlies via je hoofd is groot, groter dan je denkt. Een muts gaat dat tegen. Een wollen col doet eveneens wonderen. Niet tobben met sjaals. Die zitten voor een groot deel buiten je jas, waardoor de wind erdoorheen giert en de isolatie nul is (en de bewegingsvrijheid van je nek ook). Een col draag je tussen nek en kraag, is erg warmte-efficiënt en belemmert je bewegingen nauwelijks.

(wordt vervolgd)

Geef een reactie

Velden met een * zijn verplicht. Geen nood: je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en is niet zichtbaar voor anderen.


Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.